Uit de Handelingen van de Apostelen
Uit de Handelingen van de Apostelen
19, 1-8
Terwijl Apollos in
Korinte verbleef, kwam Paulus na zijn reis door het binnenland in Efeze aan.
Hij ontmoette daar enkele leerlingen, aan wie hij vroeg: ‘Hebben jullie de
heilige Geest ontvangen toen jullie het geloof aanvaardden?’
Ze antwoordden: ‘Nee, we hebben zelfs niet gehoord van het bestaan van een
heilige Geest.’
Hij vroeg: ‘Hoe zijn jullie dan gedoopt?’
‘Met de doop van Johannes’ , antwoordden ze.
Daarop zei Paulus: ‘Johannes doopte de mensen om hen een nieuw leven te laten
beginnen en zei tegen hen dat ze moesten geloven in degene die na hem kwam, in
Jezus.’
Toen ze dat gehoord hadden, lieten ze zich dopen in de naam van de Heer Jezus,
en toen Paulus hun de handen had opgelegd daalde de heilige Geest op hen neer,
zodat ze in klanktaal gingen spreken en profeteerden. De voltallige groep
bestond uit ongeveer twaalf mensen.
De volgende drie maanden ging hij regelmatig naar de synagoge, waar hij
vrijmoedig met de bezoekers sprak over het koninkrijk van God en hen met zijn
uiteenzettingen trachtte te overtuigen
Johannes de Doper was de voorloper van Jezus. Het doopsel dat hij toediende was een voorbereiding op de verkondiging van de Blijde Boodschap en de navolging van Jezus. Te Efeze ontmoet Paulus, lang na de dood van Jezus, enkele leerlingen van Johannes die Christus nog niet kennen. Ze zijn bereid christenen te worden en ontvangen de heilige Geest. Zoals te Jeruzalem gaat deze gave gepaard met een pinksterwonder.





