Maandag 27 augustus 2007


Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 21:49



belichte schaduw
liggend naakt| als vrouw zo krachtig in haar eenvoud is haar omvang zo allemachtig als een Rubens zie ik haar de schoonheid van veel en al haar vormen die mijn gevoelens bestormen haar woeste haren maken mij ruig en met de spanning van haar blanke vel blijft mijn tong plakken aan mijn droge huig met haar diepe glazige ogen is zij als een vragend beeld met een koele passie mij nemend, zij die mij nimmer verveeld |
gaan en komen
natte droom| als nimfen leunen zij met hun blanke lijven tegen mijn vragend vel vier handen glijden willekeurig over een geurige vlakte waar hemelse nagels het genot verfijnen om de eenheid van samen uit te breiden lange haren schuren elkaars naakte aarde plakkend waar vocht verschijnt totdat de nog prille liaan langzaam een verhoogde potentie baarde verward open ik mijn ogen was de tijd vergeten ik had te lang in het bad gezeten het water was koud, ontzettend nat |
witte droom| ik word op een wit gespreid vlies voortbewogen door zes maagdelijke engelen langs azuur blauwe luchten zij spannen een doorzichtig veld van geluk met een uitgestrekte gracieuze geste genade schenkend met verleidelijke ogen die mij onderwijl bedwelmende bloemengeuren toe zuchten waarop geen enkel aards genot kan bogen uit hun frêle goddelijke flanken klinkt een kwetsbare Mahler symfonie mij zuigend naar opperste verrukking, het hart doorzeeft met bevrijdende klanken in dit verblijf van eeuwige symbiose wuiven de hemelse vleugelschepsels al het zoets rond mijn lijf zij beminnen mij met gedurige passie koesteren, beschermen mij opdat ik immer in deze schone droom gedij |
zwarte droom| de armen zijn te kort als ik de bloesem wil plukken lang rek ik me uit om te grijpen, te rukken een slechte droom gaat aan mij voorbij een kerker moeten ontvluchten maar niet wil lukken mijn voeten in grijs beton gegoten verstard beeld van stuurloos voelen langs muren van beslagen glas waar doornen spiegelen aan het schaduwlicht van wat is maar vooral was ik adem mijn verleden, heb een leven lang de draak bereden |
verlate vlindersik zag verlate vlinders dichtbij maar ook ver weg ze hadden op mij gewacht had ze ver verbannen, uit mijn denken gedacht had het pad verengd zag nog weinig licht sloot mij verkrampt voor ander goeds het bleek, uiteindelijk, niet echt gedicht heb die fladderaars bij me geroepen mijn ramen weer wijds open gezet dat heb ik nodig met meerdere te gaan over mijn levensstoepen kan mijzelf aan anderen niet onthouden dat is wat ik zo van het leven leer ik laat me daarom opnieuw roepen één kostbare vlinder koos voor de nacht hij is mijn ziel vergeten vloog voorbij de innerlijke spiegel ik word nu veracht |
getijden| zoeken over de grens van de schaduw is een wens het blijft bij een schuchtere verbeelding van ravijnen die ik vul met goden of te zoete rozijnen soms schep ik een verduisterd einde, opgaan in niets van al het zijnde zo bewegen mijn getijden als liefde en verlies van vermijden of bezitten het is maar net hoe het gemoed vaart, ik ongewild kies |
izabella| waarom zie ik toch telkens weer die bleke vrouw met donkere ogen en lokken als ragfijne draden die niet gedogen dat ik mijn handen strek vol wellustige begeerte om haar eer te versmaden haar uitdagende lippen zo intens zwoel zuigen mij nog dichter naar haar lijf zij dwaalt af, ik mis mijn doel raak verstrikt in het erotisch gevoel als ik in gedachten de liefde bedrijf |
laatste mijmeringende man, oud, maar geen prater ziet uit over golvend groen water ietwat in gedachten verzonken denkt hij aan het nabije later niet dat hij die blind miskent het einde is reeds eerder verkend zijn tijd is allengs versleten de dood is sluipend al gaan eten aan hem is vrees niet besteed verlangt naar het oneindig niets de komende rust is geen leed van het aardse wil hij zich bevrijden dat is slechts zijn laatste wil zijn hoofd knikt al naar hemelse weiden |
de lijkenmars| in de mars der lijken voert grauwheid de toon het dof gekletter der botten kent geen verschil tussen armen en rijken op muziek van de stilte waggelt men voort door de donkere steeg van de ijzige kilte her en der sluiten kornuiten zich aan om het peloton te versterken met wezenloze botten zo gaat men voort donkere gaten tegemoet alwaar zij zich begraven totdat de dood weer een beroep op hen doet |
ik, de nietsnutik ben een nietsnut tot nut van het algemeen moeiteloos gaat mij dit af zo waar een gave en geen straf immers ik ben gewenst onnodig en dat geeft rust voor al die strebers met hun ongebreidelde must zonder mij waren zij verloren; er is een grote behoefte zich aan mij te storen |
de Bevrijdingals het gras weer groeit is jouw oorlog niet gestorven nog steeds wordt in jou gestreden ook al heb je al lang geleden de vrijheid verworven je zwoegt in opgejaagde dromen en zweet aldoor de angst van barakken ja, je zult nimmer aan het gevang ontkomen en eindeloos naar verlichting snakken |
de Bevrijding 2als het verre zicht is begraven in het verleden als loze hoop er slechts is om te beleven zie ik niet meer dat wat komt voel ik niet verder dan de scherven van oud zeer ik adem alleen om door te leven het kan niet anders mijn blik raakt verstrikt in een machteloos web door anderen eerder voor mij geweven ben ik wel bevrijd als de oorlog is verdreven? |
as icke sterfe ( iegene taole)As icke meuge sterfe Ick sieje aol werumme Ende sie freugt ende piene In haort ende lieve geprieme So mien jung, moei kieke Ungelieke ende so rieke T'is recht unne gaeve Hunne siele te laeven Al dieje mense, o so tere Gelieke vao ende mien mude Maoke mien so mere Icke sou so gere die lefe kere As icke meuge sterfe Ende alle werumme sie Laeve mie die stille Gelieke die dode hunne ruste wille Waor dan bluuve die piene In haort ende lief de miene Icke groete dich sere Mien al lieve, so tere |
prille lente|
op het jonge gras groen sprietig
in een open plek van
het speelse sparrenbos
tel ik de zwoele zuchten
van de oostenwind
ik proef een prille lente
die mij bemint
en een hemelse passie
wordt mij geschonken
in haar natuurlijke
verschijning
heb ik even
naar heelheid
mogen lonken |
foto

foto

ik, de mens