De Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen.
De Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen.
Toen de Here Jezus geboren werd, was er voor Hem geen plaats in de herberg; en toen Hij leefde, was er geen plaats waar Hij kon rusten. Aan het eind van Zijn leven werd duidelijk welke plaats de mensen wèl voor Hem over hadden: een kruis. Eigenlijk was dat niet Zíjn plaats, maar ònze plaats. Hij verdiende een troon, wij een kruis. Maar uit liefde vernederde de Heiland Zich tot onze plaats: Hij stierf aan het kruis, zodat wij verhoogd kunnen worden tot Zijn plaats. Ons wacht nu een troon. Wat een genade!
57 Terwijl ze hun weg vervolgden, zei iemand tegen hem: ‘Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.’ 58 Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ 59 Tegen een ander zei hij: ‘Volg mij!’ Maar deze zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’ 60 Jezus zei tegen hem: ‘Laat de doden hun doden begraven, maar ga jij op weg om het koninkrijk van God te verkondigen.’ 61 Weer een ander zei: ‘Ik zal u volgen, Heer, maar sta me toe dat ik eerst afscheid neem van mijn huisgenoten.’ 62 Jezus zei tegen hem: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.’
Luc.9:57-62





