In zee is het koud, want water staat warmte sneller af dan lucht. Daardoor zijn dierenlijven vaak ijskoud. Waterdieren hebben dan pakweg twee mogelijkheden: of ze passen zich aan zee aan en leven met lage lichaamstemperatuur, of ze isoleren zich tegen het warmteverlies.
- Zeehonden, walvissen en andere zeezoogdieren: isoleren zich tegen de kou met vet. Spek of blubber, isoleert zo goed dat de dieren bijna geen warmte verliezen via hun huid. Omdat spek de contouren van het lijf tegelijkertijd opvult, zijn de dieren meer gestroomlijnd en hebben ze minder energie nodig om te zwemmen.
De speklaag werkt ook als energievoorraad, waar de dieren uit kunnen putten als er weinig voedsel is. Bij kleine zeezoogdieren zoals dolfijnen, is de speklaag meestal rond de vijf cm dik, maar bij walvissen soms wel 30 cm.




- De zwartvinijsvis met antivriesvloeistof. Hij leeft rond Antartica waar het zeewater met zijn hoge zoutgehalte - 2 °C kan worden. Door de kou kunnen er fatale ijskristallen in het bloed ontstaan, maar de ijsvis heeft antivires in zijn lijf, en dat houdt de groei van kristallen tegen.

- De zeeleguaan is een reptiel, en blijft dus moeilijk warm. Hij leeft op de Galapagoseilanden, die in de koude zeestroom liggen. Omdat algen en zeewier de primaire voedselbron is, moet hij om de haverklap het koude water in, waar hij zo snel afkoelt

dat hij zich op het land moet warmen in het zonnetje.