Naar de inhoud

Hylpen likje stea oen it Yselmor

mijn
Welkom in Hindeloopen. Welkom bij mijn digitaal boek over Hindeloopen.
akke.beakke.be

mijn

Hindelooper volksverhalen

Zie ook andere blogs in linker kolom

Ik wens u veel kijk- en leesplezier


Archief

Een droom

EEN DROOM

Het is een warme dag. Tegen het vallen van de nacht kleurt de zon rood. Hij zakt langzaam weg in het rimpelloze water van het IJsselmeer. Als het donker is hangt de warmte van de dag nog steeds in de huizen. Toch sluit ik de gordijnen want de maan aan de vlekkeloze hemel zegt me dat de tijd is aangebroken om te gaan slapen. Maar de slaap wil niet komen. Nat van het zweet lig ik te woelen in mijn bed. Maar dan komt plotseling Klaas Vaak langs. Hij strooit me een schepje zand in de ogen en stuurt me onverbiddelijk naar dromenland.

In dit dromenland zie ik een wereld, een wereld van vrede en zonder haat. Ja, in mijn droom zie ik een wereld waarin een ieder een ander respecteert en accepteert zoals hij is. En in dit land van mijn droom zie ik mensen die nog geven om elkaar. Daar is alleenstaande niet alleen. Daar wordt de zieke niet vergeten. Daar is nog plaats voor de ouderen en de gehandicapte. Jong en oud zegt elkaar daar vriendelijk goedendag. Geld of status is daar van geen belang. Respect krijgt men daar in dromenland als mens. En wie alleen wil zijn in dromenland wordt met rust gelaten. En wie anders wil zijn mag daar best anders zijn. Dat is in mijn droomland ook geen probleem.

Maar ik zie in mijn droom niet alleen mensen. Ik zie ook water, heel veel water. En dat water is daar helder en schoon. De mensen delen daar het water met de vissen en vele watervogels. Ook zie ik in droomland groene bomen. En de dieren van het land lopen in groene weiden. De bloemen bloeien in alle kleuren en het riet wuift zachtjes heen en weer door een verfrissende wind. En de vogels hoog in de schone lucht zingen daar in dromenland het hoogste lied. Plots hoor ik een schaap blaten. Het roept in het nachtelijke duister zijn lam. Is dit echt, ben ik wakker of hoort dit ook bij mijn droom. Ik zal het nooit weten want kleine Klaas Vaak gooit me snel een tweede schep zand in de ogen en ik reis verder in dit mooie dromenland.

Ik open mijn ogen. De ochtendzon schijnt door een kier in het gordijn op mijn gezicht. Ik sta op en open het gordijn. En, ja waar, ik zie weer het land uit mijn droom. Ik wrijf mijn ogen uit en kijk nogmaals uit het raam. Ja, het is waar, ik zie water en een schone heldere lucht, ik zie een toren, ik zie een haven, ja werkelijk waar Hindeloopen is het land waar ik van droomde.

Reageer op dit bericht

Een lekkere pruim



Pruim tabak is grof gesneden tabak wat niet gebruikt wordt om te roken maar waar op gekauwd dient te worden.


ODE AAN DE PRUIM

In een land, heel ver land
stond jij op een plantage
en was de kweker zijn gage
Uit de oost verzonden naar hier
werd je blad gedroogd en versneden
voor menselijk genot en plezier

KAAS, WORST, PINDA'S, BORRELNOOTJES, OF EEN LEKKERE PRUIM

Anno 1998 is het algemeen dat een barkeeper zijn gasten af en toe trakteert op een stukje kaas, worst of een snack. Ook een schaaltje met pinda’s of borrelnootjes op de bar is meer regel dan uitzondering. In het begin van deze eeuw was het in Hindeloopen echter de gewoonte dat er in het plaatselijk café voor de vaste stamgas­ten een pot met pruimta­bak op de tafel stond. Na de borrel(s) kon een ieder dan huiswaarts keren met een verse pruim achter de wang. Maar net als tegenwoordig waren er ook vroeger reeds mensen die misbruik van een bepaalde situatie maakten. Wat dat be­treft is er nog niets veranderd in de wereld.

Een zeker persoon, die ik hier gemakshalve Kees zal noemen, meende van dit royale gebaar misbruik te moeten maken. Elke morgen zo rond de klok van half twaalf ging hij naar het plaatse­lijk café voor een z.g.n. voormiddagje. Hij bestelde dan, dat was vaste prik, 1 jonge borrel. Na deze genuttigd te hebben stond hij op om weer huiswaarts te gaan. Maar dit deed hij natuurlijk niet voor hij een dikke pruim uit de tabakspot had genomen. En dat dat geen kleine pruim was was duidelijk aan zijn bolle wang te zien. Maar die bolle wang was echter maar van tijde­lijke aard. Een­maal buiten werd al snel de koperen tabaksdoos uit de zak gehaald en verdween de vette pruim uit de mond in de tabaksdoos. Zo had Kees, die doorgaans op kleine plukjes tabak kauwde, tot de volgende dag weer voldoende pruimta­bak.

                                  VERWISSELING

Twee broers uit Hindeloopen, die beiden boer waren, deden veel werk op hun boerderijen samen. Beiden waren ze hartstochtelij­ke liefhebbers van een fikse pruim. Door het verwoede kauwen op de bruine tabak waren hun mondhoeken dan ook meestal ge­kleurd door de tabak. Maar de vrouwen des huizes dachten anders over deze lekkernij. Zij wensten, de in die tijd algemeen gebruikelijke kwispeldoor voor de overtollige sappen van de pruim, niet in huis. Dit had tot gevolg dat er in huis niet gepruimd kon worden. Als het koffietijd was konden de beide broers dan meestal ook maar moeilijk afscheid nemen van hun bruine sappige tabak. Maar daar werd wat op gevonden. Ieder legde zijn pruim netjes buiten in een hoek op de vensterbank. Zo konden ze tot het laatst toe kauwen. En als de koffie op was konden ze gewoon verder kauwen op dezelfde pruim van voor de koffie. Een prima oplossing dunkt mij. Er ging geen pruimtabak verlo­ren en de vrede in huis werd bewaard. Helaas er was een maar bij. Na de koffie wist doorgaans geen van de beide broers wie zijn pruim in welke hoek had gelegd. Maar ja, dat namen de mannen voor lief. Hun zalig genotsmiddel werd niet weggegooid. Regelmatig kauwde na de koffie de één op de ander zijn pruim van voor de koffie.

Opgemerkt hierbij zei dat de beide broers in goede gezondheid een respectabele leeftijd bereikten.

Bron: Historisch

Reageer op dit bericht

Auke Wiebes



AUKE WIEBES




Nadat Pe­ter de Groote in 1697 Holland bezocht en vele moeite gedaan had, om handwerkslieden,schippers enz. van daar naar Rusland te lok­ken, begon hij in 1703 zijn plan te volbrengen, om aan den mond der Newa eene vesting en stad te bouwen, welke den naam van St. Petersburg ontving. Reeds waren in het najaar de voornaamste deelen der vesting gereed, toen hij verrast werd door het berigt, dat eene groote Hollandsche Fluit zich aan den mond der Newa vertoonde en koers zette om de rivier op te zeilen.

Men gisse zijne vreugde bij het zien van het eerste schip, dat de plaats naderde, waarheen hij al de scheepvaart en handel van zijn uitgestrekt gebied wilde verleggen! Dadelijk voer hij zelf met zijne sloep het schip te gemoet, loodste het de zandbanken over en bragt het op eene veilige reede.

De schipper werd voor het huis van Mentschikoff geleid, dat naast het kleinere Zaandamsche huis van den Czaar was opge­trokken. Hij werd ter maaltijd genoodigd, en eerst hier vernam hij, dat hij met den Czaar zelven aan tafel zat, en dat de Vorst de loods was, die hem had binnengebragt. Hier vernam ook deze, dat het zijne Zaandamsche vrienden Calf waren, die dit schip hadden bevracht, om hem dit genoegen te bezorgen. Uitermate was Peter met deze verrassing in zijn schik. De schipper, Auke Wybes van Hindeloopen, kreeg verlof, de lading, bestaande uit zout, wijn en andere waren, geheel tolvrij te verkoopen. De Czaar zelf kocht er een voornaam deel van; de Grooten volgden zijn voorbeeld; de Nederlander deed eene uitstekend goede reis.

Hij vertrok weldra met Russische waren bevracht, en ontving bij het afscheidsmaal een geschenk van vijfhonderd dukaten; terwijl aan elken bootsgezel honderd rijksdaalders werden uitge­teld. Aan den schipper werd bovendien, bij elk volgend bezoek, eene beloning van honderd roebels beloofd. Aan het schip zelf werden groote privilegiën toegestaan, als: vrijdom van tol, het voorregt van in de haven het eerst geholpen te worden enz. Het bekwam den naam van St.Petersburg en heeft onafgebroken op deze stad gevaren. Het scheen onvergankelijk want het is gevoerd geworden door vader, zoon en kleinzoon, Auke Wybes, Wybe Aukes en Peter Wybes. De laatste werd naar den Czaar genoemd, en stond in latere tijd in bijzondere gunst bij de Keizerin Katha­rina 2. Toen hij, tusschen de jaren 1765 en 1770 oordeelde,, voor zich en de zijnen gelds genoeg gewonnen te hebben en met varen uitscheidde, heeft hij het schip St Petersburg doen slopen, dewijl hij oordeelde dat vreemden geene voordeelen van die privilegien zijner familie mogten erlangen.

Bron: Woordelijk overgenomen uit
“Merkwaardigheden van Hindeloopen”
Deze anekdote, die mij als kind reeds
vaak is verteld, word van tijd tot tijd betwist.
Maar waar of niet waar, het is een leuk verhaal

Reageer op dit bericht

Zuiderzee als vreugdebron

DE VOORMALIGE ZUIDERZEE ALS VREUGDEBRON


Heeft de voormalige Zuiderzee in haar langdurig bestaan veel verdriet gebracht bij scheepsrampen en ellende ver­oorzaakt bij overstromingen, deze zelfde zee was soms daar­naast de schepper van vreugde en bracht soms redding in de nood.

Vreugde was er toen er op een nacht in 1906 of 1907 “deBatavier” strandde na losgeslagen te zijn van de hem sle­pende “Hunze” op weg van Harlingen naar Amsterdam. De bemanning kon met behulp van enige helpende handen op de glooiing stappen, want bij deze storm was het water hoog en lag de “Batavier” tegen de dijk. Tegen de morgen spoelden de eerste goederen aan, waarmee het schip geladen was, en dat was van alles wat er maar in de handel te koop was. Zwaar beukten de wind en golven tegen en op het schip en het ene luik na het andere moest tegen het geweld der baren zwichten.

Weldra lag de dijk bezaaid met zakken erwten, bonen, tonnetjes vet, vaten met . . . .ja wat zou daar nu in zitten. Een gaatje met een boo gemaakt bracht uitkomst aan de nieuwsgierigheid en er stroomde uit het vat een rood straal­tje in de klomp, die gauw van de voet was getrokken en nu dienst moest doen als drinknap, want het bleek wijn te zijn. Ouderen en jongeren, allen die bij de stranding aanwezig waren deden pogingen om hun klomp te vullen met het geest­rijk vocht, dat nu onder ieders bereik was, want het kostte deze keer geen halve cent, alleen je moest je beurt af­wachten onder’t straaltje.

Dat duurde tot dat d e politie er een eind aan maakte, maar toen was het al te laat, want toen de klok negen uur sloeg en het tijd was voor de kinderen om naar school te gaan het, dat velen te diep in de klomp hadden gekeken en meester weinig of niets met zjn leerlingen uit kon richten en genoodzaakt was om ‘t merendel maar naar huis te sturen. Nu na 60 jaar herinneren sommigen zich deze schooldag nog als de dag van gister en vergeten niet om er bij te vertellen, dat er s’ morgens een boer kwam met twee emmers aan een juk om deze vol wijn mee naar huis te nemen, maar dat dit hem werd belemmert alleen om ’t feit dat zo’n onsymphatiek iemand was en men is nu nog verheugd, dat hij met lege emmers naar huis terugkeerde.

‘t Was echter niet alleen de wijn waarvan men profiteerde, er was veel meer, en dat vooral de kinderen aanlokte, dat waren de chocoladerepen, die daar bij tientallen aan de dikj voor het grijpen lagen, en vele broekzakken puilden uit van de door het zeewater beschadigde, maar voor die tijd heerlijke repen chocola, want veel kinderen wisten toen nog niet dat er zo veel lekker op de wereld was.

Evenzo was het in de eerste wereldoorlog, alles op de bonnen en dus niet teveel, meestal was er een tekort aan van alles. Brood werd door moeder toebedeeld en ieder kreeg niet meer dan zijn rantsoen, dat misschien wel voor een zieke of een oude van dagen genoeg was, maar lang niet toe­reikend voor de gezonde jeugd en de hardwerkende bevolking. Vis was er natuurlijk wel maar men heeft dan toch ook wel eens zin in wat anders. Aardappelen waren er ook wel, maar dat was toch zeker geen eten, die waren voor de beesten nog te beroerd en je werd misselijk als deze stinkerds op tafel werden gezet.

De herfst had zijn intrede gedaan en daarmee werd het weer ook slechter, stormen kondigden zich aan, Na een van deze stormen gebeurde het dat een jutter in de “Leugenbank” kwam met te vertellen, dat er zakken in zee dreven en sommigen al stuk geslagen waren tegen het paalwerk, waarbij bleek dat er meel in de zakken zat. Alles wat lopen kon ging gewapend met touwen en haken naar de opgegeven plaats en werkelijk daar dreven tussen zeewier en andere rommel de zakken met meel. Moeilijk was het echter om de zakken over het paalwerk te hijsen, omdat touw en haken glad werden van het nat geworden drijvende meel, maar zo iets laat je niet drijven en de hongerige maag hielp om de inspanning nog te vergroten en dan met succes. Veel zakken werden er die middag opgevist, maar moesten als strandvondst worden aangegeven op het gemeenthuis. Dat echter niet alles naar het gemeentehuis was gebracht kon je wel ruiken als je door Hindeloopen liep, want overal rook het naar pannekoeken of oliebollen. En als je dan de deur bij sommigen opendeed dan zag je het volgende tafareeltje.

Moeder stond voor het fornuis met een kleur van het bakken, de kinderen nog niet naar bed maar wachtend op een extra dikke pannekoek, terwijl vader achter de kachel zat te roken met een echte Engelse sigaret in zijn mond, die en passant ook waren aangespoeld in blikjes van 50 stuks.

Uit: Het boekje ‘REIN BLOM’ (1905-1982)

Meer verhalen over het leven bij de voormalige Zuiderzee zijn beschreven in dit boekje.

Reageer op dit bericht

De stadsbel



DE STADSBEL VAN HINDELOOPEN


Jarenlang zorgde de omroeper met zijn stadsbel dat Hindeloopen op de hoogte bleef van het wel en wee in Hylpen. In de tijd dat er nog geen radio en televisie was en deur aan deur folder nog een dure aangelegenheid was was de bel in feite het enige medium om grote aantallen mensen te informeren. In die tijd, dat men zelf nog in zijn levensonderhoud moest voorzien, was het voor de omroeper in kwestie een leuke (bij) verdienste.

Sinds de 80tiger jaren van de vorige eeuw wordt de bel nooit meer gebruikt bij gebrek aan een omroeper.

1 reactie Reageer op dit bericht

Drie verhaaltjes over koppigheid

EEN ZWIJGEND PROTEST

In een kleine gemeenschap als Hindeloopen groet men elkaar doorgaans en noemt men elkaar in vele gevallen bij de voor­naam. Niet groeten is dan ook in de meeste gevallen een teken dat er ruzie o.i.d. is.

Pieter Pietersen en Dirk Derkens kenden elkaar al vele jaren prima. Ze waren zelfs nog verre familie van elkaar. Op zekere dag kwamen ze elkaar tegen op straat en groette Pietersen met " goeden morgen Derksens ". Maar tot verbazing van Pietersen werd er geen enkele tegengroet gehoord van Der­kens. Dit voor­val herhaalde zich de komende dagen een aantal keren. Pieter­sen kon groeten wat hij wou, maar van Derkens werd niets gehoord. Pietersen wist niet waar hij dit stilzwijgen aan te danken had. Hij was zich van geen enkel kwaad bewust. Uiter­aard werd hier thuis in huiselijk kring over gesproken. Maar ook daar kon niemand een reden bedenken waarom Derkens in alle talen zweeg. Er werd dan ook besloten bij een volgende ontmoe­ting Derkens recht op de man af te vragen wat er was. Twee dagen later kwamen ze elkaar weer tegen. En wederom zweeg Derkens. Toen Pietersen zoals hij zich voorge­nomen had vroeg waarom hij de laatste week niets meer terug zei was het simpe­le antwoord: "Als jij niet gewoon Dirk kunt zeggen heb ik liever dat je je stil houdt ".

 DE EERSTE STAP 

Twee mannen (buren) spraken al 20 jaar lang niet tegen elkaar. Wel groetten ze de beide wederzijdse echtgenotes. De wederzijd­se vrouwen waren weliswaar geen vriendinnen maar van een on­vrien­delijke houding tegenover elkaar was echter ook niets te merken. Ook de wederzijdse kinderen leden niet onder de hou­ding van de vaders. Zij speelden met elkaar en kwamen normaal bij elkaar over de vloer. De beide mannen liepen elkaar echter in lengte van dagen zonder spreken voorbij. En als men vroeg waarom zij niets tegen elkaar zeiden wist geen van beiden het waarom van dit stilzwijgen. Op zekere dag kreeg de oudste, die we hier gemakshalve Jan noemen, een ernstig ongeluk en belandde in het ziekenhuis. De vrouw van de jongste buur, die we hier Klaas zullen noemen, was gewoon alle zieken uit Hindeloopen een kaart met beterschapswensen te sturen. Ook Jan kreeg na enkele dagen in het ziekenhuis een kaart van Klaas zijn vrouw. Gewoonte getrouw ondertekende zij deze kaart mede ook met haar man zijn naam. Deze kaart, met beide namen, was voor Jan aanleiding om zich voor te nemen in het vervolg ook wat vriendelijker te zijn tegen Klaas. Dit goede voornemen werd al snel enigszins geholpen door een toevalli­ge gebeurtenis. Jan was nog maar net ontslagen uit het zieken­huis toen hij hoorde dat Klaas was opgenomen in het ziekenhuis voor een kleine operatie. Klaas was bij wijze van spreken nog maar net bij kennis na de operatie of er hing al een kaart met van harte beterschap op het prikbord met als afzender Jan en zijn vrouw.

Afloop: De beide buren zijn nooit vrienden geworden maar nadien groe­tten ze elkaar altijd vriendelijk. En beiden waren blij dat de oude vete (?) verleden tijd was.

SPREKEN IS ZILVER EN ZWIJGEN IS GOUD

Het spreekwoord zegt: “spreken is zilver en zwijgen is goud”. Maar het volgende verhaaltje toont aan dat spreken soms ook goud oplevert.

Twee bestuursleden van een plaatselijke vereniging in Hinde­loopen werkten reeds jaren eendrachtig samen aan de doelstel­ling van de vereniging. Zonder dat een van beiden of de ver­eniging er iets aan kon doen kwam de baan van de man van een van de bestuursleden op de tocht te staan. Zij vroeg de andere bestuursleden van de vereniging het voor haar man op te nemen en actie te voeren tegen het dreigende ontslag van haar man. De andere bestuurs­leden voelden natuurlijk met haar persoon­lijke situatie mee maar waren van mening dat actie tegen een eventueel ontslag van haar man niet in het belang van de vereniging was noch de doelstelling van de vereniging diende. De voorzitter van de club had in deze de taak om de zienswijze van het bestuur over te brengen aan het bestuurslid dat steun vroeg voor haar man.

Nadat de voorzitter het bestuursstandpunt kenbaar had gemaakt en het hoe en waarom uitgelegd had bedankte zij per omgaande voor haar bestuursfunctie. En net als zo vaak gebeurt, werd ook hier de boodschapper voor de onheilbrenger aangezien. De daaropvol­gen­de dagen liepen de beide echtelieden de voorzitter zonder spreken voorbij. Toen de betreffende man ook daadwerke­lijk ontslag kreeg stonden de gezichten, ondanks dat de voor­zitter helemaal niets te maken had met dit ontslag, helemaal op onweer. Ja het ging zelfs zover dat als ze hem tegen kwamen ze demonstratief het gezicht afwendde.

De andere helft van het conflict, de voorzitterboodschapper, liet zich echter niet beïnvloeden door deze onterechte nega­tieve houding van de beide echtelieden. Hij deed net of zijn neus bloedde. Elke keer als hij ze, alleen of gezamenlijk, tegen kwam groette hij hen bescheiden maar vriendelijk. Na een half jaar kwam er af en toe een bescheiden knikje terug. Langzaam maar zeker werden de begroetingen normaler. Na twee jaren kwamen de drie per toeval bij een feestelijk gelegenheid aan één tafeltje te zitten. Over en weer werden consumpties aangeboden. Nadien kon zonder dat ooit weer over het conflict gesproken werd de verhouding als normaal gekwalificeerd worden.

Bron: Uit overlevering

Reageer op dit bericht

Filmopnamen

Op foto Kalverstraat in Hindeloopen anno 2004
       
EEN GESPREK

Er waren filmopnamen in Hindeloopen gemaakt. Voor deze opnamen hadden ze nauw contact gehad met Jan en Piet. Toen de opnamen klaar waren volgde het volgende gesprek:

Jan: ‘De film is klaar. De regisseur wil ons de opnamen graag laten zien’.

Piet: ‘Waar gaat dat gebeuren’.

Jan: ‘Op Kalverstraat nummer 10’.

Piet: ‘Nou nee, dan kom ik niet’.

De andere dag.

Piet: ‘Nu hoe waren de opnamen’.

Jan: ‘Prachtig mooi’.

Piet: ‘Hoe laat waren jullie thuis ?’

Jan: ‘Ik geloof een uur of tien’.

Piet: ‘Nee dat geloof ik niet. Zo snel kun je nooit vanuit Amsterdam thuis zijn’.

Jan: ‘We hoefden ook niet uit Amsterdam te komen. Het was in het huis van Margje en Pieter’ hier in Hindeloopen.

Piet: ‘Oh ik had gedacht dat we naar Amsterdam moesten. Had ik dat geweten. Dan had ik ook gekomen.

Bron: Historisch.

Reageer op dit bericht

Een scheldende haan

EEN SCHELDENDE HAAN

Het was in de vijftigerjaren dat in de landbouw en veeteelt de mechanisatie op gang kwam. Personeel op de boerderijen raakte overbodig. Verschillenden trokken naar het westen; Hoogovens, Bruynzeel enz. Er waren er ook die dichter bij huis bleven, die gingen naar de grasdrogerij in Workum die in 1947 opge­richt was. Een groepje van een man of zes verzamelde zich iedere morgen obij de haven van Hindeloopen en ging dan op de fiets richting Workum. Nu was halverwege de Workumerlaan, bij een boerderij, een haan die de mannen elke keer met een luid kukeleku verwelkomde. Een van de fietsers, we zullen hem voor het gemak Jan noemen, kreeg een danige hekel aan het brutale gekraai. Het was net of hij riep: “Kukeleku, het bin jimme gek”(wat zijn jullie gek) Soms stond de boer op het erf, er werd dan over en weer gegroet. “Morgen boer”, “morgen mannen”. Op een morgen ontbrak Jan op het appel, er werd op hem gewacht, maar geen Jan. Hij is vast ziek, want verslapen doet hij zich nooit, was de conclusie. Het was stil onderweg naar Workum, zelfs de haan kraaide niet.Toen ze bij de drogerij aan kwamen stond tot ieders ver­bazing Jan glunderend bij de fiets hen op te wachten. En, zei Jan, hebben jullie de haan nog gehoord? Ja, was het antwoord, hij riep nog: “Kukeleku waar is Jan” ? “Allegar liegen”, lachte Jan, “kiekje marris ien mien fietstas” (kijken jullie maar eens in mijn fietstas) De volgende morgen tracteerde Jan op heerlijke dampende hanen­soep uit de de thermofles.

Bron: Uus Likje Wraald
Verteld door: Jeddy Klaaren

Reageer op dit bericht

De oude schicht

DE OUDE SCHICHT

Het was april 1945. We waren jong, 24 jaar en ‘t liep tegen de bevrijding. We hadden een akelig laatste oorlogsjaar achter de rug. Spertijd van ‘s avonds acht tot ‘s morgons vier uur, je kon niks.Wij hadden ver­kering van l940 tot 1945 en zijn in sept ‘45 getrouwd. We woon­den bij vader in, zodoende had die man verzorging en wij goed­koop wonen. Enfin, om kort te gaan planden mijn vriendin (Marij van Willems Ruurdje) en ik om op onze fietsen met oude banden naar Sneek te gaan. Marij had daar een schoonzus­ter wonen, die een vriendin had die kon permanenten. Na be­handeling (ik was vroeger blond) zei Marij: Je lijkt wol een “kiesjen”(schaap met kleine krulletjes). ‘s Middags ging haar schoonzuster mee terug. Het plan was over Hommerts ­Jutrijp te fietsen en dan over­steken bij Gaastmeer naar het Heidenskip. De Duitsers waren op de terugweg naar hun Heimat. Paarden stalen ze uit het land, fietsen werden in beslaggenomen. We kwamen een vrouw tegen die liep te huilen, ze zei: Nu heb ik m'n nieuwe fiets de hele oorlog op zolder gehad en nu stelen die rotmof­fen hem om te vluchten. Goed, nu waren wij blijkbaar aan de beurt. We kwamen twee Duitse soldaten tegen die ons aanhiel­den. Marij had een bewijs om de fiets te mogen houden van haar zuster die baker was en de fiets van haar schoonzuster hoefden ze ook niet. Ik had een oude fiets van m’n broer, we noem­den hem “de oude schicht” maar hij fietste lekker licht. Enfin, ze kwamen bij mij terecht en zei­den we moeten dit fahrrad. Ik zei waarom die van mij (hij had al een andere bij zich, (ook gepikt). Hij zei, ik moet nog weit vom hier. Ik zei, het kan me niks sche­Ien wat je moet, ik loop ook niet van Jutrijp naar Hylpen, voor mijn part ga je de ganse welt aus. De andere soldaat fluis­terde me in (in het Duits) “geef hem nou maar, hij is een hoge ome en schiet je ter plekke dood!” Ik dacht, dat zou ook wat zijn, de oorlog doorgekomen en nu nog dood, dan moet hij ‘m maar nemen. Maar ik zei: “waarom moet je mijn fiets, je hebt er al een gestolen”. Hij zei “het gaat om de gepektreger”, daar moest zijn tas op. Ik zei: “goed, dan ruilen we” en ik ging op de andere fiets terug. Ik heb m’n oude schicht wel even na­gekeken. Toen ik thuiskwam zei m’n vader: “och, je hebt wel een knappe ruil gedaan, een lucht­band en een cussyband”. Zo is het toch nog wel aardig goed af­gelopen. Dit was april 1945.

Bron: Uus Likje Wraald December 2001
Verteld door J.v.Tuinen

Reageer op dit bericht

Meer van Hylpen likje stea oen it Yselmor

↑ Terug naar de berichten