mieke mantel

mieke mantelWAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MatteüsUit
het evangelie volgens Matteüs
23, 1-12
Jezus sprak tot het
volk en tot zijn leerlingen:
'De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van
Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar
handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden. Ze
bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de
schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten. Al hun
daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden. Ze verbreden immers
hun gebedsriemen en maken de kwastjes aan hun kleren langer, ze verlangen een
ereplaats bij feestmaaltijden en in synagogen, en hechten eraan op het
marktplein eerbiedig te worden begroet en door de mensen rabbi te worden
genoemd.
Jullie moeten je niet rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één meester,
en jullie zijn elkaars broeders en zusters.
En noem niemand op aarde vader, want jullie hebben maar één vader, de Vader in
de hemel.
Laat je ook niet leraar noemen, want jullie hebben maar één leraar, de messias.
De belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn.
Wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd, en wie zichzelf vernedert zal
worden verhoogd.
Christus wijst op de plichten van zijn volgelingen in de gemeenschap. Opvallend vertoon en ijdelheid zijn uit de boze. De christen zal de nederige dienaar zijn van zijn broeders. Hij zal zich niet de eigenschappen aanmatigen die alleen aan God of aan zijn Zoon toekomen
'De
belangrijkste onder jullie zal jullie dienaar zijn.'
Wie
we ook zijn, in welke levensstaat we ook leven, welke functie we ook uitoefenen
in Kerk of samenleving,... het is wel degelijk mogelijk om de ander ALTIJD
hoger te achten dan onszelf. Dat is evangelie. Enkele op deze wijze kunnen we
dienstbaar zijn, in de meest diepe religieuze betekenis van het woord.
Denk aan Jezus die als Zoon van God neerknielde voor zijn leerlingen om hen de
voeten te wassen. 'Doe zoals Ik jullie heb voorgedaan', was zijn oproep aan de
leerlingen toen. Deze oproep is ook aan ons adres: elkaar de voeten wassen.
In de ander is God aanwezig, in de ander komt God ons tegemoet, in de ander mogen we Hem eer brengen.. Christus is in de ander immers niet minder - ofschoon wel anders - aanwezig. Dus de dienst innig beleven, terwijl we onze naaste verachten is God beminnen en tegelijk flirten met de duivel. Dat kan en mag niet samengaan.
De ander dienen betekent zo met hem omgaan dat we het goede dat God in hem heeft gelegd tot volle leven laten komen, het betekent hem vergeven waar nodig is, het betekent de warme vriendschap van God voor de mensheid in zijn volheid aanbieden doorheen woord en daad, en door onze naaste dagelijks mee te dragen in ons gebed, hem aanbiedend aan God dat hij Hem mag leren kennen, ontmoeten, drager en uitdrager mag worden van zijn Vrede.
Laat ons dienen. Laat ons liefhebben. We zijn in goed gezelschap... de Heer is bij ons.
God is groot
Uit het evangelie volgens LucasUit het evangelie volgens Lucas
6, 36-38
Jezus sprak tot zijn
leerlingen:
'Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er
niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld
worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden.
Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde
en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen
gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.
Jezus roept op tot vergevingsgezindheid tegenover elkaar. God zal onze goedheid altijd overtreffen. Zijn barmhartigheid navolgen is onze roeping. Daarom mogen wij elkaar niet oordelen en zeker niet veroordelen, maar wij moeten elkaar vrijspreken en vergeving schenken.
Weer roept Jezus op te zijn zoals de Vader is.
We zijn immers geschapen naar zijn Beeld en we zijn dus ook geroepen om te
leven naar dat Beeld.
'Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is', zegt Jezus ons vandaag.
Barmhartigheid is het hart van elke menselijke relatie. De goede relatie wordt
erdoor in stand gehouden, de zieke relatie kent door de barmhartigheid
genezing.
Psalm 116, 1-6Psalm 116, 1-6
De Heer heb ik lief,
Hij hoort mijn stem, mijn smeken,
Hij luistert naar mij,
ik roep Hem aan, mijn leven lang.
Banden van de dood omknelden mij,
angsten van het dodenrijk grepen mij aan,
ik voelde angst en pijn.
Toen riep ik de naam van de Heer:
'Heer, red toch mijn leven!’
De Heer is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
de Heer beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en Hij heeft mij bevrijd
Psalm 119, 1 + 2 + 4 + 5 + 7 + 8Psalm 119, 1 + 2 + 4 + 5 + 7 + 8
Gelukkig wie de volmaakte weg gaan
en leven naar de wet van de Heer.
Gelukkig wie zijn richtlijnen volgen,
Hem zoeken met heel hun hart.
Uw regels hebt U gegeven
opdat wij ons eraan houden.
Laat toch mijn wegen recht zijn,
ik wil mij houden aan uw wetten.
Ik zal U loven met een oprecht hart
als ik uw rechtvaardige voorschriften leer.
Ik zal mij houden aan uw wetten,
verlaat mij dan niet voorgoed.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het boek OpenbaringUit het boek Openbaring
3, 20
Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn
stem hoort en de deur opent, zal Ik binnenkomen,
en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met mij.
Uit
het evangelie volgens Mattëus
7, 7-12
Jezus sprak tot zijn
leerlingen:
'Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor
je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en
voor wie klopt zal worden opengedaan.
Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen
zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt?
Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken,
hoeveel te meer zal jullie Vader in de hemel dan het goede geven aan wie hem daarom
vragen.
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat
is het hart van de Wet en de Profeten.'
Uit Jezus' eigen mond vernemen we de waarde van elk nederig gebed. God is niet ver weg. Hij luistert naar ons. God is bereidwilliger dan een vader, die zijn eigen zoon geen steen zal geven als hij brood vraagt. Bidden met vertrouwen en volharding is de opdracht van elke christen
Vraag, zoek, klop. Dat is wat wij moeten doen. Dan komt wat God zal doen. Er zal gegeven worden, je zult vinden en er zal worden opengedaan. De nadruk ligt dus op de vervulling van de wensen, van de wensen van het menselijk hart. Maar juist omdat de nadruk ligt op het hart ligt de nadruk evenzeer op de voorwaarden waaraan deze vervulling is gebonden.
Niet het verlangen op zichzelf is voldoende. Er staat niet: 'verlangt en je zal gegeven worden.' Er staat niet: 'als je je bewustzijn maar flink oefent en masseert in de richting van wat je verlangt, dan zal het je gegeven worden.' Er staat ook niet: 'geloof in jezelf, vertrouw op jezelf. Dan zullen de gebraden eenden van het geluk je zomaar in de mond vliegen.'
Nee, je moet uit jezelf weg, je moet juist niet vertrouwen op jezelf. Je moet zoeken, je moet uit je huisje, en je moet kloppen aan een deur waar iemand woont. En die deur kan worden opengedaan door iemand die zijn hart voor je opent. Dus je moet bij iemand aankloppen.
Die Iemand is Jezus zelf. Bij Hem mogen we
aankloppen, van Hem mogen we ontvangen, aan Hem mogen we vragen.
Maar een gelovige vraagt vanuit zijn ontmoeting met de Heer. Hij vraagt wat
thuis hoort in Gods wil. Al het andere is uit den boze.
God is geen frisdrank-automaat waarin we wat
gebedjes moeten steken om onze verlangens ingewilligd te zien.
Nee, God wil ons in ontmoeting brengen met Hem. Hij wil ons vanuit deze
ontmoeting tot mensen maken die ‘ja’ zeggen op zijn Liefde.
Laten ons bidden, laat ons aankloppen, laat ons vragen… maar altijd in Gods wil.
Kom heilige Geest.
Uit het boek JonaUit
het boek Jona
3, 1-10
Het woord van de Heer
wordt tot Jona gericht:‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om
haar aan te klagen met de woorden die Ik je zeg.’
En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de Heer hem opgedragen
had.
Nineve was een reusachtige stad, ter grootte van drie dagreizen. Jona trok de
stad in, één dagreis ver, en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve
weggevaagd!’
De inwoners van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van
hoog tot laag, hulde zich in een boetekleed. Toen de profetie de koning van
Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en
ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten. En hij liet in Nineve
omroepen: ‘Volgens bevel van de koning en zijn edelen is het niemand toegestaan
te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit. De dieren
mogen niet grazen of water drinken. Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in
een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen anders gaan leven en
breken met het onrecht dat hij doet. Misschien dat God van gedachten verandert
en op zijn besluit terugkomt; wie weet zal Hij zijn woede laten varen, zodat
wij niet te gronde gaan.’
Toen God zag dat zij inderdaad anders begonnen te leven, kwam Hij terug op wat
Hij gedreigd had hun aan te doen, en Hij deed het niet.
De inwonders van Nineve zijn vreemdelingen, dus heidenen in de ogen van sommige Joden. Toch lezen we dat de profeet Jona de opdracht krijgt, van godswege het woord tot hen te richten. Daarop roepen de Ninevieten een algemene vasten uit. God verhoort hun gebed. Hij schenkt verhoring aan alle mensen van goede wil.
Uit
het evangelie volgens Lucas
11, 29-32.
Toen er steeds meer mensen
toestroomden, zei Jezus:
'Dit is een verdorven generatie! Ze verlangt een teken, maar zal geen ander
teken krijgen dan dat van Jona. Zoals Jona een teken was voor de inwoners van
Nineve, zo zal de Mensenzoon een teken voor deze generatie zijn.
Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met de mensen
van deze generatie opstaan en hen veroordelen, want zij was van het uiteinde
van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier zien
jullie iemand die meer is dan Salomo!
Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan
en haar veroordelen; want zij hadden zich bekeerd na de prediking van Jona, en
hier zien jullie iemand die meer is dan Jona!'
Mensen hebben behoefte aan schokkende bewijzen om van iets overtuigd te geraken. Toch kan geloof en bekering niet worden opgedrongen. De mens moet willen zien. Jezus zal geen ander teken geven dan dat van Jona. Als we in Hem niet geloven zijn we er erger aan toe dan de mensen van Nineve.
Geloven in Jezus is
meer dan met je lippen zeggen dat je gelooft in Jezus.
Het geloof is op de eerste plaats een gave die God schenkt in de liefde van zijn
heilige Geest.
Ieder die ontvankelijk is voor deze gave, zal ze krijgen.
Doch... dat betekent niet dat men dan zomaar kan geloven. Het geloof vraagt ook
een beweging van de mens, een binnengaan in Gods Liefde.
Geloof is meer dat zomaar zeggen dat je Jezus als Gods Zoon erkent. Het vraagt
een onbetwistbare act van de mens.
In het latijn
betekent geloof 'credo', wat is afgeleid van 'cor-dare', wat letterlijk
vertaald betekent: 'je geven aan'.
Wanneer je dus zegt dat je gelooft in Jezus, zeg je eigenlijk dat je je hart
geeft aan de aanwezigheid van Jezus, wat niet min is.
In die zin is geloof dus in wezen gebed, een ontmoeten van de Heer (daarom niet onmiddellijk voelend of ervarend), een zich geven aan Hem.
Je geven aan Jezus betekent dat Hij jouw leven mag worden, dat jij een instrument wilt zijn van zijn zijn, om alzo in zijn Naam in Gods wil te staan.
Zijn we bereid ons
te geven aan de Heer ?
Het zal een onnoemelijke vreugde is ons losweken dat in de diepte 'eeuwig
leven' noemt.
Uit het evangelie volgens MatteüsUit
het evangelie volgens Matteüs
6, 7-15
Jezus sprak tot zijn leerlingen:
'Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen,
die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. Doe
hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie
het Hem vragen.
Bid daarom als volgt:
Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden, laat uw koninkrijk komen
en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel. Geef ons vandaag het brood
dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven
wie ons iets schuldig was. En breng ons niet in beproeving, maar red ons uit de
greep van het kwaad.
Want als jullie anderen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook
jullie vergeven. Maar als je anderen niet vergeeft, zal jullie Vader jullie je
misstappen evenmin vergeven.'
Het gebed is het antwoord van de mens op het Woord van God. Het is de erkenning van Gods aanwezigheid in ons leven. Bidden is de taal van de gelovige mens. Jezus zelf gaf ons het voorbeeld. In Hem kunnen wij God onze Vader noemen.
Gebed is in wezen deelname
aan het leven van de heilige Drieëenheid. Het is leven mét God, in een
voortdurend ontvangen en geven. Dat is het in wezen.
Maar Jezus weet, meer dan wie ook, hoe moeilijk het ons valt in alle zuiverheid
te bidden.
Hij geeft ons enkele woorden om tot waar gebed te komen, wat wij het 'onze Vader'
noemen.
Dit gebed stelt ons in eenvoudige bewoordingen waar het om gaat in ons leven
mét God, en de medemens, nu en tot in eeuwigheid
Het
gaat om het erkennen van de Vader, om onze roeping zijn Naam te heiligen in ons
leven.
Onze Vader in de hemel,
laat uw Naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen
en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.
Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.
Vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.
En breng ons niet in beproeving,
maar red ons uit de greep van het kwaad.
Amen.
Uit het evangelie volgens MatteüsUit het evangelie volgens Matteüs
25, 31-46
Jezus sprak tot zijn
leerlingen:
'Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle
engelen, zal Hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon.
Dan zullen alle volken voor Hem worden samengebracht en zal Hij de mensen van
elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt; de schapen
zal Hij rechts van zich plaatsen, de bokken links.
Dan zal de Koning tegen de groep rechts van zich zeggen: “Jullie zijn door mijn
Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de
grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want Ik had honger en jullie
gaven mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een
vreemdeling, en jullie namen mij op, Ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik
was ziek en jullie bezochten mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij
toe.”
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U
hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer
hebben wij U als vreemdeling gezien en opgenomen, U naakt gezien en gekleed?
Wanneer hebben wij gezien dat U ziek was of in de gevangenis zat en zijn we
naar U toe gekomen?”
En de Koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan
hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat
hebben jullie voor mij gedaan.”
Daarop zal Hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn
vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de
duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, Ik
had dorst en jullie gaven me niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie
namen mij niet op, Ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat
in de gevangenis en jullie bezochten mij niet.”
Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of
dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet
voor U gezorgd?”
En Hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze
onaanzienlijken niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet gedaan.”
Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het
eeuwige leven.'
Jezus geeft een visioen over het oordeel op de laatste dag. Dan zal enkel de manier waarop wij nu leven van belang zijn. Belangrijker is immers de houding tegenover de medemens, vooral dan tegenover de misdeelden. Want Jezus vereenzelvigt zich met hen.
Jezus leert ons vandaag dat
wie Hem wilt ontmoeten niet te ver moet zoeken.
Hij vereenzelvigt zich namelijk met al wat dikwijls 'uitgestoten' wordt in deze
wereld: degenen die honger en dorst hebben, de vreemdelingen, de naakten, de
zieken, de gevangenen,... Wie hen opzoekt, wie zich over hen ontfermt, ontmoet
de Heer. Zo eenvoudig is dat.
Zij zijn de bedelaars naar liefde. Door hen heen nodigt Jezus uit te beminnen.
Wie hierop ingaat staat niet enkel in de liefde Gods, maar leeft in volle
ontmoeting met Christus, zowel in zijn liefdes-daad als in degene die hij
liefheeft.
Laten we er waakzaam over zijn dat we ons niet over hen ontfermen als een
meerdere, maar als een naaste, als een broer of zus, als een van hen.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens LucasUit
het evangelie volgens Lucas
5, 27-32
Jezus zag hij bij het tolhuis
een tollenaar zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg mij!’
Levi stond op, liet alles achter en volgde Hem.
Hij richtte in zijn huis een groot feestmaal voor Hem aan, waarop een groot
aantal tollenaars en anderen samen met Jezus aanwezig waren.
De Farizeeën en hun Schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen:
‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’
Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek
is wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan
te sporen een nieuw leven te beginnen.’
Jezus roept iedereen, zelfs tollenaars of andere publieke zondaars. Tijdens de maaltijd bij Levi verduidelijkt Hij zijn zending. Levi zal dat in praktijk brengen en alles achter laten om Jezus te volgen.
'Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.'
Hier raakt Jezus de kern van zijn zending aan,
namelijk wat verloren dreigt te gaan nieuw leven in te blazen.
Elke mens, ook ieder van ons, draagt in zich duistere plekken, waar het licht
van de Heer geen plaats krijgt. Het zijn plaatsen die we dikwijls moeilijk
kunnen of durven loslaten... Meer, soms koesteren we ze zelfs.
Jezus ziet dit gevecht en lijden in ons. Hij ziet de vervreemding tussen ons en
de Vader. En juist omdat Hij liefheeft, wilt Hij niet liever dan ieder van ons
opzoeken om ons aan te raken in de kern van die duisternis. Deze aanraking kan
ons ten diepste genezen. De Heer zelf zal ons in deze aanraking optillen,
opvoeden, en leren; leren wat het betekent Hem te volgen, stap voor stap. Hij
zal ons leren alles zo achter te laten, dat Hij ons in zich tenvolle kan
opnemen, opdat wij niet meer zouden leven vanuit onze allerindividueelste ik
los van de Heer, maar vanuit Hem. Hij door ons.
Uit de profeet JesajaUit de profeet Jesaja
58, 6-8a
Zo spreekt de Heer :
'Is dit niet het vasten dat Ik verkies:
misdadige ketenen losmaken,
de banden van het juk ontbinden,
de verdrukten bevrijden,
en ieder juk breken ?
Is het niet: je brood delen met de hongerige,
onderdak bieden aan armen zonder huis,
iemand kleden die naakt rondloopt,
je bekommeren om je medemensen ?
Dan breekt je licht door als de dageraad,
je zult voorspoedig herstellen.'
Uit het evangelie volgens LucasUit
het evangelie volgens Lucas
9, 22-25
Jezus
zei tot zijn leerlingen:
'De Mensenzoon zal veel moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en
de schriftgeleerden worden verworpen en gedood, maar op de derde dag zal Hij
uit de dood worden opgewekt.'
Tegen
allen zei Hij:
'Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en dagelijks zijn
kruis op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal
het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden.
Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of
schade toebrengt?'
Sprekend over zijn dood en verrijzenis laat Jezus zijn toehoorders iets vermoeden van het geheim van zijn zending: sterven om te leven. Dit is ook de weg die zijn leerlingen moeten gaan: zichzelf verloochenen en elke dag opnieuw Jezus' kruis opnemen.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
9, 30-37
Na de
gedaanteverandering vertrokken Jezus en zijn leerlingen weg uit die streek en
reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, want
Hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven.
Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen
Hem doden, maar na drie dagen zal Hij uit de dood opstaan.’
Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden Hem geen vragen te stellen.
Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren
jullie onderweg aan het redetwisten?’
Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen
de belangrijkste was.
Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de
belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders
dienaar.’
Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm
eromheen en zei tegen hen: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt,
neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar Hem die mij gezonden
heeft.’
Wanneer Jezus zijn leerlingen nog eens duidelijk tracht te maken dat zijn dienen zover zal gaan dat Hij zijn leven zal geven, begrijpen zij dit niet. Zij dachten aan een nieuw, aards rijk, waar zij de voornaamste posten zouden innemen. Zij maken zelfs ruzie om de eerste plaats te krijgen. Jezus wijst hen terecht en herhaalt nog eens dat men in zijn rijk niet moet komen om gediend te worden, maar om te dienen met het hart van een kind.
De minste van allen willen zijn, én ieders
dienaar... dat is de weg waartoe Jezus ons uitnodigt.
Enkel deze weg maakt de mens groot, maakt hem waardig, maakt hem werkelijk tot
Gods kind.
Jezus zelf is ons deze weg voorgegaan. De
evangelies tonen dit tijdens vele momenten.
Denken we bijvoorbeeld aan de voetwassing. Jezus, Gods Zoon, knielt neer voor
zijn leerlingen om hen de voeten te wassen. Jezus maakt zich kleiner dan zijn
leerlingen. Hij knielt voor hen neer en wast hen (naar lichaam en ziel).
Zo mogen wij, naar het voorbeeld van Jezus, en mét Hem, iedere mens benaderen die we ontmoeten: als een dienaar dus, als een mindere, als iemand die bereid is de voeten van die ander te wassen. Dat schept gemeenschap, zo ontstaat Kerk.
Deze weg zal ons behoeden boven de ander te willen
staan, of een machtspositie te misbruiken.
Integendeel, we zullen de ander dienen, en dus het leven dienen, God dienen.
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
9, 14-29
Toen Jezus na de
gedaanteverandering terugkwam bij de andere leerlingen, zag Hij een grote
menigte om hen heen staan. Er waren ook schriftgeleerden bij, die met hen aan
het discussiëren waren. De mensen waren verbaasd toen ze Hem zagen, en liepen
meteen naar Hem toe om Hem te begroeten. Hij vroeg hun: ‘Waarover zijn jullie
met hen aan het discussiëren?’
Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U gebracht
omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten; steeds wanneer de geest
hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de
mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen
uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.’
Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet Ik
nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie verdragen? Breng hem bij me.’
Ze brachten de jongen bij Hem. Toen de geest Hem zag, deed hij de jongen meteen
stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen
en weer.
Jezus vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’
Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd, en hij heeft hem zelfs vaak in
het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als U iets
kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’
Toen zei Jezus tegen hem: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie
gelooft.’
Meteen riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’
Toen Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak Hij de onreine
geest op strenge toon toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, Ik gebied je:
ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’
Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen
bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven. Maar
Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op.
Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn leerlingen
hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’
Toen ze weer alleen waren, vroegen
zijn leerlingen Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’
Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’
Een mens kan uit zichzelf veel goeds doen.
Met Gods genade kan hij nog méér doen, of de dingen die hij doet, ànders doen.
Doch zijn er dingen die men enkel met gebed tot een goed einde kan brengen. Het
zijn zaken waar God wacht op het gebed van de mens om die zaken héél
persoonlijk te komen aanraken.
Heel dikwijls gebruikt Hij de mens als instrument om zijn liefde te tonen. Maar
soms handelt Hij ook bij wijze van spreken 'alleen'. Het is schijnbaar een zaak
tussen dat gebeuren en Hem, zonder een menselijke tussenkomst. Hij wacht op het
gebed van de Kerk, van elke gelovige, om die zaak heel rechtstreeks te komen
vervullen met zijn genade.
We mogen de kracht van het gebed niet
onderschatten. God kan meer met ons gebed dan we doorgaans vermoeden.
We trekken dit dikwijls in twijfel, vooral omdat we ons eigen gebedsleven over
het algemeen zo arm vinden.
Maar God is zoveel groter dan dit menselijk getwijfel. Elk gebed, hoe arm en
onvolmaakt ook, stijgt tot Hem als wierook bij het altaar.
Met dit gebed van de mens treedt Hij de wereld tegemoet: personen, hele volken
en zaken aanrakend met zijn genezende kracht.
Onzichtbaar schenkt Hij op deze wijze leven aan de Kerk, geeft Hij licht aan de
wereld, wekt Hij roepingen, schept eenheid onder mensen en godsdiensten, leidt
Hij mensen naar de hemel, enz...
Laten we geloven in de kracht van het gebed.
Laat ons dagelijks tijd maken voor deze liefdesdaad voor elkaar, de Kerk en de
hele mensheid.
God heeft ons gebed niet nodig om God te zijn.
Anderzijds hunkert Hij naar ons gebed om de wereld heel persoonlijk te komen
bezoeken, aan te raken, te genezen daar waar het nodig is.
Uit het evangelie volgens MarcusUit
het evangelie volgens Marcus
2, 1-12
Toen Jezus enkele dagen
later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat Hij weer thuis was. Er stroomden
zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij
verkondigde hun de heilsboodschap.
Er werd ook een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd.
Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het
dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt,
lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Bij het zien van
hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’
Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij
zichzelf: Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit:
alleen God kan immers zonden vergeven! Jezus had meteen door wat ze dachten en
dus zei Hij: ‘Waarom denkt u zoiets? Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde
zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal
u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg.
Allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog
nooit gezien,’ zeiden ze.
Jezus heeft aandacht voor het lijden van mensen in al zijn vormen. Zo schenkt Hij de lamme in Gods naam vergiffenis voor zijn zonden en geneest hem vervolgens. Deze wondere begenadiging en genezing is voor de volgelingen een teken dat God in Jezus Christus zijn belofte houdt en de mensen bevrijdt
Uit de brief van JakobusUit
de brief van Jakobus
3, 1-10
Broeders
en zusters,
u moet niet allemaal leraar willen zijn. U weet dat ons leraren een strenger
oordeel te wachten staat.
En hoe vaak struikelen we niet allemaal! Wie nooit struikelt in het spreken kan
zich een volmaakt mens noemen, die in staat is om zelfs het hele lichaam in
toom te houden.
Paarden doen we een bit in de mond om ze te laten gehoorzamen, en zo kunnen we
hun hele lijf sturen. En kijk eens hoe reusachtige schepen, voortgestuwd door
hevige wind, met een klein roer in de richting worden gestuurd die de stuurman
bepaalt.
Zo is ook de tong een klein orgaan, maar wat een grootspraak kan hij
voortbrengen! Bedenk eens hoe een kleine vlam een enorme bosbrand veroorzaakt.
Onze tong is net zo’n vlam: een wereld van onrecht, die onze lichaamsdelen in
brand steekt. Want hij besmet het hele lichaam, hij steekt het rad van het
leven in brand, met vuur uit de Gehenna.
De mens heeft alle mogelijke soorten dieren weten te temmen, wilde dieren,
vogels, kruipende dieren en zeedieren, maar er is geen mens die de tong kan
temmen, dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn.
Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die
God heeft geschapen als zijn evenbeeld. Uit dezelfde mond klinkt zegen en
vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn, broeders en zusters?
Jakobus maakt er ons opmerkzaam op welke kracht er kan uitgaan van onze woorden. Voortdurend moeten wij deze onder controle houden. Anders zijn zij de bron van onnoemelijk veel kwaad, dat nog nauwelijks te herstellen is.
Vandaag lezen we bij Jakobus: Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader,
en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld. Uit
dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn,
broeders en zusters ?
Inderdaad... de ene moment bidden we , en en een uurtje later roddelen we er rustig op los met vrienden of collega's en stellen anderen in een slecht daglicht of voeden de kick van het oordeel. Ik denk dat we er met regelmaat allen tegen zondigen, op welke wijze ook.
Laten we waakzaam zijn wanneer we spreken. Laat ons doorheen onze woorden opbouwen in plaats van neer te halen. Laat ons in ons spreken verzoening brengen in plaats van verdeeldheid. Laat ons fijne humor brengen. Laten we het goede gesprek voeren. Laat ons woorden gebruiken waarin de warmte van God ieder mens mag bereiken tot wie we spreken.
mieke mantel
mieke mantel