Naar de inhoud

Hylpen likje stea oen it Yselmor

mijn
Welkom in Hindeloopen. Welkom bij mijn digitaal boek over Hindeloopen.
seniorennet.beseniorennet.be

mijn

Hindelooper volksverhalen

Zie ook andere blogs in linker kolom

Ik wens u veel kijk- en leesplezier


Ame Gijs

HET VERHAAL VAN AME GIJS

Dat water en kleine kinderen niet samen gaan is een bekend gegeven. Ondanks dit gevaar heeft water toch vaak een grote aantrekkingskracht op kleine kinderen. In Hindeloopen, met zijn vele vaarten en sloten, had men om de kinderen af te schrikken daar wat op gevonden. Men had een ver­haaltje bedacht over ame Gijs. Hoe oud ame Gijs was werd nooit verteld. Maar het ame (groot­moe­der) gaf aan dat het om een oude vrouw ging. Ame Gijs woonde in de sloten en vaarten van Hindeloopen. Hoe zij daar kwam en hoe ze daar het leven hield werd ook nooit verteld. Wel werd aan de kinderen van Hindeloopen bij herhaling verteld dat als je bij de sloot kwam ame Gijs je onder water trok. En wat er gelijk achteraan verteld werd was dat je dan nooit weer thuis kon komen. Maar eerlijk gezegd, het werkte niet altijd. Ook in de jaren dat het verhaaltje van ame Gijs verteld werd raakten kinderen te water. Maar dat ame Gijs bij velen in Hindeloopen grote indruk heeft gemaakt en nog altijd aanwezig is blijkt wel uit de vele verhalen over deze legendarische ame die vandaag de dag nog steeds met zekere regelmaat worden verteld.

Bijgaand een kopie uit Uus Likje Wraald.

In de tijd dat de kinderen nog na schooltijd op straat speel­den met hoepels en tollen, dus heel lang geleden, woonde er in Hindeloopen, zo ongeveer op de plaats waar nu het huis op de foto staat, een oude vrouw. Deze vrouw werd ame Gijs genoemd. Het kleine huisje waarin zij woonde was niet al te best meer. Het dak was behoorlijk ingezakt, dus het lekte als een vergiet wanneer het regende. Maar ame Gijs was arm en ze bezat niet de middelen om haar huis op te laten knappen. Zij was van een­voudige kom af en had haar hele leven al van een karig loontje rond moeten komen. Haar zwar­te slobberkousen had zij al zo vaak moeten verstellen dat van de oorspronkelijke kous bijna niets meer te zien was, haar eens zo zwarte rok was nu grijs verwassen. Maar denk nu niet dat ame Gijs hierdoor bij de pakken neer ging zitten want dan heeft u het mis. Dit alles deerde ame Gijs niet in het min­ste. Zij haalde de geneugten van het leven uit de kleine dingen, zoals een praatje met de buren of een lekker vers eitje, gelegd door haar eigen kippen. Die kip­pen hield zij zoals voor die tijd gebruikelijk was onder het aan­recht. Maar overdag scharrelden de kippen buiten rond, om hier en daar een graantje mee te pik­ken. Als de zon scheen was ame Gijs meestal buiten te vin­den, want zij liep krom van de reumatiek en de zon verwarmde dan haar oude botten een beet­je. Op die manier kon zij ook de jeugd wat in de gaten houden want die zat regelmatig achter haar kippen aan. De arme beesten waren dan prompt een paar dagen van de leg, en de eieren had zij juist ze hard nodig. Ook de haan was regelmatig het mik­punt van de pesterijen. En dat terwijl dit oude beestje haar eens had gered toen haar huis in de brand stond. Want wat was er gebeurd: een oude theedoek die tegen haar nog warme for­nuis aan had gehangen was langzaam begonnen te smeulen, en dat vuur was overge­sprongen naar de gordijnen. De haan was als een gek te keer gegaan, waarbij zijn poot achter een verdwaalde spijker vast kwam te zitten. Door zijn gekraai werd ame Gijs wakker en kon zo de boel nog blussen voor haar hele huis in lichterlaaie stond. De poot van de haan kon niet meer worden gered dus moest de haan voortaan op een poot door het leven. U begrijpt dat wanneer de kinderen dan weer eens achter de kippen aan gin­gen de haan meestal de klos was want die kon nooit zo snel wegkomen. Als ame Gijs dat zag dan werd ze enorm kwaad want ze had nog altijd een zwak voor het beest. Ze had het dus niet ze op de jeugd staan, wat wel begrijpelijk was in dit geval. Op een dag zat ame Gijs op haar bankje voor huis wat uit te rusten in de lentezon toen er een paar kinderen weer achter de haan aanzaten. Wat was er nu een mooier gezicht voor de kinderen dan zo'n haan op één poot te zien hippen. De haan, ondertussen behoorlijk op leef­tijd, sprong zich letterlijk dood. Ame Gijs had alles te laat in de gaten en sprong toen bijna uit haar vel van woede. Ze rende achter die "rot born" aan onder het uitroepen van allerlei dreige­menten. Bijna had ze er één te pakken maar de jongen trok zich vlak voor de Kattenbrege met een ruk los. Ame Gijs raakte uit haar evenwicht, struikelde en viel voorover in de sloot. Alle kin­deren raakten in paniek want dit was toch absoluut niet de bedoeling. Vlug werden ouders en buren er bij geroepen om ame Gijs te redden. Maar hoe iedereen ook zocht, niemand kon haar weer vinden. En na uren en uren gaven ze het zoeken op. Sindsdien gebeurde het met de regelmaat van de klok dat, wanneer er kinderen te dicht in de buurt van de sloot kwamen, er ineens een grote groene gerimpelde vrouwen­hand uit het water kwam die pro­beerde de kinderen in het water in te trekken. En natuurlijk moet dit de hand van ame Gijs zijn want ame Gijs is de enige vrouw die een onuitsprekelijke hekel heeft aan kleine kinderen. En wan­neer u nu denkt dat ame Gijs een fabeltje is dan heeft u het mis. Vroeger was er een peilschaal vlak achter de dijk bij de Hon (vlak bij de kerk). Deze peil­schaal werd gebruikt voor het opmeten van de waterstanden bij eb en vloed toen het IJsselmeer nog Zuiderzee was. En deze peilschaal was een soort put die door middel van een buis verbonden was met deze Zuiderzee en in deze put zat een hoogteaanduiding. Dus in deze put ging het water op en neer maar omdat er door zee­wier en andere troep regelmatig verstoppingen in de verbinden­de buis waren zat er een ketting tussen de put en het uiteinde van de buis aan de zeekant. Door ze nu en dan het ketting heen en weer te halen werd de buis als het ware geraagd. Maar nu het verhaal waar het over gaat. Wij hebben onlangs nog met mensen gesproken die als kind een reuze respect hadden voor ame Gijs want wanneer ze bij de peilschaal waren en het was een beetje guur weer, dan was ame Gijs in haar element want dan kon je haar in de peil­schaal horen. Dan was ze aan het razen en tieren en smeet ze met haar kettingen (ze was enorm sterk natuurlijk) en je kon wel horen dat ze nog steeds veel verdriet had om haar haan. “Jin rot born", hoorden ze haar dan roepen en uit angst dat zo dan misschien uit de peilschaal kwam deden de kinderen gauw een paar stappen achteruit. Dus kinderen, pas op!

Foto: Op de plaats van het witte huis op de achtergrond van de foto woonde Amen Gijs. Foto is van Herma Snel

Bron verhaal: Uus Likje Wraald

Verteld door: Piet en Els Bakker

Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Geld stinkt niet

GELD STINKT NIET

Geld is gewoon bedrukt papier of stukjes metaal wat in een bepaalde vorm is geslagen en doorgaans bewerkt met bepaalde symbolen. En tegenwoordig is geld soms zelfs alleen maar een aantal cijfers met een € teken op een bankafschrift. Toch spelen deze in principe eenvoudige materialen een grote rol in het menselijke leven. Bij deze een paar kleine verhaaltjes die alles te maken hebben met geld.

Een penningmeester

Een plaatselijk vereniging in Hindeloopen bestond uit maar 8 leden. Eén van deze leden werd benoemd tot penningmeester. Zoals gebruikelijk bij de meeste verenigingen vond ook bij deze kleine vereniging eens per jaar een kascontrole plaats. Toen de kascommissie op de afgesproken tijd bij de penning­meester verscheen, haalde deze de bescheiden te voorschijn. Deze bestonden uit een kasboekje, een bundeltje kwitanties en een klein trommeltje met het aanwezige kasgeld. Tot slot kwam de pen­ningmeester nog met de huishoudportemonnee van zijn vrouw aan zetten. Terwijl hij deze portemonnee op tafel legde zei hij tot de beide controleurs “en deze is voor de eventue­le tekor­ten in de kas".

Tot in detail

Jaren geleden werd ik secretaris-penningmeester van een pol­der. Een drukke baan was dit echter niet. Het werk bestond uit hooguit twee bladzijden financiële administratie en als het uitgebreid werd gedaan waren er eens per jaar 3 bladzijden notulen te schrijven. Nu is het mij niet bekend hoeveel inkt er voor een dergelijk werkstuk nodig is, maar de vorige penningmeester-secretaris had hiervoor, zo bleek mij uit de administratie, elk jaar een balpen nodig. Hij bracht tenminste ieder jaar vijf en twintig cent voor de balpen in rekening.

Laat de kas de kas

De plaatselijke biljartclub zou een dagje met elkaar op reis. Een aantal leden stelde voor hiervoor de gezamenlijke kas gedeeltelijk aan te spreken. De penningmeester ging hier echter niet mee akkoord. Hij stelde voor dat een ieder voor zich de kosten zou betalen. Hij zei “laat de kas maar mooi de kas blijven. Dan hebben we volgend jaar ook nog wat”.

Drie weken later verdween deze penningmeester echter als een dief in de nacht uit Hindeloopen. Tevens werd toen al snel bekend dat hij nog velen in Hindeloopen geld schuldig was en dat de kas van de biljartclub reeds ver voor de vermaarde uit­spraak allang leeg was.

Een proef

Iemand die geld minder belangrijk vindt geeft dit vaak aan door te zeggen “wat moet ik met dat geld, de beesten willen het niet eens vreten”. Volgens het volgende ware verhaaltje heeft een boer in Hindeloopen dit proefondervindelijk uitgeprobeerd.

Deze boer had in het voorjaar te weinig hooi voor zijn koeien. Hij ging naar zijn buurman waarvan hij wist dat die ruim vol­doende hooi had en vroeg hem “buur kan ik wat hooi van jou lenen. Als ik komende zomer weer nieuw hooi oogst krijg je het terug”. Maar deze buurman met ruim voldoende hooi wilde geen hooi missen. Wel, zo liet hij de buurman met te weinig hooi weten dat hij hem wel geld wilde lenen. Hierop antwoordde de boer met te weinig hooi “het spijt me buurman daar heb ik niets aan. Ik heb het geprobeerd met briefjes van vijfentwintig en met honderdguldenbiljetten, maar mijn koeien willen het niet vreten”.

Reageer op dit bericht

Niet een ieder is slecht

NIET EEN IEDER IS SLECHT

Het is reeds lang geleden dat een heel groot sterk leger met vele soldaten oorlog voerde met vele andere landen. Een heel klein land wat aan het grote land grensde maakte zich echter geen zorgen. Zij zeiden, “wij hebben hun niks misdaan, dus zullen zij ons ook wel niets doen”. Maar dit bleek een misre­kening van de bewoners van dit kleine land. Op een zekere dag in het voorjaar trok het grote sterke leger ook het kleine land binnen. De soldaten van het kleine land deden verwoede pogingen deze indringers te keren. Maar er was geen houden aan. Het grote leger van het buurland had veel meer soldaten en veel meer tanks en kanonnen. Toen de vliegtuigen van het grote leger vele bommen op een van de grootste steden gooide, waar­bij veel doden vielen, gaven de soldaten van het kleine land zich over om meer doden te voor­komen. Hierna verspreidden de soldaten van het grote leger zich over het hele land. In de eerste maanden leken deze soldaten zo slecht nog niet. Ze waren vrij rustig en waren soms nog wel eens bereid de mensen uit het veroverde land te helpen. Maar heel langzaam veranderde dat. Ze werden steeds strenger en verboden de mensen steeds meer dingen. Tenslotte werden vele dingen die zij konden gebruiken gewoon meegenomen. Wie zich hierte­gen verzette werd met een geweer op andere gedachten gebracht of gevangen gezet. Zo gebeurde het op zekere dag dat het grote sterke leger paarden moest gebruiken. Deze paarden haalden ze gewoon bij de boeren weg die deze paarden in die tijd nog voor het werk op het land gebruikten. Of de boeren deze paarden konden missen werd niet gevraagd. En tegenspraak werd uiteraard ook niet geduld. Maar dat ook in dit grote sterke leger niet iedere soldaat slecht was vertelt het volgende verhaaltje.

Toen het leger paarden nodig had werd soldaat Rudolf er op uit gestuurd om paarden bij de boeren weg te halen. Vorderen noemde Rudolf zijn baas in het leger dat. Maar voor Rudolf was het gewoon stelen. Hij protesteerde dan ook danig tegen deze opdracht. Maar zijn baas, een generaal, zei kribbig “doe snel wat ik je bevolen heb. Als je het niet doet dan schiet ik je dood want aan een soldaat die niet doet wat ik beveel heb ik niets”. Na dit dreigement van de generaal vertrok Rudolf schoorvoe­tend. Bij de eerste twee boeren haalde hij bij ieder een paard weg. De derde boer waar hij op het erf kwam had slechts een oud paard. Daar dit paard hem niet geschikt leek voor het zware werk bij het leger liet hij dat staan. Gelijk na de middag kwam hij bij boer Dimmer. Die had een mooi jong en sterk paard op stal staan. Natuurlijk probeerde boer Dimmer Rudolf op ander gedachten te brengen. Ook het vierjarige zoontje van de boer stond te luis­teren naar het gesprek van zijn vader en Rudolf. Al verstond het jongetje niet alles, hij begreep toch wel dat de soldaat het paard mee wilde nemen. Het paard, wat hij altijd Natie noemde, was echter zijn troetel­dier. Het was in feite zijn vriend. Hij schrok dan ook behoor­lijk toen de soldaat een touw pakte om het paard mee te nemen. Het jongetje begon zachtjes te huilen en stamelde “ik wil Natie niet missen, het is mijn paard”. Na deze woorden van het jochie werd de ‘stoere’ soldaat Rudolf even stil. Hierna vertel­de hij de boer dat ook hij een zoontje had wat ongeveer even oud was als de boer zijn zoon­tje. Sinds de oorlog begonnen was had hij echter zijn zoontje en zijn vrouw niet meer gezien. In al die tijd had hij helemaal niets van hen beiden gehoord. Zelfs wist hij niet of ze nog leefden.

Nadat Rudolf dit verteld had bleef het enige ogenblikken stil in de stal. Na enige aarzeling gaf Rudolf het touw aan de boer, draaide zich om en verliet met tranen in de ogen zonder paard de stal. Terwijl hij wegliep streelde hij het jongetje over het haar en zei, “jij mag je paard houden”.

N.B. Het spreekwoord zegt; “Wie goed doet, die goed ontmoet”. Maar of dit spreekwoord ook op ging voor Rudolf blijft een vraag. Niemand heeft na die dag ooit weer iets van Rudolf gehoord.

 

Reageer op dit bericht

Ode aan het toilet

ODE AAN HET AL OUDE TOILET

Het al oude toilet, (ut Husjen) oftewel een klein houten hokje met een ton, stond doorgaans achter op het erf. (wal).Dit onmisbare hokje werd in vroegere jaren in Hindeloopen vaak "Jappe tral lal" genoemd.

Het bijbehorende rijmpje ging als volgt:

Jappe tral lal, stead op de wal.
(Jappe tral lal staat op het erf)
Hy ys naat fan flesk en naat fan bloo.
(Hij is niet vlees en bloed)
Mar tog dweit 'r alle meensken go.
(Maar is voor alle mensen goed)

Een historische grap

Bij sommige ‘husjes’ was aan de achterkant een soort luik waardoor men de ton, als die gele­digd moest worden, kon weg halen. Dit bracht een paar jongens op een idee.

’s Avonds in de schemer haalden zij dit luikje weg. Achter de struiken wachtten ze tot iemand naar het toilet moest. Na een half uur wachten zagen ze de dochter des huise naar het toilet gaan. Toen zij goed en wel ter plaat­se zat om haar nood te lenigen slopen zij nader bij. Met een paar lange stengels riet, door het geopende luikje, kietel­den ze het meisje onder haar achterste.

Een ieder kan, denk ik, wel raden welke reactie dit gaf.


Reageer op dit bericht

Meer van Hylpen likje stea oen it Yselmor

↑ Terug naar de berichten