mieke mantel

mieke mantelWAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens LucasUit het evangelie volgens Lucas
24, 13-35
Op de eerste dag van de
week gingen twee van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en
zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. Ze spraken met elkaar over alles
wat er was voorgevallen.
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep
met hen mee, maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden.
Hij vroeg hun: ‘Waar loopt u toch over te praten?’
Daarop bleven ze somber gestemd staan.
Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent U dan de enige vreemdeling
in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’
Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’
Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet
in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. Onze hogepriesters en
leiders hebben Hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. Wij leefden
in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het
de derde dag sinds dit alles gebeurd is. Bovendien hebben enkele vrouwen uit
ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf
gingen, vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er engelen aan
hen waren verschenen. De engelen zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn
toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden
gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’
Toen zei Hij tegen hen: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van
begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? Moest de
messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’
Daarna verklaarde Hij hun wat er in al de Schriften over Hem geschreven stond,
en Hij begon bij Mozes en de Profeten.
Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof Hij verder
wilde reizen. Maar ze drongen er sterk bij Hem op aan om dat niet te doen en
zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij
ging mee het dorp in en bleef bij hen.
Toen Hij met hen aan tafel aanlag, nam Hij het brood, sprak het zegengebed uit,
brak het en gaf het hun.
Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze Hem. Maar Hij werd onttrokken aan
hun blik.
Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons
sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’
Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de
anderen aantroffen, die tegen hen zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood
opgewekt en Hij is aan Simon verschenen!’
De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij zich aan
hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.
Zoals de leerlingen van Emmaüs kunnen wij Jezus pas ervaren, zien, in onze wereld, in onze menselijke relaties, als we echt geloof hebben, als we alles met nieuwe ogen bekijken. Alles rondom ons, de opbloeiende natuur, de openbloeiende mensen, onze eigen ervaringen, leiden naar Hem. Dat geloof is altijd een tasten. Want als we Hem herkennen, verdwijnt Hij dikwijls weer uit ons gezicht.
De
leerlingen keerden Jeruzalem de rug toe, weg van de stad van lijden, dood en
verrijzenis. Maar de Heer liep met hen mee, wilde hen ontmoeten, maakte zich
kenbaar. En meteen draaide de leerlingen zich om en gingen terug naar
Jeruzalem, terug naar de stad van lijden, dood en verrijzenis. Ook wij lopen
wel eens weg van het kruis, weg van de liefde. Enerzijds omdat we dikwijls zo
weinig begrijpen van de liefde, anderzijds omdat deze weg ons beangstigt; ons
bang maakt onszelf te verliezen.
Maar de Heer kent onze twijfels, doorziet onze angst. En ook ons komt Hij
tegmoet. Ook met ons loopt Hij mee. Ook ons wilt Hij ontmoeten. Ook aan ons
wilt Hij zich kenbaar maken.
Sluiten we onze ogen en ons hart voor deze ontmoeting, of heten we de Heer welkom, opdat onze twijfels, onze zwakheden, ons ongeloof, kan omgebogen worden naar zijn licht.
Laten we niet weglopen van Jeruzalem, maar er voor goed onze woonst in vinden. Want in deze stad, daar in het diepst van onze ziel, het nieuwe Jeruzalem, zullen we de genade ontvangen
Uit het evangelie volgens JohannesUit het evangelie volgens Johannes
20, 11-18
Maria stond nog bij het graf
en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in
witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de
plek waar het lichaam van Jezus had gelegen.
‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar.
Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem naartoe
gebracht hebben.’
Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het
Jezus was.
‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’
Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel
me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’
Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’
Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!‘ (Dat betekent ‘meester’.)
‘Houd me niet vast’ , zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga
naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat Ik opstijg naar mijn Vader,
die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’
Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer
gezien!’
En ze vertelde alles wat Hij tegen haar gezegd had.
De verrezen Heer laat zich maar herkennen door de mens die Hem met liefde zoekt. Het verhaal van Maria Magdalena toont ons aan dat Jezus ontdekt wordt waar Hij niet verwacht wordt. We moeten dus Jezus leren zien waar Hij is. Hij is overal waar mensen elkaar de kans geven nieuw te zijn
Meer dan we vermoeden spreekt Jezus ook ons aan zonder dat we Hem daarbij onmiddellijk herkennen.
Wanneer je het Bijbelcitaat of de 'lezingen van de dag' zojuist las was het wel degelijk de Heer die tot je sprak. Ja, we weten dat gelovig wel, maar ontvangen we in het Woord Hem ook werkelijk. Laten we toe dat Hij doorheen zijn Woord ons ten diepste aanraakt, opdat er genezing mag plaatsvinden daar waar dit nodig is, daar waar God dit nodig acht.
Ook doorheen zoveel ontmoetingen met mensen,
doorheen talrijke situaties, in de stilte van ons gebed, komt en spreekt Hij.,
spreekt Hij ons toe, neemt ons in zich op, maakt Hij ons tot gemeenschap in
Hem.
Maar ook in het ruisen van de wind, in het kabbelend beekje, in het gekwetter
van de vogels,... spreekt Hij tot ons.
Laten we zijn spreken liefhebben, diep koesteren, opdat het ons ten diepste mag raken en brengen in het lied van zijn eeuwige liefde.
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens MatteüsUit
het evangelie volgens Matteüs
28, 8-15
Ontzet en opgetogen
verlieten de vrouwen haastig het graf om het aan Jezus' leerlingen te gaan
vertellen.
Op dat moment kwam Hij hun tegemoet en groette hen.
Ze liepen op Hem toe, grepen zijn voeten vast en bewezen Hem eer.
Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar
Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’
Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad.
Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. Die vergaderden
met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven en hun op
te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ‘s nachts gekomen en hebben Hem
heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” En mocht dit de prefect ter ore
komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot
blijven.’
Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van
vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde
Het lege graf van Jezus is voor sommigen bron van verbazing, geloof, vreugde en hoop, voor anderen bron van ergernis, ongeloof en tegenwerking. Maar elke mens moet tenslotte stelling nemen. Wie gelooft, zoals de vrouwen, brengt ook vandaag de boodschap van vandaag naar de mensen. Als men louter met het verstand tracht te zien, gelooft men evenwel nog niet. Men moet zich gewonnen geven aan en in de Geest, met het hart. En ernaar leven...
Uit het evangelie volgens JohannesUit
het evangelie volgens Johannes
20, 1-9
Vroeg op de eerste dag
van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze
zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug
naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze
hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze Hem nu
neergelegd hebben.’
Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden
snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als
eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen,
maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het
graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’
gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een
andere plek.
Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het
graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet
begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan.
Jezus leeft! Petrus, het hoofd van het apostelcollege, is als eerste het graf binnengegaan en heeft het officieel vastgesteld. Maar het is Johannes, de leerling die Jezus liefhad, die met zijn intuïtieve liefde het teken van het lege graf onmiddellijk verstaat.
Uit
de Handelingen van de Apostelen
10, 34a + 37-43
Petrus
nam het woord en zei:
'U weet
wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God,
na de doop waartoe Johannes opriep, Jezus uit Nazaret met de heilige Geest
heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed. Hij trok als weldoener door het land
en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij.
Wij zijn de getuigen van alles wat Hij gedaan heeft, in het land van de Joden
en ook in Jeruzalem.
Zeker, ze hebben Hem gedood door Hem aan een kruishout te hangen, maar God
heeft Hem op de derde dag weer tot leven gewekt en Hem aan de mensen laten
verschijnen, niet aan het hele volk, maar aan enkele getuigen die daartoe door
God waren aangewezen, aan ons namelijk, die samen met Hem gegeten en gedronken
hebben nadat Hij uit de dood was opgestaan.
Hij heeft ons opgedragen daarvan getuigenis af te leggen en aan het volk bekend
te maken dat Hij het is die door God is aangesteld als rechter over de levenden
en de doden. Van Hem getuigen alle profeten dat iedereen die in Hem gelooft
door zijn Naam vergeving van zonden krijgt.'
Alleen een kleine groep mensen kon getuigen van het paasmysterie. Zij waren niet enkel de getuigen geweest van Jezus' openbaar leven maar ook van zijn verrijzenis. En als wij vandaag geloven, dan is dat in de kracht van hun ervaring zn hun geloof.
Elkaar vandaag een
gelukkige of zalige hoogdag toewensen is een mooie en zinvolle gewoonte. Deze
paaszondag is immers dé Dag des Heren bij uitstek. Het is de 'Dag die de Heer
heeft gemaakt!' Daarom kunnen wij blij zijn en jubelen: 'Alleluia, Christus is
verrezen, alleluia!'
Ook wijzelf kunnen delen in die vreugde. Hij, Christus Jezus, heeft ons immers
radicaal nieuw gemaakt. Met Hem verrezen tot een nieuw leven, zijn wij ook
uitgenodigd mét Hem te leven! Daarom kunnen wij vandaag, als dankbare, gelovige
kinderen, de Vader jubelend danken voor zoveel goedheid.
Het is volbrachtHet is volbracht
Weinig uitspraken in de geschiedenis van de mensheid hebben zulke verstrekkende gevolgen gehad als deze triomfkreet van de Here Jezus, zo kort voor Zijn sterven. Alles wat God verlangde, was volbracht. De Here Jezus heeft de wil van God volkomen geopenbaard. Hij heeft alles gezegd wat gezegd moest worden, alles gedaan wat gedaan moest worden. Hij was helemaal klaar met de taak die Zijn Vader Hem opgedragen had. De Zoon des mensen die geen steen had om Zijn hoofd op te laten rusten, kon het hoofd buigen en Zich overgeven in de handen van Zijn Vader. Hij wist dat alles volbracht was. In deze drie woorden ligt onze behoudenis voor eeuwig verankerd.
Uit het evangelie volgens JohannesUit
het evangelie volgens Johannes
13, 1-15
Het was kort voor het
pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat Hij uit de wereld
terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die Hem in de wereld
toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan.
Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de
zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus te verraden.
Jezus, die wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven, dat hij van God was
gekomen en weer naar God terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij
legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom.
Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek
die Hij omgeslagen had.
Toen Hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen,
Heer?’
Jezus antwoordde: ‘Wat Ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het
wel begrijpen.’
‘O nee’, zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’
Maar toen Jezus zei: ‘Als Ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen’,
antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en
mijn hoofd!’
Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij
is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein–maar niet allemaal.’ Hij wist
namelijk wie Hem zou verraden, daarom zei Hij dat ze niet allemaal rein waren.
Toen Hij hun voeten gewassen had, deed Hij zijn bovenkleed aan en ging weer
naar zijn plaats.
‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg Hij.
‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben
Ik ook. Als Ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je
ook elkaars voeten wassen. Ik heb een voorbeeld gegeven; wat Ik voor jullie heb
gedaan, moeten jullie ook doen.
'Als Ik je voeten niet mag wassen kun je niet bij mij horen.'
Dit gaat tegen alle wereldse logica in. God
zelf knielt voor de mens om de voeten te wassen, om hem te reinigen. Dat kan
Christus omdat Hij een en al Liefde is. De Liefde gaat nooit boven de ander
staan, maar treedt de naast tegemoet als een mindere. Dat is Liefde.
Wie deze daad van de Heer niet toelaat, zo zegt Hij, kan niet bij Hem horen.
Hij zal nooit Jezus' deelgenoot kunnen zijn. Het is in de reiniging dat
Christus ons in zich opneemt.
Uit het evangelie volgens MatteüsUit het evangelie volgens Matteüs
26, 14-25
Eén van de twaalf, die met
de naam Judas Iskariot, ging naar de hogepriesters en zei: ‘Wat krijg ik van u
als ik Hem aan u uitlever?’
Ze betaalden hem dertig zilverstukken.
Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.
Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen
naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen zodat U
het pesachmaal kunt eten?’
Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De
meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil Ik met mijn leerlingen het
pesachmaal gebruiken.’”’
De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.
Toen de avond was gevallen, lag Hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd.
Onder het eten zei Hij tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij
uitleveren.’
Dit bedroefde hen zeer, en de een na de ander vroegen ze hem: ‘Ik toch niet,
Heer?’
Hij antwoordde: ‘Hij die samen met mij zijn brood in de kom doopte, die zal mij
uitleveren. De Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar
wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem
zijn als hij nooit geboren was.’
Toen zei Judas, die Hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’
Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’
Men is vaak het meest ontgoocheld in zijn beste vrienden. Judas pleegt verraad aan zijn vriendschap met Jezus. De andere leerlingen zijn er zich zeer goed van bewust dat ook zij nog geen echte volgelingen van Jezus zijn. 'Ik toch niet, Heer?', vraagt elk van hen. Jezus kiest voor de trouw aan de wil van zijn Vader.
Op
een van de grootste momenten uit de geschiedenis, daar waar Jezus zichzelf zal
schenken in brood en wijn, is het kwaad op z'n sterkst aanwezig.
De Heer en de duivel in Judas... samen aan dezelfde tafel. De Heer, een en al
liefde... en Judas, bezeten van zijn boze bedoelingen.
Waar christelijke liefde is, is de duivel nooit ver af. Dat deze laatste mee aan tafel zit, dwingt ons steeds op de hoede te zijn en de houding van innerlijke onthechting aan te nemen.
Uit het evangelie volgens JohannesUit
het evangelie volgens Johannes
13, 21-33 + 36-38
Toen Jezus met zijn leerlingen aan tafel
aanlag werd Hij diepbedroefd, en Hij verklaarde: ‘Waarachtig, Ik verzeker
jullie: een van jullie zal mij verraden.’
De leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich af wie Hij bedoelde.
Een van hen, de leerling van wie Jezus veel hield, lag naast Hem aan tafel aan,
en Simon Petrus beduidde hem dat hij moest vragen wie Jezus bedoelde.
Hij boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: ‘Wie, Heer?’
‘Degene aan wie Ik het stuk brood geef dat Ik nu in de schaal doop’, zei Jezus.
Hij doopte een stuk brood in de schaal en gaf het aan Judas, de zoon van Simon
Iskariot.
Op dat moment nam de duivel bezit van Judas. Jezus zei: ‘Doe maar meteen wat je
van plan bent.’
Niemand aan tafel begreep waarom Hij dit zei; omdat Judas de kas beheerde,
dachten sommigen dat Jezus bedoelde dat hij inkopen voor het feest moest doen,
of dat hij iets aan de armen moest geven.
Judas nam het brood aan en ging meteen weg. Het was nacht.
Toen hij weg was zei Jezus: ‘Nu is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar
geworden, en door Hem de grootheid van God. Als Gods grootheid door Hem
zichtbaar geworden is, zal God Hem ook in die grootheid laten delen, nu
onmiddellijk. Kinderen, Ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie. Jullie
zullen me zoeken, maar wat Ik tegen de Joden gezegd heb, zeg ik nu ook tegen
jullie: “Waar Ik heen ga, daar kunnen jullie niet komen.’
Simon Petrus vroeg: ‘Waar gaat U naartoe, Heer?’
Jezus antwoordde: ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul
je mij volgen.’
‘Waarom kan ik U nu niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven voor U geven!’ zei
Petrus.
Maar Jezus zei: ‘Jij je leven voor mij geven? Waarachtig, Ik verzeker je: nog
voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.’
Tijdens het
vriendenmaal voorspelt Jezus de komende dagen. Eén van zijn leerlingen, Judas
Iskariot, zal Hem verraden. Maar ook de anderen zullen ontredderd zijn. 'Ik ga
ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen'.
Zelfs Petrus zal Hem driemaal
verloochenen nog eer de haan kraait
Jezus voorspelt aan Petrus dat hij Hem driemaal zal verloochenen. Dit moet Petrus zeer bedroefd hebben. Hij hield immers van zijn Heer. Enkele dagen later zal blijken dat hij inderdaad zijn Heer drie maal zal verloochenen.
En hoe zit dat met ons ?
Moest Jezus aan ons zeggen dat wij Hem binnenkort zullen verloochenen... we
zouden ook bedroefd zijn, want we houden van Hem.
En toch...
We leven in een tijd waarin veel christenen zich verbergen, alsof het leven van
de Kerk zich afspeelt in een soort catacomben. Wordt het eens geen tijd dat de
christen van zich laat horen, niet enkel onder zijn eigen broeders en zusters,
maar ook ver daarbuiten, in de wereld waar de Kerk hoort aanwezig te zijn.
Niet om aan anderen te melden dat de christen de waarheid in pacht zou hebben,
maar wel om ware broederschap met ieder aan te gaan die doorheen daad en woord
aantoont dat God van elke mens houdt en dat Christus ieder verlost heeft.
Uit de profeet JesajaUit
de profeet Jesaja
42, 1-7
'Hier is mijn dienaar, hem
zal Ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde, Ik heb hem
met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het recht doen kennen.
Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het
openbaar; het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet
doven. Het recht zal hij zuiver doen kennen.
Ongebroken en vol vuur zal hij het recht op aarde vestigen; de eilanden zien
naar zijn onderricht uit.
Dit zegt God, de Heer, die de hemel heeft geschapen en uitgespannen, die de
aarde heeft uitgehamerd met alles wat zij voortbrengt, die de mensen op aarde
levensadem geeft, en levensgeest aan allen die daar verkeren.
In gerechtigheid heb Ik, de Heer, jou geroepen. Ik zal je bij de hand nemen en
je behoeden, Ik neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen en maak je
tot een licht voor alle volken, om blinden de ogen te openen, om gevangenen te
bevrijden uit de kerker, wie in het duister zitten uit de gevangenis.
In vier liederen bezingt Jesaja de 'Dienaar van Jahwe', waarin Jezus de volmaakte verpersoonlijking zal zijn. Het eerste lied spreekt over zijn uitverkiezing. Hij krijgt de opdracht om Israël het heil te brengen. Daartoe werd hij vervuld met de geest. Hij zal in zachtmoedigheid en nederigheid de kracht en het universele licht van de ware God moeten brengen bij de naties.
Vandaag horen we hoe Jesaja profeteert over Jezus: 'Het geknakte riet breekt hij niet af, de kwijnende vlam zal hij niet doven.'
Meer dan
wie ook weet Jezus dat vele mensen geknakt door het leven gaan, als een
kwijnende vlam.
Zijn Liefde zal erin bestaan dit geknakt-zijn niet te breken, of de kwijnende
vlam te doven. Nee, Hij zal de mens optillen, ten diepste genezen, het vuur van
overgave terug aanwakkeren.
Meer dan
wijzelf, weet Hij dat de zonde het vuur in de mens dooft. Toegeven aan het
kwaad verwijdert de mens steeds meer van God, met alle gevolgen van dien voor
hemzelf en de samenleving.
Voor hen, voor ons, zal de Heer de weg gaan van het kruis. Hij zal tot in de
diepste krochten afdalen om ieder die daar huist de mogelijkheid te bieden zich
te laten optillen in het feest van de opstanding
mieke mantel
mieke mantel
mieke mantel
mieke mantel
mieke mantel
mieke mantel
mieke mantel
Uit het evangelie volgens JohannesUit het evangelie volgens Johannes
8, 51-59
Jezus sprak:
'Waarachtig, Ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit
zien.’
Toen zeiden de Joden: ‘Nu weten we zeker dat U bezeten bent! Abraham is
gestorven, en de profeten ook, en U zegt: “Wie mijn woord bewaart zal de dood
nooit proeven”! Bent u soms meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook
de profeten zijn gestorven. Wie denkt u wel dat u bent?’
Jezus antwoordde: ‘Wanneer Ik mezelf zou eren, zou mijn eer niets betekenen,
maar het is de Vader die mij eert, de Vader van wie u zegt dat Hij onze God is,
hoewel u Hem niet kent. Ik ken hem. Als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou
Ik een leugenaar zijn, net als u. Maar Ik ken Hem wel, en Ik bewaar zijn woord.
Abraham, uw vader, verheugde zich op mijn komst, en toen hij die meemaakte was
hij blij.’
De Joden zeiden: ‘U bent nog geen vijftig en U zou Abraham gezien hebben?’
‘Waarachtig, Ik verzeker u’, antwoordde Jezus, ‘van voordat Abraham er was, ben
Ik er.’
Toen raapten ze stenen op om naar Hem te gooien. Maar Jezus wist onopgemerkt
uit de tempel te ontkomen.
Lang en gelukkig leven is de diepe hunker van elke mens. Jezus spreekt van eeuwig leven, indien we zijn woorden onderhouden. Daardoor plaatst Hij zich in de rij van de profeten. Hij laat zelfs vermoeden dan Hij nog groter is dan Abraham. 'Van voor Abraham er was, ben Ik er'. Die uitspraak is te sterk voor zijn toehoorders.
Vandaag verzekert Jezus ons: 'Als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien.'
Christus' woord bewaren betekent leven in Hem, vanuit Hem, door Hem. Het betekent zich door Hem laten opnemen in Hem. Zo zullen we deelgenoot worden van Hem, en dus van het eeuwig leven. Wie leeft in Hem mag in zekere zin nu reeds delen in Christus' onsterfelijkheid.
Daar we Christus in ons mogen dragen, dragen we nu reeds de hemel in ons, en mogen we leven vanuit de glorie van de hemel, mét de engelen, mét de heiligen, met allen en alles wat de hemel kleurt.
Hemel en aarde staan echt niet ver uit elkaar, ze zijn wezenlijk met elkaar verbonden, vloeien naadloos in elkaar over. 'Uw wil geschiede op aarde als in de hemel'... Dat dit een werkelijkheid mogen zijn voor ieder van ons.
eerste brief van Johanneseerste brief van Johannes
2, 9-11
Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat,
bevindt zich nog altijd in de duisternis. Wie de ander liefheeft,
blijft in het licht en komt niet ten val, maar wie de ander haat,
bevindt zich in de duisternis. Hij gaat zijn weg in het duister,
zonder te weten waarheen die weg voert, want de duisternis
heeft hem blind gemaakt.
Uit het evangelie volgens JohannesUit
het evangelie volgens Johannes
8, 21-30
Jezus sprak tot de Farizeeën: ‘Ik ga weg, en u zult me zoeken. Maar
u zult in uw zonde sterven. Waar Ik naartoe ga, daar kunt u niet komen.’
De Joden zeiden: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt dat Hij
ergens naartoe gaat waar wij niet kunnen komen?’
Jezus vervolgde: ‘U bent van beneden, Ik ben van boven; u hoort bij deze
wereld, Ik hoor niet bij deze wereld. Ik heb tegen u gezegd dat u in uw zonden
zult sterven, want als u niet gelooft dat Ik het ben, zult u inderdaad in uw
zonden sterven.’
‘Wie bent u dan?’ vroegen ze.
Jezus zei: ‘Wat Ik vanaf het begin al tegen u gezegd heb. Ik heb veel over u te
zeggen, en veel in uw nadeel, maar Ik zeg tegen de wereld wat Ik gehoord heb van
Hem die mij gezonden heeft, en Hij is betrouwbaar.’
De mensen begrepen niet dat Hij over de Vader sprak.
‘Wanneer u de Mensenzoon hoog verheven hebt’, ging Jezus verder, ‘dan zult u
weten dat Ik het ben, en dat Ik niets uit mijzelf doe, maar over deze dingen
spreek zoals de Vader het mij geleerd heeft. Hij die mij gezonden heeft is bij
mij; Hij heeft me niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hij wil.’
Jezus' kruisdood zal velen de ogen openen en doen inzien wie Hij is en door wie Hij gezonden is
Wie zich halsstarrig blijft vastklampen aan zijn eigen duisternis zal het zeer moeilijk hebben de Heer te zien en te leren kennen zoals Hij werkelijk is. Hij zet zich immers vast in z'n eigen gedachtenkronkels die hij bemint als geen ander. Niet willen loskomen van duistere praktijken (kleine en grote) kan de mens helemaal in zichzelf doen keren en steeds verder weg doen drijven van God.
En toch...
Zolang de mens leeft op aarde heeft de duisternis voor God nooit het laatste
woord. Zijn liefde voor de zondaar is zo groot dat Hij zijn Zoon zal sturen op
de weg van het kruis, om af te dalen daar waar de grootste zondaar huist, om
deze op de derde dag op te tillen tot het volle licht.
God is groot !
Psalm 40, 7-11Psalm 40, 7-11
Offers en gaven verlangt U niet,
brand– en reinigingsoffers vraagt U niet.
Nee, U hebt mijn oren voor U geopend,
en nu kan ik zeggen: ‘Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.’
Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.
Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid.
Ik houd mijn lippen niet gesloten,
U weet het, Heer.
Ik zwijg niet over uw goedheid,
maar getuig van uw trouw en uw hulp.
In de kring van het volk verheel ik niet
hoe liefdevol, hoe trouw U bent.
Uit het evangelie volgens JohannesUit het evangelie volgens Johannes
12, 20-33
Er was ook een aantal
Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden.
Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen hem of ze Jezus
konden ontmoeten.
Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus.
Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven.
Waarachtig, Ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. Wie
zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat,
behoudt het voor het eeuwige leven. Wie mij dient moet mij volgen: waar Ik ben
zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden. Nu
ben Ik doodsbang. Wat moet Ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij
voorbijgaan? Maar hiervoor ben Ik juist gekomen. Laat nu zien hoe groot uw naam
is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond
en Ik zal mijn grootheid weer tonen.’
De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er
waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen Hem gesproken had.
Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u. Nu wordt het
oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen
worden. Wanneer Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik iedereen naar mij
toe halen.’
Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven.
Nog voor het kruis voor zijn Zoon werd opgericht, openbaart de Vader er de vruchtbaarheid van. De pogingen van de Grieken, die Jezus wilden zien, kondigen aan dat het uur is gekomen om alle volkeren te verzamelen. De stem uit de hemel belooft aan de Gekruisigde dat Hij zal verheerlijkt worden en Koning zijn.
“Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.” (v.26b)
Dit zinnetje van Jezus uit het evangelie lijkt mij alles samen te vatten en uit te drukken wat er te zeggen is. “Waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.”Puur, eenvoudig en direct, zonder omwegen wijst Jezus ons de weg naar de kern van ons christen-zijn.
Er is over het christelijk geloof oneindig veel geschreven en gesproken. De meeste woorden zullen wel teveel geweest zijn. Er zijn ook talrijke christelijke kerken opgericht, ieder met zijn eigen waarheid. Helaas vaak muren die de werkelijkheid van Jezus’nabijheid dreigen af te sluiten.
En toch is er zo’n gewoon levensecht antwoord gegeven op de simpele vraag van de griekssprekende joden uit het evangelie. Ze vroegen aan de Filippus: “Heer, we zouden Jezus graag spreken.” Ze vroegen niet: “ Laat ons de tempel zien” of “ welke leer wordt er nu verkondigd?” Nee, ze wilden Jezus zelf ontmoeten, Hèm leren kennen, bij Hem zijn. In de vraag van de Grieken wordt het diepste verlangen van ieder mens uitgedrukt, hoe onbewust dat ook mag zijn. Het is de vraag naar iemand die je leven helemaal wil delen, die onvoorwaardelijk van je houdt en je ook nooit los zal laten, een verbondenheid die je leven vervult