Hij opende de rots.
Hij opende de rots.
We hebben al gelezen van Gods grote daden, en hoe Hij (en dat zien we achteraf) alles in zijn hand had. De Here is elke situatie, hoe moeilijk ook, meester.
De Israëlieten waren in heel moeilijke omstandigheden terechtgekomen. De Egyptenaren waren de baas over hen en dwongen hen als slaven te werken. Van de macht van God was niets te merken... totdat Hij aan het werk ging. De trotse Farao leed de ene nederlaag na de andere. Uiteindelijk mochten de Israëlieten het goud en zilver van de Egyptenaren opeisen. Dat kwam later goed van pas bij de bouw van de tabernakel!
Als het volk eindelijk vrij is, wil God als een zorgzame Vader voor hen zijn. Een wolk zorgt ervoor dat ze niet te veel last van de zon hebben. Een vuur in de wolk zorgt voor licht als de nacht donker is. Ze houden van vlees, en ze krijgen het. Ze hebben brood nodig, en het komt er elke dag, wel veertig jaar lang. In de woestijn betekende water hetzelfde als leven. En dat water, dat leven, kregen ze op een heel bijzondere manier: God liet water uit een rots tevoorschijn komen. Geestelijk gezien wijst de rots die water voortbracht naar Christus. Door Hem wil God ons zegenen. Om er zeker van te zijn dat wij kunnen leven, heeft God zijn grootste schat geopend. Hij heeft ons zijn eigen Zoon, de Heer Jezus, gegeven. Als God ons iets geeft, gaat dat niet met de bekende 'Hollandse zuinigheid'. Niet een klein beetje zegen geeft Hij ons, niet precies genoeg, maar een rivier vol! Hij geeft ons het leven, overvloedig. God heeft zijn hart geopend en wil ieder die in Christus gelooft eeuwig leven geven.



