De onbezorgde tienertijd die gestadig passeerde, de eigen verantwoordelijkheid die diende genomen, de onvermijdelijke stap naar volwassenheid, met zijn onverwachte wendingen, die toekomstgericht hun stempel drukten. Het hoorde er allemaal bij.
Beroepshalve had ik de gelegenheid mijn kennissenkring te verruimen en met veel wederzijdse genegenheid uit te bouwen. Een kostbaar geschenk waar de plaatselijke ziekenzorgwerking nog steeds de vruchten van plukt.
Samen met Roza Verbruggen, onverwacht overleden op 9 mei 2012, die zowat in het zelfde schuitje voer, heb ik getracht een steentje bij te dragen tot opbeuring van velen, die door ziekte of eenzaamheid vaak in een isolement terecht kwamen, waarbij een luisterend oor of een kwinkslag wonderen deden en een welgekome geschenk was. Bij het onverwacht heengaan van Roza, heb ik bij het eind van haar uitvaartdienst met respect en heel veel dankbaarheid onze samenwerking in herinnering gebracht.
Goeie, dierbare Roza,
Meer dan 20 jaren geleden hebben wij een vriendschapsband gesmeed, gegroeid uit het zorgdragen voor ons beider hulpbehoevende moeder. Eens ons moeders ter bestemming waren, zijn we enigszins naar mekaar toegegroeid. Een daguitstap af en toe, samen winkelen, korte vakanties, onze werking in verscheidene parochiale verenigingen, samen de communie brengen bij zieken en ouden van dagen. Het kerkkoor waarbij wij jaren geleden aansloten, ook al wisten wij dat heel wat inzet nodig was. Door het beste van jezelf te geven Roza zal het koor u missen. Een verlies waarbij veel dank hier zeker niet mag ontbreken. Onze gedachten gaan ook even terug naar uw buurman, koorlid, Jef die op dezelfde manier afscheid nam. Plots en onverwacht. Ernstige momenten, maar ook momenten doorspekt met de nodige humor wisselden mekaar af. Door regelmatig persoonlijk en telefonisch contact noemden wij mekaar al eens, de streekkrant van het parochiale gebeuren. Ooit zei ons eens iemand, jullie bent er twee van de levende kerk!
Zo gingen de jaren gezapig voorbij. Maar op een dag zou je mij een geheim verklappen. Je nam me in vertrouwen. Een hartkwaal was de trieste boodschap. Ik was erdoor geschokt. Maar je was sterk Roza, en ondanks je hoge ouderdom, zou je het, mijn inziens, wel redden. Je moest het wat kalmer aandoen en dat deed je. Zo werd het zondag 6 mei. Die zondagnamiddag voor uw opname in het ziekenhuis, ben ik met mijn zus langs geweest, om ne goeiendag te zeggen en u het beste toe te wensen. Het was zeker niet bedoeld als afscheid. Ik zat daar bij u knusjes in de zetel, tussen een hart- en een kankerpatiënt. Ik dacht bij mijn eigen, we gaan de miserie even opzij zetten. N'n babbel bestaande uit wat fantasie, wat kleine leugens en een beetje waarheid, werd de mengeling van een gezellige namiddag waar we met ons drieen, en zeker jij Roza, veel deugd aan beleefd hebben. Je was er bij ons weggaan heel gelukkig en zeer dankbaar om. Mijn zus en ik reden naar de kerk, we gingen de voetbedevaarders op terugtocht uit Scherpenheuvel verwelkomen, we beloofden u nog ne weesgegroet te bidden voor het welslagen van wat u te wachten stond.
Dag Roza en doe het verdorie goed de dagen die volgen. Na de hoopvolle boodschap die ik van de dokters kreeg zal ik daar van mijn kant mijn uiterste best voor doen. Dat was uw antwoord en meteen de laatste woorden die we met elkaar wisselden. Een warme handdruk die oneindig leek,was het definitieve afscheid. Op weg naar de kerk zei mijn zus in den auto “allé jong, Roza die ziet er zo goed uit, wie weet hoe komt ze terug”. En je bent teruggekomen Roza maar op een manier die niemand verwacht heeft. Zou het kunnen dat ze hierboven gezegd hebben, Roza, er zit sleet op uwe moteur, je kunt beter naar hier komen, je hebt je daar beneden genoeg ingezet voor al uw dierbaren. En je bent heengegaan Roza, helaas voorgoed. Het zal wennen worden voor allen die je op je levensweg ontmoet hebt.
Bedankt voor alle goeds dat je ons gegeven hebt en wees er van overtuigd Roza, u wacht voorzeker de hemelse beloning.
De meester voelde zich blijkbaar op zijn gemak in zijn destijds “haute couture” pak. Zijn vest een beetje ontgroeid, het strijkijzer ongemoeid. Zo poseert de meester fier als een pauw voor zijn vertrouwde klasgebouw. En wij, wij vonden het allen fijn, van deze vader een zoon of dochter te zijn.
Ons eerste radioke.
Ons eerste radioke had een groen oog naast een jute bescherming die de luidsprekers afschermde. Een kaske hooguit 40 op 50 cm. Wanneer het zijn best deed en de lampen gingen gloeien was het spel warmgelopen en werd onherroepelijk de knop omgedraaid. Adieu enige ontspanning in de avondlijke huiskamer. Achter die jutebescherming luisterden we naar het Mariahalfuurtje van pater Leopold, karmeliet. Maar ook naar Will Ferdy met zijn Peterke en Pépé. In ons radioke zat naar het schijnt een bobijn met honderden meters koperen ijzerendraad, dat moest de werking van dat ding garanderen. Hubert Van Herrewegen was de geliefde wielercommentator van ons vader, ook als het ging over Louison Bobet, Jean Robic en Wim Van Est die ooit eens in een ravijn terecht kwam. Zijn hart had even stilgestaan, zijn Pontiacuurwerk niet. Dat was pas reclame !! Toen later Stan Ockers verongelukte en hij die boodschap hoorde op onze knappe radio was het niet alleen ons vader die traande maar precies de luidsprekers eveneens !! De begrafenis werd rechtstreeks uitgezonden met de gekende emoties tot gevolg.
Wie meent dat enkel duivenberichten, opgehaalde schotbalken of doorlaatkleppen te horen waren had het verkeerd voor. Tijdens de wintermaanden konden wij ook meegenieten van luisterspelen. Als toneelliefhebber plakte het oor van ons vader letterlijk en figuurlijk aan de jute bescherming van ons radioke. Zijn commentaar nadien was treffend, of we het nu geloofden of niet maar krakende sneeuw werd weergegeven door iemand die in de studio heel hard zat te knijpen in een zakje bakmeel. Paarden liet men draven door met een lepel ritmisch op een houten tafel te kloppen. Die vaststelling bracht hij over bij de toneelspelers van zijn geliefde groep ‘Rust Roest’ waar hij voorzitter van was.
Als ons moeder in de winter de was te drogen hing was het wel even zoeken om dat ding terug te vinden. Het fameuze groene lichtje verstopt achter de schree van een of andere broek of vrouwenhemd, de kruisgewijze gespannen wasdraad met alles erop en eraan die de ganse keuken doorkruiste, maakte een zoekplaatje van ons radioke.
Het was alleszins een hele verovering in de destijds moderne techniek. Later zoals dat gaat werd dat klein ding door een moderner exemplaar vervangen en stierf ons radioke een trieste dood op het stort van Leest. Aan de stenenbeek op de Juniorslaan ging ons bakske ter ziele. Requies cant inpache !!! Amen.”
Een welgekomen bijverdienste in de oorlog was het kooltjesziften. Voorzien van een zeef, schup, jute zakken en hun houten kruiwagen trok de hele familie naar de putten in Battel. Regelmatig werd daar kolenafval, afkomstig van treinen en boten uit Brussel en Antwerpen, gedropt. Men moest dan wel bij de zaak zijn om er het beste uit te halen. Soms lukte dat en kon de familie daarmee wat kolen uitsparen voor de verwarming in de winter.
De naoorlogse vliegende bommen maakten drie slachtoffers in Leest en veel stoffelijke schade. Vele bezitters van een tuin in het dorp gingen over tot de bouw van een schuilkelder, liever nog dan op die plek in hun hof aardappelen te planten. Bij ons was de schuilkelder gegraven achteraan in de tuin tussen de kriekelaars. De takken zouden het zicht benemen, dacht ons vader. Meestal zagen we de vliegende bommen over ons hoofd vliegen en vonden we niet de tijd om naar die schuilkelder te vluchten. ’s Nachts sliepen we in de kelder onder ons huis, gelukkig was het geen winter, want dan hadden we af te rekenen met grondwater dat de kelder kwam binnengestroomd.
Mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt kunnen het zich nauwelijks voorstellen maar de vrees dat zo’n bom elk moment kon neerkomen, was beangstigend… Van de familie was niemand zo dapper als ons moeder. Als de moordwapens overvlogen ging zij steevast buiten kijken.
Sinterklaaskermis in December.
Op de feestdag van St. Niklaas , patroonheilige van onze parochie, lieten mijn vader, zijn zussen en broers een requiemmis opdragen ter nagedachtenis van hun ouders en hun broer priester Cyriel Selleslagh. Zo viel de aankondiging ‘s zondags destijds van de preekstoel. Op maandag om 9 uur, zal een plechtige requiemmis met Libera opgedragen worden ter nagedachtenis van de echtgenoten Selleslagh-Van den Brande en hun zoon, Eerwaarde Heer Cyriel Selleslagh, aldus Pastoor De Beuckelaar. Een dag waar wij met veel genoegen naar uitkeken. Libera ???? Voor de trappen van het hoofdaltaar stond een houten geraamte, een kleine katafalk noemde men dat, met zwarte doeken overdekt, geflankeerd door vier brandende kaarsen. Maar wat zat daar onder ?? Mijn broer Cyriel vond het veel te groot voor een hondenkot en te klein om verstoppertje onder te spelen. Toch werd de constructie door de Pastoor overvloedig bewierookt en gezegend. Onze vraag is echter altijd onbeantwoord gebleven !!
Ik herinner me nog dat destijds reklame werd gemaakt voor een produkt dat een verkoudheid moest genezen. Het was een blikkendoosje met op het deksel een figuur van een niezende ouwe grootmoeder. Een waarschuwende tekst sierde het deksel, “kom neem een Zube.” Een Zube was een snoepje ter verlichting van een niesbui. Toeval wou dat de pastoor, blijkbaar verkouden, tijdens de stilte van de consecratie een niesbui niet kon onderdrukken. Mijn broer Cyriel zei luidop in de kerk “ kom neem een Zube”. Met een lachbui tot gevolg. De strenge zuster Virginie, ook aanwezig uiteraard zei tegen ons vader dat hij zijn kinderen niet goed had opgevoed. Ons vader kennende !!!!
In het kerkportaal na de mis gaf ieder zijn deel van de onkosten. Met het verzameld bedrag was ons vader direct bij kas om de kroegentocht aan te vangen, want dat laatste hoorde ook bij de viering ! De eerste halt was bij Sofie van Dorrekes op de hoek van de Molenstraat. De oude Ciska, moeder van Sofie, erger dan potdoof, was de waardin van de uitbating. Zij gaf haar job aan niemand af, tot der dood zei ‘t mens !! Een deurbel aan haar café was niet gewild, wel hing Ciska een pook aan de deurklink, bij aanraking van de klink viel dat spel met veel lawaai op de grond en dat lukte soms nog juist om Ciska achter de toog te zien verschijnen. Tappen van de kraan kende Ciska niet, dan maar uit het fleske, tot ongenoegen van de kenner !! Moppen vertellen, proper en soms ander, de pret kon niet op!! Soms niet geschikt voor de jonge generatie, geplaatst op een muurvaste bank aan het vensterraam. Lachen mochten we, luisteren niet. Van Ciska naar den Bareel, vervolgens naar Dore van Noldus, naar Toor van Leires en tegen de middag naar onze Jul, voor ons Nonkel Jul. Daar stonden we vlug weer op straat. Nonkel tapte Ardorbieren van Minazio van Willebroek. Dat viel niet in de smaak, slechter dan afwaswater was het algemeen oordeel !! Middagmalen was deels bij tant Marie deels bij ons. Nonkel Ivo, Battelaar, was onze trouwe klant, want ons Marie, zijn zus, schonk bij het eetmaal limonade en Spareine, niet naar de zin van nonkel. Spareine zei nonkel, heel de vaart van Battel staat vol Spa !!! Het werd telkenjare een familiereunie om U tegen te zeggen. Ze zullen wel allen veilig thuis gearriveerd zijn want het jaar nadien waren ze weer allen present op de afspraak. Het is gelijk hoe men zijn doden eert, als men ze maar niet vergeet.
Kermis of niet, het dagelijks bidden van de rozenkrans mocht ook dan niet ontbreken. Ons vader echter, voorbidder, had geen rekening gehouden met de schorseneren die ‘s middags op het menu stonden, en dat had zijn uitwerking niet gemist !!! Het gebed werd regelmatig door ongewenste geluiden onderbroken, één maal, twee maal, drie maal ?? Ons vader vond dat het wellekes was geweest. De christelijke alledaagse gewoonte werd gestopt ! Hij vond het niet kunnen, een beetje meer respect was hier wel gepast geweest. Wie was hier in fout gegaan,zoek dat maar eens uit !!! Hij informeerde niet, hij zal geweten hebben waarom. “s Anderendaags echter geen schorseneren, wel twee paternosters !!
Op de stralende morgen van 10 mei 1940 bestookten de Duitsers niet enkel militaire doelen, ze vielen ook steden en dorpen aan. De aanval op Brussel om 05u20 leverde al een eerste tragische balans op : 41 doden en 62 gewonden. Meteen was de bevolking bij het conflict betrokken en begon paniek om zich heen te grijpen. De gruwelen van de eerste wereldoorlog waren nog niet vergeten en vele mensen verkozen te vluchten. Niemand wist eigenlijk waar naartoe maar weg van het krijgsgeweld was het eerste gebod.
Snel scharrelden ons moeder en va het noodzakelijkste bij elkaar, wat geld en vooral veel kinderen. De fietsen volgeladen met wat schamele bezittingen, een voorbehouden plaatske op het speelkarretje van Jefke Vink en weg waren we. Langs de Tiendeschuurstraat over de Bist, waar ons vader van de Lodde de gouden raad meekreeg terug huiswaarts te keren want we gingen het gevaar tegemoet. Achteraf zou ons vader hem gelijk geven. Via Kapelle-op-den-Bos belandden we stapvoets in een platgebombardeerd Aalst waar we letterlijk door de vlammen heen moesten. Huilende duikvluchten van Duitse vliegtuigen maakten de verwarring compleet. In het dorpje Schuiferskapelle, thans een deelgemeente van Tielt, speelden ze mij kwijt. Ik was met mijn fietske wat voorop geraakt. Gelukkig vond ons vader me gezond en wel terug. Misschien waren het de vele rozenkransen die de kinderen samen met Colette Vink moesten bidden, die hen veilig tot bij boer Van de Walle in Tielt West-Vlaanderen brachten. De terminus van hun vlucht. In de kelder van deze boer konden we eindelijk wat op adem komen en besloten we terug huiswaarts te keren. Onze vlucht had tien dagen geduurd. Meermaals hadden we gevraagd “ moe gaan we niet naar huis ?? Thuisgekomen vernamen ze van ‘den Blokmaker’ dat tijdens onze vlucht 20 mannen op de koer van de jongensschool bijeen gebracht waren om geëxecuteerd te worden, wat gelukkig niet is doorgegaan. Nog volgens ‘den Blokmaker’ hadden de Duitsers het plan opgevat om ons woning in brand te steken, maar dat had hij kunnen beletten door te verklaren dat er een groot gezin in dat huis gevestigd was.
Een winteravond zoals velen.
Als hout, kolen en kinderen binnen waren, zaten we meestal met z’n allen met ons voeten op het onderste van en rond de Leuvense stoof. Ieder met zijn eigen bezigheid. Omdat het onderste van de stoof te klein was om 18 voeten op te parkeren, gebeurde het meermaals dat den éne zijn voeten op die van den andere plaatste. Ons moeder die met vier priemen en dikke breiwol de mooiste warme sokken kon breien, maar af en toe van de stoof schoof, voeten op de grond, steken eveneens, breiwerk in retard, een verwrongen vloek tot gevolg, en een schietgebedje om met ons Heer weer wit te staan. Het deksel van de stoof werd bij valavond even opgelicht, zodat er bij het bidden van het dagelijks rozenhoedje, wat licht scheen in de duisternis. Sfeervol en onze gedachten verdwaalden niet !! Soms moesten we bidden voor een jong gezin dat aan uitbreiding dacht. De manier waarop werd angstvallig verzwegen ! Ons moeder las dan luidop : ‘leer hen een kinneke maken, niet te grof, niet te fijn, maar juist zoals het kinneke moet zijn.’ En negen maanden nadien mochten we dan naar dat kinneke gaan zien.
Wij kenden geen weelde, wel een gelukkige jeugd. Omwille van de schaarse en dure brandstof en het dure leven voor zo een groot gezin leefden we in een kleine ruimte. In onze keuken moesten 9 mensen van groot tot klein zoeken om hun eigen taak zo goed mogelijk te kunnen vervullen !! En geloof me, dat was zeker niet gemakkelijk !!! Op die luttele oppervlakte moest ieder naar behoren functioneren. Koken, eten, de was drogen, schoenen poetsen, breien, sokken stoppen, studeren, huiswerk maken, verbeteren van schooltaken, plezier beleven en ruzie maken !!
Geld om een ganse woning op te warmen was er niet. De kolen waren veel te duur en gerantsoeneerd. In de tweede plaats (nu living genaamd) stond een feu-continue. Als er een beetje geld in kas was, kocht ons moeder 200 kg antraciet. Met het weekend als iedereen thuis was werd daar het vuur aangestoken. Dat was een GROTE LUX, tenminste als de schouw niet vochtig was en deze een goeie werking had !! Zoniet konden wij door het slecht functioneren van de schouw best met gerookte haringen vergeleken worden. Als de wind uit het noorden kwam hadden we meestal prijs ! Deuren en ramen werden dan op elkaar opengezet zodanig dat de rook kon afdrijven. Soms kon ons moeder concurreren met den Ammoniak van Willebroek. Eens de vlam in de pijp was het euvel verholpen. De Leuvense stoof werd door ons moeder gepoetst op vrijdagnamiddag als heel het capittel naar school was. De ronde pot was gauw kapot gestookt. Om de barsten te repareren had ons moeder de oplossing gevonden, waar weet ik niet, maar het lukte ! Ze kletste wat slam (vraag me niet wat het was) tegen de barsten en eens de schooltijd gepasseerd, stond de gerepareerde pot roodgloeiend. Dat mens kon zelfs den duvel doen blozen !
’s Winters moest de was meestal in de keuken gedroogd worden. Wat nagelen in de muur, kruisgewijze de draden gespannen en klaar was kees ! Gemakkelijk was anders ! Als elk centimeterke draad benut was, moest men op zoek naar de bewoners. Dat was wel een voordeel als men wat mispeuterd had, ofwel haperde men met zijne neus in een manshemdslip of kon je je verstoppen achter een opgehangen vrouwenbroek. We zochten dat zelf wel uit ! We waren niet groot, de broek integendeel wel ! De boterhammeke’s waren als de kolen : gerantsoeneerd ! Drie, niet meer niet minder lagen er op ons te wachten.
In de zomer konden we veel recupereren met groenten uit de moestuin of fruit uit de boomgaard. Hier en daar had vader wel een handje voor. Aan een schappelijk prijske kocht of kreeg hij soms melk, boter en eieren en al eens spek op Goede Vrijdag bij de Lodde of bij Stefanie van Toontjes (kozijn en nicht van hem). Ook bij rosse Colette (uit de Hertstraat) kon hij altijd terecht. Wij zijn hen daar steeds dankbaar om geweest. Men zou voor minder onder den oorlog ! Van rosse Colette kreeg ik voor mijn plechtige communie als geschenk een zelfgebakken taart. Een kunstwerk op zijn eigen, gecamoufleerd met veel crème fraiche, dat laatste hadden we nog nooit gezien. Heel voorzichtig met mijn bijdegronds meisjesveloke was ik met de taart gaaf ’t huis ‘geland’. Doch wanneer deze op mijn grote dag op de tafel werd gezet stelde ons moeder verontwaardigd vast dat al de crème fraiche er afgelikt was ! En toppunt was, niemand had dat gedaan, waarschijnlijk omdat den ene voor den andere moest zwijgen ! Van solidariteit gesproken ! Je kunt je voorstellen, als er zeven aan dat ding gelikt hadden, dat ’t spel dan wel kaalgeschoren was ! ’t Zal dan toch vermoedelijk voor de communie wel gesmaakt hebben ! Zo spartelden onze ouders met ons door de oorlogsjaren.
Ons vader luisterde tijdens die oorlog ook naar een verdoken zender van de witte brigade. Eén van de kinderen moest dan buiten op wacht staan om zeker te zijn dat ‘de muren geen oren hadden’ en steevast eindigden die uitzendingen met de woorden : ‘en zonder er op te boffen, toch krijgen we ze wel die moffen’.
Vervolgt.
Foto’s : -Met de fietsjes die de vlucht tijdens de oorlog overleefden. Van links naar rechts : Frans, Irma, Hubert, Raymond, Raf, Maria en Cyriel. -Als eerstecommuniegeschenk mocht ik voor het eerst mee op bedevaart naar Scherpenheuvel. De eerste van links onderaan met mutske ben ik, naast mijn zus Irma. Helemaal links juffrouw Maria met de Boerinnenbond. -Mijn plechtige communie en de eerste communie van ons Maria. De barre weersomstandigheden van die dag veroorzaakten regendruppels op de lens van de kodak. -Ons gezamenlijk communieprentje. -Nog een mooie persoonlijke herinnering aan mijn plechtige communie.
Dat Leest over veel literair talent beschikt kunnen onze lezers getuigen na de bijdragen van Robert Verbruggen en Alida Polfliet aan deze blog. Hierna nog iemand met een fijne pen, een scherpe blik, een gevoelig oor en een uitstekend geheugen. Geniet mee met de herinneringen van Rafke Selleslagh.
LEEST DESTIJDS.
Omdat ik, Raf Selleslagh, als geboren Leestenaar, reeds 83 jaren op hetzelfde plekje gedomicilieerd ben (geboortehuis en wie weet ?? ook sterfhuis) en het contact met de mensen niet schuw, informeerde Marcel Van Hoof al eens of ik over bepaalde gebeurtenissen en personen uit het verleden, waarin hij erg geinteresseerd was, niet één of ander kon bijbrengen. Misschien wel !
Met regelmatig contact tot gevolg. Maar wie is nu Marcel Van Hoof ? Geboren Leestenaar, eerste zoon van de laatste garde van Leest voor de fusie met Mechelen, Vic Van Hoof. Uitgeweken naar Blaasveld maar Leestenaar gebleven in hart en nieren. Grote bezieler op het internet van : www.blog.seniorennet.be/kroniekenvanleest Voor hen die een beetje wegwijs zijn op het internet, een schat aan informatie. Marcel dat is in één woord gezegd, de geschiedenis van Leest. Mercie Marcel, niemand doet dat beter, bedankt voor uw grote inzet en toewijding. Ik heb dan ook de toelating gegeven om in volgende blog enkele persoonlijke herinneringen te publiceren.
Als vijfde telg in ons gezin van acht was ik bij mijn geboorte naar het schijnt geen schoonheid. Nu ?? Oordeel zelf !! Mijn geheugen deed en doet het gelukkiglijk nog des te beter. Vandaar deze bijdrage.
Laatste aanwinst in ons gezin, ons Maria in 1937. In dat jaar werd ons jongste gedeponeerd tussen de bloemkolen, zo werd ons toch wijsgemaakt. Tijdens de geboorteceremonie van ons moeder werden wij door nonkel Jul geadopteerd tot ons moeder weer aan de waskuip stond. Nonkel had een snoepwinkeltje maar wij wisten daar rap dat dat verboden terrein was !! Wij waren dolgelukkig als ons vader na ongeveer een week, zijn vorige productie weer kwam afhalen. Blij om ons nieuw kindje te zien, om weer te kunnen ravotten in onze grote tuin, wij vonden het gewoonweg reuzefijn om weer thuis te zijn.
Paulinneke, de vroedvrouw van onze parochie en ook buiten de grenzen, die ons en vele andere kindjes op de wereld hielp, woonde op de Leestse Heide. zij ging iedere zondag zoals elke christenmens toen naar de VRIEMIS, te voet uiteraard !! Wanneer Paulinneke van de kerk huiswaarts keerde, liepen wij met zijn allen naar de voortuin en riepen in koor, Paulinneke wanneer breng je bij ons nog eens een kinneke ?? Ons vader was er als de kippen bij om te roepen, snotneuzen kom eens naar achter. Heel veel later begrepen wij, waarom !!
In 1940, begin van de tweede wereldoorlog was ik oud en wijs genoeg om alles bewust te beleven en te onthouden.
Vervolgt.
Foto’s : -Mijn geboortehuis en wie weet ook sterfhuis ?? -Gedachtenisprentje van ons engeltje Joanna Yvonna. Zij was de tweede oudste in ons gezin. -Victor en Fien kregen op minder dan één decennium acht kinderen. Van links naar rechts : Raymond, Hubert, moeder Fien, Raf, Maria, Irma, Frans, Cyriel en achteraan vader Victor. -Met broer Cyriel. -De zeven telgen van Victor en Fien op een rij : Maria, Hubert, Frans, Raf, Cyriel, Raymond en Irma.
Portret van Louis Teughels, de oudste man van Leest.
Vervolg Louis Teughels, de oudste man van Leest.
Eens op pensioen hielp Louis mee aan het bouwen van de huizen van zijn zonen maar snel moest hij toegeven dat hij de jeugd niet meer kon volgen. Na het overlijden van zijn vrouw, op 21 juni 1984, is hij altijd op zijn vertrouwde stek blijven wonen.
In 2003 vroeg ik hem naar zijn gezondheid en zijn dagindeling. Hout vasthouden, monkelde hij, maar over zijn gezondheid mocht hij niet klagen. Zijn zicht was achteruitgegaan en hij moest attentie doen met zijn rug, maar de enige medicatie die hij nam : wat pillekens voor zijn bloeddruk.
Zijn dag begon meestal rond 8 uur, ontbijten en dan naargelang zijn gezindheid wat patience spelen of een stukje lezen. De bibliotheek van Leest voorzag hem van boeken met extra grote druk. Het genre maakte niet uit. Lowieke was een alleslezer. Winkelen deed hij met de wagen, hij reed nog altijd zelf, meestal naar de Delhaize van Blaasveld. Handenarbeid zat er niet meer in alhoewel hij vroeger dol was op knutselen. Geen groter plezier dan Friese klokken ineen te steken of tafeltjes fabriceren. In de tuin heeft hij nooit graag gewerkt, dat miste hij niet. Middageten deed hij bij zijn zoon Frans, naast de deur. Zijn schoondochter kookte alle dagen, dus ook voor hem. In de namiddag wat rusten en onderwijl wat tv kijken of lezen. Lowieke was toen ook fan van Baantjer en van het nieuws.
Bij de toenmalige oorlog in Irak had hij zo zijn bedenkingen. Akkoord hij was ook tegen oorlog, maar hij vond het een beetje jammer dat iedereen tegen de Amerikanen was. Zij zijn ons hier twee keer komen helpen en onze kerkhoven liggen vol Amerikanen...
Waar Louis ook van hield waren de activiteiten met de Leestse gepensioneerden. Zolang zijn gezondheid het toeliet was hij van de partij, telkens weer.
De dag van Lowieke, de ouderdomsdeken van Leest, eindigde toen meestal rond half tien, dan kroop hij onder de wol en als hij ’s anderendaags weer ontwaakte was hij dankbaar voor weer een nieuwe dag die hem was gegeven.
Vandaag de dag, op zijn honderdste jaar, staat zijn TV zo luid te spelen dat een voorbijganger op straat goed kan meevolgen en als je Lowieke vraagt naar het geheim van zijn leeftijd zal hij antwoorden dat hij graag patatten eet en in de zomer steekt hij regelmatig zijn stoof aan en dan wordt zijn leefruimte een heuse sauna…
Intussen is zijn nageslacht aangegroeid met naast zijn vier zonen, 9 kleinkinderen en evenveel achterkleinkinderen. In augustus 2014 telde de familie zes viergeslachten !
Toen hij het gebruikelijk geschenk van het koningshuis ontving –traditioneel een foto van het koningspaar- stond daar foutief vermeld : ‘Aan mevrouw Corneel Theughels”…
Het cadeau werd teruggestuurd tot aanpassing…”
Foto’s : -Louis tijdens een Leest-Kermis met één van zijn zoontjes. -“Lowieke van Dore” in 1998.
Toen Louis geboren werd in 1914 woonden zijn ouders nog in Sint-Katelijne Waver. Drie jaar later keerde Dore Teughels, samen met zijn gezin terug naar Leest, naar den Rooselaer, het ouderlijk huis op het Dorpsplein.
Van de eerste wereldoorlog herinnerde Louis zich nog dat hij op de schoot werd genomen door Duitse soldaten in de herberg van zijn grootvader. Daar hebben ze hem nog vaak mee uitgelachen.
Hij heeft nog les gekregen van de meesters De Leers, Meyers en Selleslagh. Daarna volgde hij twee jaar het college te Mechelen. Hij moest van zijn moeder, maar veel liever werkte hij met zijn handen zoals zijn vader. Met zes van Leest waren ze, in het college. Toen moest hij elke dag naar de mis, die van 8 uur, maar ze hebben van hem nooit een pater kunnen maken, hoe graag zijn moeder dat ook wilde.
Thuis waren ze “Sussen”, maar niet fanatiek, de schrijnwerkerij had ook veel “Blekken” als klanten. Ontspanning in zijn jeugd bestond uit knikkeren, biggelen, dobbelen en kaarten. Hijzelf hield ook van lezen en was jarenlang lid van de Leestse afdeling van het Davidsfonds. Later kwamen daar de kermissen bij en de bals. Verschueren was één van de eerste Leestenaars met een vrachtwagen en soms mochten ze hem vergezellen naar Antwerpen, naar de cinema of de piste. Leest had toen een goeie coureur, Stanne Huys, en die had veel supporters, waaronder Louis.
Tijdens de tweede wereldoorlog huwde hij, in 1941, met de boerendochter “Tille” uit de Blaasveldstraat en dat betekende meteen voldoende voedsel zolang die oorlog duurde. Hij herinnerde zich nog dat er in het werkhuis van zijn vader een verborgen ruimte was die dienst deed om al het werkgerief te verstoppen tijdens de oorlog en dat hij tijdens het herstellen van de vernielde Zennebrug zijn zaag in de rivier liet vallen. Geen gewone zaag, een ‘Scheffield’. Daar heeft hij veel spijt van gehad. In die periode vond hij een bootje in de Zenne. Daarmee heeft hij een dag lang mensen van Schonenberg over het water gezet. Hij deed dat gratis maar allemaal gaven ze wat geld en Louis had nog nooit zoveel verdiend…
Tijdens die oorlog is hij ook zwaar ziek geweest. Een zware longontsteking zorgde ervoor dat hij zelfs dubbele rantsoenzegels ontving. In “De Band”, de periodiek van Milac (december 1979), schreef zijn broer Frans dat Louis in die tijd een elektrische machine geconstrueerd had om aardappelen te malen tot een heel fijne spijs waarna die spijs dan gedroogd werd zodat men aardappelbloem bekwam. Vele Leestenaars hebben toen beroep gedaan op de broers Teughels en de machine van Lowieke.
Van zijn 17de tot zijn 65ste werkte Lowieke onafgebroken in de schrijnwerkerij. Tot in de jaren ’60 wel zes dagen per week. Met zijn broer Frans stond hij ook in voor de decorbouw van de plaatselijke toneelkring. Hun vader had de danszaal verbonden met het werkhuis en er één grote ruimte van gemaakt. Daags voor een toneelvoorstelling of een teerfeest werd de scene boven de machines opgebouwd en gingen de tafels langs de kant, de schrijnwerkerij was getransformeerd tot een feestzaal. Ook het blinderen van de ramen van het hoogkoor bij overlijdens in de kerk behoorde tot zijn taken. De doodskisten werden trouwens zeer lang door de schrijnwerkerij zelf gemaakt. In eik of den met houten paneeltjes en binnenin bekleed met wit crêpe papier. De onderste randen van de kisten werden dicht gegoten met pek en voor het vullen van de hoofdkussens gebruikte men houtkrullen. Vaak moesten ze er hun zondagvoormiddag voor opofferen. Ook de kerststal werd door Louis geplaatst en aan de plaatsing van het beeld van de heilige Cornelius met de omheining in de kerk tijdens ‘Posse Leest’ heeft Louis ook vele jaren geholpen.
In 1950 verhuisde Louis naar de Blaasveldstraat nummer 36, naar de woning van zijn schoonouders. Daar was ruimte zat en toen begon hij aan auto’s te sleutelen. Een motor uiteenhalen gebeurde op de keukentafel en samen met zijn neef veranderde hij motors van vrachtwagens. In die periode reed hij met een blauwe DKW waarmee hij jaren na elkaar een communicant naar de kerk bracht. Tot één van zijn zonen er voor zorgde dat zijn wagen, na een fataal spelletje ‘water en slijk tanken’ nog enkel rijp was voor de sloop en de DKW kreeg een nieuwe bestemming als kippenhok. Daarna volgde een zwarte Austin waarvan het stuurwiel zich rechts bevond, een bezienswaardigheid in het dorp. Die wagen kwam uit Engeland en hij had die aangekocht bij de Zwaantjes in Brussel. Wat later kwam hij weer op de proppen met een DKW, ditmaal een rode, wat voor zijn zonen het geschikte voertuig was om hun lief te bezoeken. Een groot gat in het chassis : geen probleem daar werd gewoon een doek opgelegd. Ook verschillende Warthburgs werden versleten. Tijdens een familie uitstap naar zee waren er enkele lekke banden te veel aan geweest en om thuis te geraken werd er hooi in de band gestopt en dat werkte…
Vervolgt...
Foto’s : -Louis en zijn echtgenote Maria Mathilde Absillis “Tille van de Waisj”. -Familie Teughels-Absillis. Boven van links naar rechts : zoon Theo met echtgenote Stef, Tille, Louis, zoon Arnold, Marina naast haar man Frans en Erna, de echtgenote van Jan Teughels. Onderaan : kleinkinderen Wim, Johan en Noël en rechts zoon Jan. -Louis was een supporter van de plaatselijke wielervedette Stanne Huys. -De schrijnwerkerij maakte ook doodskisten : kopie uit “het schrijfboek voor aanduidingen van het werk en levering” van Dore Teughels.
Portret van Louis Teughels, de oudste man van Leest.
Ter info :
Kleine wijziging - de beloofde persoonlijke herinneringen van Rafke Selleslagh volgen, na het portret van Louis Teughels. Geïnteresseerden in het boekje "Eddy Van Hoof, wielertalent uit Leest" kunnen dit nog steeds verkrijgen aan 12 euro op mijn adres. Marcel.
Louis Teughels, de oudste man van Leest
Op 3 augustus 2014 was Leest alweer een honderdjarige rijker : Louis Teughels uit de Blaasveldstraat.
Dat ging niet onopgemerkt voorbij. Zijn woning werd versierd en heel de straat was in feeststemming. Velen kwamen de eeuweling gelukwensen. Ook de fanfare kwam langs voor een serenade.
Tijd om de schijnwerpers eens te richten op de oudste mens van Leest en zijn achtergrond.
Schrijnwerkersfamilie
“Lowieke van Dore” is een afstammeling van de bekende schrijnwerkersfamilie uit het Dorp. Decennialang was schrijnwerkerij Teughels daar een begrip en de mannen van Teughels waren begenadigde stielmannen.
De bekendste telg Noldus (°Leest 7/2/1853, +10/1/1924) was naast schrijnwerker ook herbergier en van 1889 tot aan zijn overlijden in 1924, gemeenteontvanger. Hij woonde in “Den Rooselaer” op het Dorpsplein. Het werkhuis van zijn schrijnwerkerij stond achter het huis en was gebouwd op de kerkhofmuur. In 1927 zou zoon Theodoor (“Dore”) de zaal, die bij het woonhuis hoorde, verbinden met het werkhuis en er één grote polyvalente ruimte van maken. Naargelang de omstandigheden deed ze dan dienst als schrijnwerkerij of als feestzaal. Daags voor een toneel of een teerfeest werd het decor tussen en boven de machines geïntegreerd, gingen de werktafels langs de kant en de feestzaal was beschikbaar.
Trien Beullens (°Leest 20/6/1855, +Mechelen 24/8/1929) volgde haar man op als gemeenteontvanger : “Ingezien de lange jaren trouwen dienst van wijlen heer Teughels besloot de Gemeenteraad om de wedde van zijn weduwe te bepalen op de som door wijlen haren man als dusdanig genoten, hetzij a rato van 3.400 frank per jaar...”(Gemeenteraad van 12 januari 1924).
Adriaan Theodoor “Dore” Teughels (°Leest 7/9/1890, +Leest 11/9/1966) zette de zaak van zijn vader verder. Hij huwde met Emma Blommaerts uit Sint Katelijne Waver die hem tien kinderen schonk waarvan er acht in leven bleven.
Op 3 augustus 1914 werd Louis (“Lowieke van Dore”) geboren, als tweede in de rij. Met zijn broer Frans “Susse” zette hij de zaak verder. Frans, binnenhuisarchitect, bouwkundig tekenaar, schilder, tekenaar, verzamelaar van getekende wegenkaarten en veelschrijver, was multigetalenteerd. Zijn cursiefjes in “De Band” werden zeer gesmaakt. Een andere broer Juul bracht het tot schoolhoofd in Kapelle op den Bos en een zus van Louis, Maria, huwde Aloïs Hendrickx, jarenlang hoofdonderwijzer in de stedelijke jongensschool van Leest.
In 2003 heb ik hem voor het eerst geïnterviewd. Hij was toen 89 en ook toen al de oudste inwoner van Leest. Lowieke interviewen was geen sinecure, hij was zeer bescheiden en geen prater, het kostte enige moeite hem op gang te krijgen. Wat mij toen vooral opviel, Lowieke leefde voor 100 procent in het heden, wat voorbij was, was voorbij, kon niet meer veranderd worden en wat de toekomst in petto had, die moest ge maar nemen zoals ze kwam. Hij leefde in harmonie met zichzelf en met de rest van de wereld en elke dag ervoer hij als een geschenk.
Naar aanleiding van zijn eeuwfeest in 2014 schetste ‘Kerk en Leven’ (20/8) onder de titel ‘Eeuweling Louis Teughels’ ook een portret van de krasse ouderling. Ik heb beide verslagen samen gebracht teneinde een completer beeld te krijgen van zijn levensloop.
Met zijn vrouw, haar officiële naam was Maria Mathilde Absillis, maar iedereen noemde haar “Tille van de Waisj” (°Leest 20/12/1916, +Mechelen 21/6/1984) zette hij vier kinderen op de wereld : vier prachtige zoons, mannen met handen aan hun lijf, zoals hijzelf.
De oudste Theo (°1942) was een bekwaam meubelmaker in een Mechelse firma en ging in 1978 in het onderwijs. Elf jaar avondschool maakte van hem een expert in het ontwerpen en fabriceren van meubelen en ook sierboetseren en ornamentstekenen had voor hem geen geheimen. Theo huwde met de Sterrebeekse onderwijzeres Stef Machtens. Zij kregen twee kinderen : Luc en Wim.
Jan (°1944), de tweede zoon, studeerde af als onderwijzer en gaf jarenlang les aan de stedelijke jongensschool te Leest. Ook hij is een vat vol talent : zijn woning, naast de pastorij in de Pastoor De Heuckstraat, werd eigenhandig door hem gebouwd. Metserij, bezetting, voegwerk, elektriciteit, schrijnwerkerij...Jan deed het allemaal zelf ! Jan huwde Erna Verhaegen uit Hever-Schiplaken. Ook zij hebben twee zoons : Johan en Noël en een kleindochter Floore.
Zoon Arnold (°1951) is een even handige Harry als zijn broers en werkte jarenlang als smid aan de stad Mechelen. Arnold huwde Marina Eeckeleers. Dit echtpaar kreeg 3 kinderen : Vanessa, Geert en Glenn.
Benjamin Frans (°1954) eindigde ook in het onderwijs, ook hij gaf, zoals zijn broer Theo, houtbewerking aan TSM Mechelen. Frans huwde Carine Van Rompay die hem twee zonen schonk : Yves en Kris.
Vervolgt.
Foto’s : -3 augustus 2014 : de versierde woning van de honderdjarige. -100, ’t is niet iedereen gegeven… -Ook de buren lieten zich niet onbetuigd. -Louis tussen zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. -Zijn grootouders met hun kroost : achteraan van links naar rechts : Trien Beullens, haar man Noldus Teughels en dochters Marie en Clotilde. Zittend : de zonen Dore (Theodoor, de vader van Louis), Frans, Henri en Louis.
Nadien kwam de Namibwoestijn met de drukbezochte Sossusvlei aan de beurt. Bij zonsopgang kleuren de zandbergen van beige naar donkerbruin, adembenemend mooi.
Wij logeerden in Swakopmund in het hotel Zum Kaiser en deze stad ademt letterlijk en figuurlijk “Das Deutsche Reich” uit. In 1884 wordt Namibië een Duitse kolonie, in 1915 na de eerste wereldoorlog, komt het onder Zuid-Afrikaans bewind en na veel poespas wordt Namibië in 1990 onafhankelijk.
De officiële taal is het Engels maar zonder problemen toveren ze nog Duits en Afrikaans uit hun hoed.
Hier zijn wij een voormiddag op zee geweest en kwamen de pelikanen zonder schroom vis uit onze handen eten en installeerde zich een zeerob op onze tafel. Als toetje werden ons verse oesters geserveerd. Namibië levert over de ganse wereld oesters behalve in Europa omdat wij onze eigen markt willen beschermen.
Ons rest nog een bezoek aan 2 grote wildparken Etosha en Erindi. Op weg naar Etosha maakte onze bus een tussenstop en kinderen, nog gekleed met een paan en de meisjes met een zwart lint om hun beginnende borstjes te bedekken, liepen naar onze bus en indachtig wat onze gids elf jaar geleden zei: geef ze niets, maak van ons volk geen bedelvolk maakte ik die opmerking bij de medereizigers die de koekjestrommel al bovenhaalden. Dit werd ook beaamd door onze gids. De bus vertrok en wij werden vergast op middenvingers en vuisten.
Etosha was een streling voor het oog en wij wisten niet waar eerst te kijken, leeuwen, jakhalzen, springbokken, zebra’s, giraffen, olifanten, elanden, oryk’s, koedoes, struisvogels, trappen, arenden en neushoornvogels kleurden onze dag. Het mooiste tafereel dat ik zag was een gevlekte hyena die op stap was met haar twee jongen en deze wilden absoluut hun buikje vullen. Voor onze ogen op een 20-tal meters van de jeep lei ze zich op haar zij en genoten de jongen met volle teugen van de moedermelk.
In Erindi lag de lodge vlak bij een drinkput en het was er een drukte van je welste. Nijlpaarden, maraboes, wilde honden, olifanten enz. zaten als het ware aan onze achterdeur. Erindi is een wildpark waar ook bavianen, leeuwen, cheetah’s, wilde honden, caracals en luipaarden leven die niet bekwaam zijn om in het wild te leven omdat ze een tijdje deel uitmaakten van de mensenwereld en zelfs niet kunnen jagen. Ik heb zelfs een caracal gestreeld, de cheetah’s lagen te spinnen en menig bruidspaar staat samen met hen op de foto.
Dit wildpark wordt gesteund door Angelina Jolie en Brad Pitt.
Hier zag ik ook neushoorns en om te voorkomen dat ze, omwille van de hoorn afgeslacht zouden worden, waren de hoorns al afgezaagd.
Een paar maanden geleden hadden ze op de luchthaven van Windhoek een Chinese vrouw aangehouden. Omdat de bagage zo zwaar was werd haar gevraagd om de koffer open te maken en buiten drugs vonden ze ook nog 12 hoorns. Zoals in vele Afrikaanse landen hebben de Chinezen ook hier voet aan de grond gezet en de Namibiërs zijn daar niet gelukkig mee. Ze ondermijnen de economie en de straten die ze aangelegd hebben hun beste tijd al gehad.
Ondertussen zijn wij aan het einde van onze trip en zet onze gids Jean ons af aan de luchthaven van Windhoek. De familienaam van Jean is Duplessis. Zijn voorouders waren verwanten van kardinaal Richelieu en ook Hugenoten. Bij het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789 moesten zij vluchten en zijn via Nederland in Zuid-Afrika terecht gekomen. Daar begonnen zij met het aanleggen van een wijnplantage.
Het thuisfront lonkt, het vliegtuig wacht en via Frankfurt komen wij rond 13u. in Zaventem aan en dit in volle kerstfeestkoorts.
Ik heb het gevoel dat Namibië één van de stabielste landen is van de hoorn van Afrika. Alida Polfliet.
N.B. van samensteller : alle foto’s van de wilde dieren werden eigenhandig door Alida genomen.
Foto’s : -De pelikanen kwamen zonder schroom vis uit de handen van de toeristen eten. -Koning leeuw. -In het dierenpark Erindi kon Alida een caracal strelen. -Een luipaard. -Neushoorns met afgezaagde hoorns om hen te beschermen.
In december 2015 bezocht Alida voor de tweede keer Namibië. Voor de periodiek van de zangvereniging maakte ze daarvan volgend verslag :
Namibië, elf jaar later
Op een mooie dinsdagvoormiddag in november, in volle Sinterklaaskoorts, werden wij verwacht op de luchthaven van Zaventem. Het was duidelijk dat het terreuralarm opgedreven was naar fase 4, zwaarbewapende militairen kleurden de inkomhal.
Met 18 personen vertrokken wij met de bus richting Frankfurt. Ook in Duitsland was het duidelijk te zien dat er onheil in de lucht hing. Op verschillende plaatsen werden auto’s voor controle aan de kant gezet.
In de luchthaven van Frankfurt hetzelfde scenario en zware controle van de bagage. Omdat ik mijn haardroger vergeten was, nog gauw eentje gekocht en na een paar uur wachten volgde het boarden en na een vlucht van 10u30, maakte het vliegtuig een perfecte landing in Windhoek, de hoofdstad van Namibië.
Eens buiten de luchthaven zag ik een moderne stad, niet Westers, maar erg geëvolueerd. Er zijn kleine industriegebieden die o.a. vrachtwagens, kranen voor de vrachtwagens en graafmachines maken.
Langs de weg zag ik, in tegenstelling tot elf jaar geleden, dorpen met kleine huisjes die voorzien zijn van water en elektriciteit. Tot grote spijt van de regering zijn er talrijke mensen, doorheen de eeuwen heen zijn het altijd nomaden geweest, die op eigen houtje willen wonen en het is het begin van townships met alle gevolgen van dien.
De bevolking is gestegen met 500.000 en het toerisme met 600.000, wat de tewerkstelling ten goede komt. 120.000 mensen werken in de horeca.
De Himba’s, een stam die zich, 300 jaar geleden, vanuit Angola kwamen vestigen in Namibië leiden nog steeds hun eigen leven.
Ze hebben hun eigen nederzettingen waar de activiteiten van de vrouwen en de kinderen zich beperken tot het halen van water en hout, maken van sieraden en een beetje rond hangen. De mannen houden zich bezig met het hoeden van het vee. Ze wonen in hutten, ook pontok genaamd.
De outfit van de vrouwen beperkt zich tot een aantal versieringen en een rokje gemaakt uit geitenleer. Ze wassen zich nooit en kleuren dagelijks hun huid met een pasta van boter en roodhout. Het mengsel beschermt hun huid tegen de stralen van de zon en geeft de vrouwen een diep roodbruine tint. Dit ritueel wordt toegepast vanaf het ogenblik dat ze voor de eerste maal menstrueren.
Als de kinderen 12 jaar zijn worden de vier snijtanden van het onderste gebit uitgeklopt. Zij gebruiken een kliktaal met 3 toonhoogten en als de tanden weg zijn vergemakkelijkt dit het spreken.
Elf jaar geleden zag je de himba’s alleen in hun nederzettingen, maar nu zag ik ze op een Afrikaanse markt in Swakopmund en aan de ingang van de wildparken waar ze trachten hun sieraden aan de man te brengen. Zelfs in een koopcentrum in Windhoek, liepen ze ongegeneerd rond in hun bijna-blootje.
Bollebozen verlaten de stam om te studeren en een diploma te behalen om nadien de stam geldelijk te onderhouden.
Afrika zonder wilde dieren is Afrika niet en wij deden de Kalahariwoestijn aan waar de dieren in vrede kunnen leven. Hier bevinden zich geen roofdieren en dus kunnen de giraffen, zebra’s en springbokken met een gerust hart rustig grazen.
Vervolgt…
Foto’s : -Namibië. -Een Himba-meisje. -Springbokken in het Erindi-reservaat. -Mooi plaatje van een arend in het Etosha-park. -De “social weavers” maken een groot nest in de bomen. In zulke constructies kunnen tot 650 wevers huizen. -Een gele wever voedert haar jongen.
“Een mens krijgt in zijn leven al eens het deksel op de neus, ieder verwerkt het op zijn manier. Sommigen sluiten aan bij een extreme godsdienst, anderen krijgen met plezier een klantenkaart in een of andere kroeg en nog anderen pakken de koe bij de horens en trachten hun leven weer zin te geven.
Ik heb het ingevuld met bergschoenen, slaapzak en rugzak en trok de wijde wereld in. Ik werd trouwe klant bij Anders Reizen. Of de Neroboeken ermee te maken hebben weet ik niet, maar sinds mijn prille jeugd bekoort Afrika mij. Ik heb de mooiste herinneringen aan de jaarlijkse almanak van de Witte Paters van Afrika. Hij werd door mij gelezen, herlezen en bepoteld tot de negertjes bijna wit waren.
Toch was mijn eerste verre reis niet naar Afrika maar naar Nepal. Het was een lange reis en bovendien verbleven wij gedurende 12 uur in de transitzone van de luchthaven van New Delhi.
Kathmandu was pas een cultuurshock. Het lawaai van de bellende riksjarijders en het overijverige gebruik van de claxon zou gedurende een paar dagen ons deel worden. Koeien, geiten, kippen en eenden waren de koning te rijk en zochten hun voedsel in het afval dat overal verspreid lag. Bovendien regende het en was de aanblik nog groezeliger en gortiger.
Ik wist niet waar eerst kijken. Een ijverige slager gebruikte de straatstenen als kapblok en ook op de straat kon je je een mooi kapsel laten aanmeten. De fakirs met vlechten van meer dan 1m. zaten langs de weg en hun ogen blikten van links naar rechts om de onverlaat, die trachtte zonder te betalen een foto te maken, tot betalen te dwingen. Hetzelfde toneel speelde zich af bij de slangenbezweerders. De slangen zaten in mandjes en kwamen op de tonen van de fluit, maar vooral door de beweging van de hand, al kronkelend naar boven. Iemand nam zonder te betalen een foto van het gebeuren en de slangenbezweerder nam zijn broodwinning onder de arm en achtervolgde hem zelfs tot in een winkeltje.
De makaken maken ook deel uit van het straatbeeld, het is oppassen geblazen als ze in de buurt zijn en een plastic zak is uit den boze. Ik zag hoe een makaak de zak van een vrouw veroverde, ermee op een muur kroop en hoe ze ook protesteerde, ze moest hulpeloos toekijken hoe al het geld uit haar geldbeugel werd gehaald en naar beneden fladderde. Wat de makaak bezielde weet ik niet, maar plots sprong hij naar beneden en hing te bengelen aan de mooie zwarte vlecht van de ontredderde vrouw.
Wij verlieten Kathmandu en vertrokken voor 3 weken voor een tocht van ongeveer 350 km. rond de Annapurna. Het was een gammele bus en waarschijnlijk om de minder goede geuren te verdoezelen worden er constant wierookstokjes gebrand. Aan de start tussen de achtduizenders, stond een grote boog met de woorden, ‘Knowlegde is power’ en daar ben ik, na al mijn reizen steeds meer van overtuigd. Onze bagage werd gedragen door sherpa’s en vaak waren ze blootvoets, weigerden elk contact met ons, hebben zich al die weken niet gewassen en dat was eraan te ruiken. Er zijn 7 kastes en ze hopen, met nu hun best te doen, dat ze later in een hogere kaste zullen terugkomen.
Wij liepen via vele uitgehouwen marmeren trappen langs enorme rijstvelden, reuze rododendrons, vrouwen die in de vroegte van de morgen reeds in de potten stonden te roeren en vrouwen die bij elkaar op luizenjacht gingen. Gezeten boven op een tafel zaten de kleermakers in de blakende zon te stikken. In Nepal worden de stoffen voor de kledij, in een rode kleur, de kleur van het geluk, zorgvuldig uitgekozen, het neemt zelfs een ganse dag in beslag, en de kleermakers zorgen ervoor dat de vrouwen er stralend bijlopen.
Kinderen met enorme snotneuzen verzamelen de uitwerpselen en deze worden als brandstof gebruikt. Er waren enorm veel zwerfhonden die, omdat onze kok hen te eten gaf, ons gedurende een paar dagen volgden en zelfs onze tenten bewaakten. De Nepalezen zijn niet zo verzot op de honden en er werd ons gezegd dat ze er eenmaal per jaar jacht op maken en ze doden.
Er zijn ook enorme hangbruggen en de ezels zijn de DHL van Nepal. Er zijn karavanen van een 40-tal ezels die op hun rug allerhande waren meesleuren en zo de bergdorpen bevoorraden. Ook schapen en geiten doen de handelsroute en worden onderweg verhandeld. Zo had onze kok, buiten bloem en eieren, ook eens een geit op de kop kunnen tikken. Ik zag het als een weldaad en als beloning omdat wij moedig de Thorung La (5.300m.) hadden getrotseerd. Eindelijk eens geen TV worstjes, maar een lekker stukje geit op ons bord. De geit werd tussen onze tenten geslacht en een paar uur later kregen wij ze voorgeschoteld. Ik verwachtte er veel van, maar een Nepalees versnijdt het vlees niet zoals wij, maar kapt er maar op los. De geit heeft niet gesmaakt, ze zat vol splinters, allesbehalve smakelijk.
Veel luxe was er niet, wij sliepen steeds op een camping en kregen elke morgen bij een kommetje lauw water om ons te wassen, een kopje thee. Onze shampoo staken wij in onze dagrugzak om, als wij eventueel onderweg een beetje water vonden, onze haren te wassen. WC papier moesten wij, zelfs als wij soms in het hotel logeerden, in een daarvoor bestemde doos leggen en dat werd ’s avonds zorgvuldig verbrand.
Er was ook een rustdag voorzien in de omgeving van warmwaterbronnen. Onze gidsen profiteerden ervan om onze tenten en zichzelf een grondige beurt te geven, maar de sherpa’s zaten hier of daar uitdrukkingsloos te wachten op het einde van de dag en…. ze konden wel meer dan één wasbeurt verdragen.
Wij kwamen terug in de bewoonde wereld en logeerden in een klein hotel in Pokhara. Ik heb mezelf daar eens grondig onder handen genomen en na een eerste wasbeurt opnieuw begonnen omdat het resultaat niet zo denderend was.
Wij reden terug naar Kathmandu en daar heb ik een lekkere kippenbout soldaat gemaakt. Ik had genoeg van de dal bath, hun nationaal gerecht van linzen, curry en witte rijst dat erg zuur smaakt. Zij eten het tweemaal daags en tot onze grote verwondering genoten zij tijdens het afscheidsdineetje van het zoveelste bord.
In het hotel vond ik een fax van mijn dochters, het was reeds 4 weken dat ik ze niet gehoord had. Ik heb hem gelezen, herlezen en ben ermee in slaap gevallen.
De dag nadien brachten wij een bezoek aan de stad. Wij zagen rijen, mooi in het rood uitgedoste vrouwen, geduldig aanschuiven voor een bezoek aan de Kumari Ghar of het huis van de levende godin. Het gebruik dateert van de 17de eeuw. Er wordt ritueel een Kumari aangesteld, meestal vanaf de leeftijd van 4-5 jaar. Het is een eer voor de familie dat hun dochter wordt “uitverkoren” als levende godin. Maar voor het meisje zelf….. Eens uitverkoren leeft ze, omringd door de beste zorgen, afgezonderd in een paleis tot een leeftijd van ongeveer 12 jaar. Na haar eerste menstruatie moet ze het paleis verlaten en wordt een nieuwe Kumar gekozen. Voor haar is er geen toekomst meer, ze vindt geen bruidegom en blijft eenzaam achter.
Tijdens haar verblijf in het paleis ontmoet de Kumar maar heel weinig mensen (enkele uitverkorenen mogen haar zien en verzorgen). Zij vertoont zich zelden in het openbaar en eenmaal per dag verschijnt deze levende godin voor enkele minuten aan het raam. Enkel een glimp van haar opvangen brengt de Nepalezen geluk.
Onze reis liep ten einde en het was nieuwjaar in Nepal. Zij vieren het in de maand november en hebben een andere jaartelling, bij ons was het 1999 en in Nepal begon het jaar 1120. Het werd uitbundig gevierd en bij ons vertrek was het nog luidruchtiger dan bij onze aankomst. Bovendien hadden onze gidsen ons in de steek gelaten en werden verschillende taxi’s besteld om tijdig in de luchthaven te raken.
Na een transitverblijf van weer 12 uur in New Dehli bracht de Jumbo ons terug naar huis”.
Enkele technische gegevens Alida vertrok voor de beklimming op 26.09 en op 1.10 was ze terug beneden. 26.09: Moshi-Mandarahut (2750m) 27.09: Mandarahut – Horombohut (3720m) 28.09 : acclimatisatie – 500m. gestegen en terug naar Horombohut 29.09: Horombohut – Kibohut (4703m) 30.09: Ultieme klim naar de top (5895m) en via Kibohut terug naar Horombohut vertrokken om 12u. ’s nachts en om 7u15 bereikte ze de top. 01.10: Horombohut – Marangu (Moshi).
Haar naam werd genoteerd in een lijvig boek onder nummer 10580/2000 en ze ontving een diploma.
Vervolgt.
Foto’s : -De cobra’s reageren op de beweging van de hand. -Ezels zijn de DHL van Nepal. -Alida overwon de Thorung La. -Eindelijk proper gewassen… -Lijkenverbranding in Kathmandu.