Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Matteüs
Matteüs
19, 13-15
De mensen brachten kinderen bij Jezus, ze wilden dat Hij hun de
handen zou opleggen en zou bidden.
Toen de leerlingen hen berispten, zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet
ze niet bij Mij te komen, want het Koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie
is zoals zij.’
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok Hij weer verder.
Uit menselijke bezorgdheid zonden de leerlingen een groep kinderen weg. Jezus wijst hen terecht. Hun overdreven menselijke zorg maakt het Hem onmogelijk te tonen waartoe Hij gekomen is. Het Rijk der hemelen is er voor de eenvoudigen en de armen. De kleinsten zijn hiervan het mooiste symbool.
'Belet de kinderen niet bij mij te komen.'
Het kan cliché klinken, maar het blijft een waarheid als een koe: onze kinderen zijn onze toekomst. En daar dragen wij, volwassenen, een grote verantwoordelijkheid in.
Wanneer onze kinderen het ouderlijk huis verlaten, kennen ze dan
Jezus ?
Gaan ze die wegen waar ze Hem steeds dieper kunnen leren kennen ?
Hebben ze zijn Woord mogen horen in hun jonge jaren in kerk en huiskring ?
Hebben ze mogen proeven van christelijk gemeenschapsleven ?
Hebben ze voorbeelden gezien van evangelisch engagement ?
Hebben ze leren onderscheid maken tussen goed en kwaad in het licht van het
evangelie ?
Hebben ze het verschil leren zien tussen Kerk met een grote K en kerk met een
kleine k ?
Hebben ze leren bidden, alléén en met anderen ?
Hebben ze geleerd te leven in het licht van de eeuwigheid ?
Psalmen 98:1
Matteüs
Matteüs
18, 15-20
'Als een van je broeders
of zusters tegen je zondigt, moet je die daarover onder vier ogen aanspreken.
Als ze luisteren, dan heb je ze voor de gemeente behouden. Luisteren ze niet,
neem dan een of twee anderen mee, zodat de zaak zijn beslag krijgt dankzij de
verklaring van ten minste twee getuigen. Als ze naar hen niet luisteren, leg
het dan voor aan de gemeente. Weigeren ze ook naar de gemeente te luisteren,
behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.
Ik verzeker jullie: al wat jullie op aarde bindend verklaren zal ook in de
hemel bindend zijn, en al wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel
ontbonden zijn.
Ik verzeker het jullie nogmaals: als twee van jullie hier op aarde eensgezind
om iets vragen, wat het ook is, dan zal mijn Vader in de hemel het voor hen
laten gebeuren. Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik
in hun midden
We hebben dikwijls de neiging wanneer we mensen iets verkeerds zien doen, dit al snel te gaan bespreken met anderen. Het zij uit behoefte om eens goed te roddelen, of - en dat is nog erger dan roddelen - uit lafheid omdat we het niet aandurven de persoon in kwestie aan te spreken, om welke reden ook. Jezus roept vandaag op dit laatste toch te doen. Naar de persoon toegaan dus. Niet om hem rond de oren te slaan, maar om hem vanuit een diepe liefde aan te spreken op zijn daden of woorden die in wezen zondig waren.
Dikwijls zijn we blind geworden voor de waarheid, of zijn we het kwade goed gaan noemen, en doen daardoor dingen die echt niet kunnen. We hebben het amper door. Iemand die dan de moed heeft om naar ons te komen om ons de ogen te openen, ons hart te openen voor wat het leven in werkelijkheid is, wel, zo'n iemand mag je een vriend noemen in de diepste zin van het woord. Ok, het kan even lastig zijn, maar wat die vriend komt doen is wel van wezensbelang.
Jezus roept op om zo met elkaar om te gaan. Dit vraagt moed, wijsheid, inzicht,... het vraagt liefde. Niet naar elkaar toegaan vanuit een starre bekeringsdrang. Nee, naar elkaar toegaan met de warmte van God, met zijn barmhartigheid, zijn vergevingsgezindheid, zijn goedheid. Da's niet makkelijk, maar wel doenbaar, daar we geschapen zijn naar zijn beeld en gelijkenis en dus geroepen zijn te zijn zoals Hij is.
Als de persoon naar wie we toegaan niet in staat is zijn hart te openen, mogen we er derden bijhalen. Das liefde die doorzet. Als je echt gemeend met iemand inzit laat je die niet zomaar los. Als je het alleen niet aankan roep je hulp in. Je kan het, bij wijze van spreken, niet verdragen, dat een verdwaald schaap steeds verder verloren loopt. Je zal heel je zijn voor hem inzetten.
Als dit nog niet helpt... ja... dan zij dat zo.
In dat geval kun je misschien alleen nog bidden, in Jezus naam, met twee of
meer, zoals Jezus het verdaag zegt. Vraag en je zal verkrijgen. Ons geloof is
klein wat dit laatste betreft. Ons gebed soms nog kleiner.
We kunnen het belang van het samen bidden niet genoeg onderlijnen. Het is een
zeer sterke en liefdevolle vorm van de zondaar tegemoet treden
Matteüs 18: 12-14
Matteüs 18: 12-14
12 Wat denken jullie? Als iemand honderd schapen bezit en een daarvan dwaalt af, zal hij er dan niet negenennegentig in de bergen achterlaten en op weg gaan om het afgedwaalde dier te zoeken? 13 Als het hem lukt het te vinden, dan zal hij zich, dat verzeker ik jullie, over dat ene meer verheugen dan over de negenennegentig andere die niet afgedwaald waren. 14 Zo is het ook bij jullie Vader in de hemel: hij wil niet dat een van deze geringen verloren gaat.
Alles concentreert zich op dat ene schaap, alsof de anderen gewoon niet bestaan voor de Herder. Misschien bekruipt iemand een gevoel van medelijden met die andere schapen, die negenennegentig, die nu niet zoveel aandacht krijgen. Toch is dat ten onrechte: wanneer ze hun Herder zich zo druk zien maken om dat ene weggelopen schaap, gaat er bij hen misschien een licht op: 'Dat zou Hij dus voor ieder van ons over hebben.' In de nood leer je je vriend kennen. In de nood van dat ene verloren schaap waarop alle zorg van de Herder zich concentreert, leren alle niet verdwaalde schapen hun Herder kennen, hoe Hij er altijd voor hen is. De noodsituatie haalt uit de Herder naar boven wat er altijd al in zat, maar wat pas dan geopenbaard wordt.
Aan ons om met het
hart van de Vader, in eenheid met de Zoon, hen te beminnen die vervreemd zijn
van God. We zijn immers beeld van God, en als God naar de van Hem vervreemde
kinderen toegaat
,
dan moeten wij dit ook. Maar zoals Hij: nederig, barmhartig, alles gevend,
liefdevol. Werk aan de winkel
-- Spreuken 18:20-21
1 Johannes 5:19-20
Jeremia 29:11
Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. -- Jeremia 29:11
Jesaja
Jesaja
27, 7-9
U effent het pad voor de rechtvaardige,
U baant voor hem een rechte weg.
Ook wij verlaten ons op U, Heer:
wij gaan de paden van uw recht.
Wij richten ons op uw Naam,
naar U gaat ons verlangen uit.
Reikhalzend kijk ik naar U uit,
zelfs s nachts verlang ik naar U
Johannes 18:37
Jesaja 41:13
Matteüs
Matteüs
14, 13-21
Toen Jezus het bericht
van de moord op Johannes vernomen had week Hij per boot uit naar een afgelegen
plaats waar Hij alleen kon zijn. Maar de mensen kwamen het te weten, en vanuit
de steden volgden ze Hem over land. Toen Hij uit de boot stapte en de grote
menigte zag, voelde Hij medelijden met hen en Hij genas hun zieken.
Bij het vallen van de avond kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: ‘Dit
is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen weg, laat ze naar de
dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen.’
Maar Jezus zei: ‘Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.’
Ze antwoordden Hem: ‘We hebben hier niets, alleen vijf broden en twee vissen.’
Hij zei: ‘Breng ze mij.’
En nadat Hij de mensen opdracht had gegeven op het gras te gaan zitten, nam Hij
de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het
zegengebed uit en brak de broden; Hij gaf ze aan de leerlingen, en de
leerlingen gaven ze door aan de mensen. Iedereen at en werd verzadigd, en toen
ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze twaalf manden vol.
Er hadden ongeveer vijfduizend man gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld.
Geven jullie hun maar te eten... zegt Jezus. Hij geeft zijn leerlingen de opdracht de mensen van voedsel te voorzien. Doch, het is wel degelijk Hij die het zegengebed uitspreekt en de enkele broden doet vermenigvuldigen om ze dan aan de leerlingen te geven om ze uit te delen.
Zo is God. Hij geeft de opdracht aan ieder van ons.
'Geeft gij de wereld maar te eten', zegt Hij tot ons. Dit mogen we gerust
letterlijk aanhoren, maar zeker ook spiritueel. Feit is, en daar gaat het hier
om: God is de opdrachtgever.
Doch kunnen wij de opdracht nooit tot voltooïng brengen wanneer we de
werkzaamheid van Jezus niet zouden toelaten. God geeft de opdracht, maar
tegelijkertijd geeft Hij, doorheen zijn Zoon, de genade om de opdracht te
kunnen vervullen.
Ons christenzijn zou altijd geënt moeten zijn op Jezus. Enkel vanuit Hem, in Hem en door Hem zullen we kunnen doen wat we te doen hebben. Wanneer we los van de Heer handelen is de kans groot dat onze 'werken' egoïstisch van aard worden, vol van eigenbelang, meer en meer verwijderd van de echte liefde. Wie in de Heer blijft, zal in de zuivere liefde blijven, vol van genade - zowel voor hem die liefheeft als voor hem die de liefde ontvangt
Efeziers 2:17-18
Psalmen 67:2-3
God, wees ons genadig en zegen ons, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen, dan zal men op aarde uw weg leren kennen, in heel de wereld uw reddende kracht. -- Psalmen 67:2-3
Jakobus 3:17
Spreuken 21:21
Wie rechtvaardigheid en trouw nastreeft, ontvangt leven, rechtvaardigheid en eer. -- Spreuken 21:21
Romeinen 8:38-39
Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer. -- Romeinen 8:38-39
Jesaja 40:28
Weet je het niet? Heb je het niet gehoord? Een eeuwige God is de HEER, schepper van de einden der aarde. Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput, zijn wijsheid is niet te doorgronden. -- Jesaja 40:28
mieke

mieke mantel
Matteüs
Matteüs
13, 16-
Jezus
sprak tot zijn leerlingen:
'Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! Want Ik
verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien
wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen,
maar ze kregen het niet te horen.'
'Gelukkig jullie ogen omdat ze zien, en jullie oren omdat ze horen! Want Ik verzeker jullie: vele profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar ze kregen het niet te zien, en te horen wat jullie horen, maar ze kregen het niet te horen.'
Inderdaad, vele geslachten voor de tijd van Jezus verlangden naar het Messiaanse tijdperk waarover zo dikwijls geprofeteerd werd door de profeten. De leerlingen, en velen met hen uit die dagen, mochten het allemaal van dichtbij meemaken. Wat een bijzondere tijd moet dat geweest zijn.
Wij zouden kunnen jaloers zijn op deze
mensen. Want wat zij mochten zien kunnen wij - sinds de hemelvaart van Jezus –
niet meer zien.
Maar het zou wel eens kunnen zijn dat Jezus ons dan zou berispen, zoals Hij dat
deed tot zijn leerlingen die niet konden geloven dat Hij iemand kon genezen:
‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet Ik nog bij
jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen?’ (Mt. 17, 17)
Wie kijkt met de ogen van de Geest , is in staat de Heer wel degelijk te zien. Toegegeven: anders dan vroeger, maar daarom niet minder reëel. Hij is even echt aanwezig in onszelf en de medemens dan in de tijd dat Hij lichamelijk rondliep toen met zijn leerlingen.
Wie Hem wil zien, Hem wil ontmoeten, van Hem wil ontvangen, moet kijken in zichzelf want daar woont Hij, wilt Hij ieder van ons in zich trekken. Ook in de medemens – elke medemens op aarde !
Nog een andere wijze van Jezus’ aanwezigheid is het Woord uit de Schrift. De Bijbel lezen is God beluisteren, het is een zeer diepe vorm van gebed. Doorheen het Woord raakt Jezus ons genadevol aan. Bedoeling is deze genade welkom te heten opdat ze ons kan leiden en omvormen tot die mensen die God met ons voorheeft. Geen makkelijke weg, maar rijk voor hen die arm zijn geworden van zichzelf.
Ook doorheen vele gebeurtenissen die op het eerste gezicht eerder toevallig lijken, is Jezus meer aanwezig dan we doorgaans denken. Maar daarvoor moeten we leren kijken met gelovige ogen, leren zien met een gelovig hart. Gelovig, in de zin van overgave aan het diepere van het gebeuren.
En dan hebben we nog de mysteries van geboorte en dood waarin God zich heel bijzonder toont.
En niet te vergeten de schoonheid van de schepping.
Enz enz…
Laat ons niet enkel bidden, maar laat ons gebed worden. We zullen zien wat zovelen voor de tijd van Jezus verlangden te zien.


