Niet een ieder is slecht


NIET EEN IEDER IS SLECHT
Het is reeds lang geleden dat een heel groot sterk leger met vele soldaten oorlog voerde met vele andere landen. Een heel klein land wat aan het grote land grensde maakte zich echter geen zorgen. Zij zeiden, “wij hebben hun niks misdaan, dus zullen zij ons ook wel niets doen”. Maar dit bleek een misrekening van de bewoners van dit kleine land. Op een zekere dag in het voorjaar trok het grote sterke leger ook het kleine land binnen. De soldaten van het kleine land deden verwoede pogingen deze indringers te keren. Maar er was geen houden aan. Het grote leger van het buurland had veel meer soldaten en veel meer tanks en kanonnen. Toen de vliegtuigen van het grote leger vele bommen op een van de grootste steden gooide, waarbij veel doden vielen, gaven de soldaten van het kleine land zich over om meer doden te voorkomen. Hierna verspreidden de soldaten van het grote leger zich over het hele land. In de eerste maanden leken deze soldaten zo slecht nog niet. Ze waren vrij rustig en waren soms nog wel eens bereid de mensen uit het veroverde land te helpen. Maar heel langzaam veranderde dat. Ze werden steeds strenger en verboden de mensen steeds meer dingen. Tenslotte werden vele dingen die zij konden gebruiken gewoon meegenomen. Wie zich hiertegen verzette werd met een geweer op andere gedachten gebracht of gevangen gezet. Zo gebeurde het op zekere dag dat het grote sterke leger paarden moest gebruiken. Deze paarden haalden ze gewoon bij de boeren weg die deze paarden in die tijd nog voor het werk op het land gebruikten. Of de boeren deze paarden konden missen werd niet gevraagd. En tegenspraak werd uiteraard ook niet geduld. Maar dat ook in dit grote sterke leger niet iedere soldaat slecht was vertelt het volgende verhaaltje.
Toen het leger paarden nodig had werd soldaat Rudolf er op uit gestuurd om paarden bij de boeren weg te halen. Vorderen noemde Rudolf zijn baas in het leger dat. Maar voor Rudolf was het gewoon stelen. Hij protesteerde dan ook danig tegen deze opdracht. Maar zijn baas, een generaal, zei kribbig “doe snel wat ik je bevolen heb. Als je het niet doet dan schiet ik je dood want aan een soldaat die niet doet wat ik beveel heb ik niets”. Na dit dreigement van de generaal vertrok Rudolf schoorvoetend. Bij de eerste twee boeren haalde hij bij ieder een paard weg. De derde boer waar hij op het erf kwam had slechts een oud paard. Daar dit paard hem niet geschikt leek voor het zware werk bij het leger liet hij dat staan. Gelijk na de middag kwam hij bij boer Dimmer. Die had een mooi jong en sterk paard op stal staan. Natuurlijk probeerde boer Dimmer Rudolf op ander gedachten te brengen. Ook het vierjarige zoontje van de boer stond te luisteren naar het gesprek van zijn vader en Rudolf. Al verstond het jongetje niet alles, hij begreep toch wel dat de soldaat het paard mee wilde nemen. Het paard, wat hij altijd Natie noemde, was echter zijn troeteldier. Het was in feite zijn vriend. Hij schrok dan ook behoorlijk toen de soldaat een touw pakte om het paard mee te nemen. Het jongetje begon zachtjes te huilen en stamelde “ik wil Natie niet missen, het is mijn paard”. Na deze woorden van het jochie werd de ‘stoere’ soldaat Rudolf even stil. Hierna vertelde hij de boer dat ook hij een zoontje had wat ongeveer even oud was als de boer zijn zoontje. Sinds de oorlog begonnen was had hij echter zijn zoontje en zijn vrouw niet meer gezien. In al die tijd had hij helemaal niets van hen beiden gehoord. Zelfs wist hij niet of ze nog leefden.
Nadat Rudolf dit verteld had bleef het enige ogenblikken stil in de stal. Na enige aarzeling gaf Rudolf het touw aan de boer, draaide zich om en verliet met tranen in de ogen zonder paard de stal. Terwijl hij wegliep streelde hij het jongetje over het haar en zei, “jij mag je paard houden”.
N.B. Het spreekwoord zegt; “Wie goed doet, die goed ontmoet”. Maar of dit spreekwoord ook op ging voor Rudolf blijft een vraag. Niemand heeft na die dag ooit weer iets van Rudolf gehoord.


