Mijn Woorden


WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
Mijn Woorden

Johannes Calvijn
Op 10 juli 1509 werd, in het Noordfranse plaatje Noyon, Johannes Calvijn geboren. Zijn vader wenste dat hij priester zou worden, en wist het gedaan te krijgen als secretaris van de bisschop, dat zijn kinderen het huisonderwijs bij een adellijke famielie konden volgen. Bovendien kreeg Johannes door het toedoen van zijn vader een kerkelijke studiebeurs en de inkomsten van een kapelaansplaats. Zo kon Johannes Calvijn naar de universiteit van Parijs ter voorbereiding op de theologische studie. Toch ging Calvijn geen theologie studeren maar rechten in de stad Orleans. De oorzaak van deze plotselinge verandering lag in het feit dat zijn vader ruzie had gekregen met de geestelijken van Noyon. Na de dood van zijn vader keerde Calvijn in 1533 terug naar Parijs om letteren te gaan studeren. In Parijs vond er een grote verandering plaats in het zieleleven van Calvijn. Hoewel hij tijdens zijn studie wel met de ontluikende reformatie in aanraking geweest was, bleef hij aan de kerk trouw en koesterde hij grote bewondering voor het humanisme. Zo schreef hij een commentaar op het boek van de Romeinse schrijver Seneca en stuurde daarvan een exemplaar aan Erasmus. Maar na een \'plotselinge\' bekering brak hij met de Roomse kerk en bezocht hij de nachtelijke vergaderingen van de reformatorische Christenen, waar men het Woord van God en de geschriften van Luther onderzocht. Dit niet zonder gevaar voor eigen leven. Ook kwam hij in Parijs weer in kontakt met zijn vriend Nicolaas Cop. Deze was in 1531 tot rector benoemd van de Parijse universiteit. Van 1533 tot 1536 leidde Calvijn een zwervend bestaan. Zo vertoefde hij in Orleans, alwaar hij zijn eerste theologisch werk schreef. Dat handelde over de zieleslaap, een dwaling waarvan hij schreef dat die de blijvende gemeenschap van de gelovige met Christus loochende. In Bazel verzorgde Calvijn de eerste druk van zijn Institutie of \'onderwijzing in de christelijke godsdienst\'. Dit boek, dat hij in zijn leven vele malen heeft uitgebreid, werd het standaardwerk van de reformatie. Ook nam hij enige tijd de toevlucht tot hertogin Renata van Ferrara. Op haar kasteel was hij veilig, want hoewel zij de zuster was van de Franse koning Frans I, was zij de hervorming van harte toegedaan. Na een kort bezoek aan Parijs wilde Calvijn in 1536 via Geneve opnieuw zijn verblijf in Straatsburg zoeken, om daar rustig te kunnen studeren. Maar de bekende predikant Guillaume Farel zocht hem tijdens zijn verblijf in Geneve op en bezwoer hem in de stad te blijven. Geneve had zich weliswaar van de Roomse hertog van Savoye weten te onttrekken, maar de stad bleef goddeloos en de reformatie vond er veel tegenstand. Door indringende woorden wist Farel Calvijn te overtuigen, dat het een roeping Gods was de zaak van de hervorming in Geneve te dienen. Calvijn bewees zich al snel, want in oktober 1536 werd er in Lausanne een godsdienstgesprek gehouden met de roomse geestelijken. Daar stond Calvijn met zijn grote kennis van de kerkvaders Farel terzijde, zodat de tegenstanders het zwijgen werd opgelegd. Hierdoor sloten veel geestelijken zich bij de reformatie aan en enkele dagen later werd de hervorming in Lausanne ingevoerd. Ook in Geneve leek het met de reformatie voorspoedig te gaan. Het stadsbestuur aanvaardde allerlei artikelen over de kerkelijke tucht, de orde in de eredienst, het catechetisch onderwijs en de ondertekening van de belijdenisgeschriften door de burgerij. Maar de bevolking was tegen de uitvoering. Veel van hen wilde vrij en ongedwongen leven en geen rekening houden met het Woord van God. Toen in 1538 de tegenstanders van Calvijn de meerderheid haalde binnen het stadsbestuur, werden Calvijn en Farel uit de stad verbannen. Farel ging naar Neuchatel en Calvijn gaf gehoor aan de roepstem van Martin Bucer, de hervormer van Straatsburg om zich daar te vestigen. De periode in Straatsburg kunnen we omschrijven als één van de gelukkigste periodes uit Calvijns leven. Hij verkeerde daar in een Franse vluchtelingen gemeente temidden van zijn landgenoten. Ook leerde hij daar Idelette de Bure kennen, de vrouw met wie hij in het huwelijk trad. Tevens verzorgde hij in Straatsburg de tweede druk van de Institutie, en begon hij hier met een Bijbel- commentaar. Dit laatste kwam voort uit zijn arbeid als docent aan de universiteit. Slechts drie jaar heeft hij in Straatsburg gewoond. Nadien heeft hij de herderstaf in Geneve weer opgenomen. Geneve dreigde aan de bandeloosheid ten onder te gaan. De roomse kerk zag haar kans schoon en liet kardinaal Sadoletus een brief aan de stad sturen om haar weer terug te brengen onder de macht van Rome. Ook Calvijn had kennis genomen van deze openbare brief en doorzag de bedoeling. Toch moest Farel hem er weer toe brengen om naar Geneve te gaan. Calvijn schreef bij deze gelegenheid aan zijn vriend, deze woorden: \"Ik breng mijn hart de Heere ten offer.\" Toen Calvijn in Geneve terugkeerde, repte hij met geen woord over alles wat men hem aangedaan had. In zijn prediking ging hij verder bij de tekst waar hij gebleven was. Zo vatte hij de draad van zijn werk na drie jaar weer op. In overleg met de raad van Geneve voerde Calvijn een nieuwe kerkorde in. Daarin was bepaald, dat de kerk de tucht uitoefende over het gedrag van de burgers, terwijl in moeilijke gevallen de staat steun zou bieden. Zo beteugelden kerk en staat samen de losbandigheid, ondanks de tegenstand van de libertijnen, die vrij en ongebonden wilden leven. Maar langzamerhand werd die tegenstand minderen de positie van de calvinisten sterker. Dat kwam doordat veel protestantse vluchtelingen uit allerlei landen van Europa zich in Geneve vestigden. In 1555 werd de gemeenteraad in hoofdzaak calvinistisch. Er brak toen een periode van rust aan. In 1559 stichtte Calvijn in Geneve een academie om jonge predikanten op te leiden. Zijn jonge vriend en latere opvolger Theodorus Beza werd de eerste rector daarvan. Uit geheel Europa kwamen jonge mannen naar Geneve om te studeren, waarna zij naar hun volk terugkeerden om het Woord van God te prediken. Zo heeft de Heere door de dienst van bijvoorbeeld John Knox, Marnix van St. Aldegonde en Caspar Olevianus, de zuivere leer over grote delen van Europa willen verspreiden. In 1562 verscheen in Geneve een bundel berijmde psalmen, geschikt om door de gemeente gezongen te worden. Reeds in Straatsburg had Calvijn het belang van een goede psalmbundel ingezien. Hij was toen zelf aan het berijmen gegaan. Eenmaal terug in Geneve droeg hij dit werk over aan Marot en Beza, terwijl hij Louis Bourgeois en Maitre Pierre verzocht de bijbehorende muziek te verzorgen. Dat Calvijn de kerk een volledig psalmboek gegeven heeft, bewijst dat hij ook voor het kerklied alleen van Gods Woord wilde uitgaan. In 1564 ging de gezondheidstoestand van Calvijn snel achteruit. Prediken kon hij niet meer, maar hij kon als zijn vrienden hem ondersteunden de kerk nog wel bezoeken. In de maand april nam hij vanaf zijn sterfbed afscheid van al zijn vrienden en dicteerde hij zijn testament. In zijn laatste dagen sprak hij dikwijls de woorden van Psalm 39:10 \"Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.\" Het door hem steeds centraal gestelde leerstuk van Gods soevereiniteit beleed hij daarmee ook ten aanzien van zijn eigen leven. Op 27 mei 1564 overleed Johannes Calvijn. Zijn levenskaars was reeds op 54-jarige leeftijd opgebrand in de dienst des Heeren.
EEN SLECHTE VERTEGENWOORDIGER.
Maarten Luther

VERANDERD
ALS EEN PAAL BOVEN WATER
\"Het staat als een paal boven water.\"
\'M\'n kop er af als het niet waar is.\'
\'Zo zeker als twee maal twee vier is.\'
\"Het kan niet missen\"
\'Je kunt er van op aan\'
Dit soort uitspraken heeft een klank
Van zekerheid. De sprekers weten
Waarover ze praten, of ze willen ten-
Minste die Indruk wekken.
Zekerheid Is Iets waar we allemaal naar
Verlangen. Niets is erger dan onzeker-
heid. Iemand kan soms zo radeloos zijn
dat zelfs het vernemen van slecht
Nieuws een opluchting voor hem is.
Dat is hem liever dan onzekerheid.
Toekomst
Toch Is er vreemd genoeg een facet
Van het leven waarover veel mensen
Zich zonder problemen in het onzekere
Houden; men berust vrij kalm in die
Onzekerheid.
Dit facet is de toekomst - niet de
Directe toekomst, maar het leven na de
Dood.
Vaak genoeg gaat men dan schermen
Met begrippen als \'hiernamaals\', of
Andere nietszeggende frasen, omdat
Juist het ontbreken van een definitie
De mensen op hun gemak stelt.
Hoe de bijbel erover «spreekt...
Maar Gods Woord spreekt er anders
Over
“Het is de mensen beschikt eenmaal te
sterven en daarna net oordeel”
Dat Is duidelijke taal.
We moeten verantwoording voor God
afleggen over wat we met ons leven
gedaan hebben. Maar Is dat reden om
bang te zijn? Nee !
Jezus zegt:
“ Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen
zeker niet verloren gaan.”)
Dit is zekerheid!
Als u besluit Jezus in uw leven toe te
laten, zal Hij voortaan voor u zorgen
en zult u nooit verloren gaan.
Hier staat tegenover dat als u weigert
dit te doen, een andere zekerheid voor
u geldt:
“Wie aan de Zoon ongehoorzaam is
zal het leven niet zien, maar de toorn
van God blijft op hem.”)
U kunt gerust doorgaan met een zor-
geloos leventje leiden: thuis, op kan-
toor of werkplaats, op \'t strand, bij een
kansspel, of waar dan ook. Toch rust
de toorn van God op uw leven, omdat
u \'nee\' zegt tegen Jezus.
Welke zekerheid kiest u?
Welke zekerheid zal uw leven beheersen?
De zekerheid te weten dat u Eeuwig leven hebt door uw geloof In
Jezus Christus, óf de zekerheid dat de toorn van God op uw leven rust
en u eens door Hem geoordeeld zult worden,
omdat u Zijn Losprijs voor u genegeerd hebt?
U moet een beslissing nemen om tot zekerheid te komen.
Doe dat dan nu
Hebreeen 9:27 Johannes 10:28 1 johannes 3:36
PLANEETJE
waar toch de goede weg is...
Het is de Heer.
TWEEDE PAASDAG
Niemand van Jezus\' volgelingen had erop gerekend Hij was in `het graf gelegd; de steen was ervoor gerold, de Romeinen hadden het graf verzegeld, kortom: het was afgelopen: Jezus was er niet meer Zonder Hem.moesten zij verder. Dat deden ze ook, maar met heel veel moeite en met een groot gemis.,Simon Petrus neemt een kloek besluit: `Zoek maar uit wat jullie doen; ik ga vissen!\' En de anderen gaan, bij gebrek aan iets zinvollers, met hem mee. Ze hadden kunnen: weten dat ze niet ter visvangst, maar ter mensenvangst moesten uittrekkern. De Heer zal hen verrassend op het goede pad brengen:
Joh, 21:1-14
In de houding van de discipelen, herkennen
wij onszelf. Moet dat stelletje de wereld bekend maken met de goede boodschap? Een onmogelijke onderneming ! Nadat ze geloofd hebben in een levende Heer, die voor hun zonden stierf en uit de dood weer opstond, pakken ze hun oude levenspatroon weer op en
vervolgen ze hun weg, alsof Christus niet in hun leven is gekomen. Ze \'stappen weer aan boord\' en varen uit, totdat.:. Ja, totdat ze opeens aan de oever van hun leven iemand ontdekken die hen opwekt zich af te vragen wat de `vangst\' van al hun gezwoeg is; en waarvoor en voor wie ze eigenlijk leven. Dat, kan een ommekeer betekenen. De discipelen waren uitgevaren om vis te vangen, maar ze vingen pas vis na de instructie van hun Meester te hebben opgevolgd, en toen ze aan land kwamen stond het warme eten al op tafel: vis, (die zij niet gevangen hadden) én brood Daarna werden ze uitgestuurd om mensen te vangen. Wat een stimulans om vandaag te ontdekken dat Jezus staat te roepen aan de oever van je leven!
Het teken van Jona
Mieke MANTEL
VERSCHIJNINGEN LUCAS 24:13--48
Zij hebben mijn Heer weggenomen
Joh. 20:13
1. EERSTE PAASDAG
Vanaf de eerste keer dat ze bij het graf was
geweest, is ze met die ene vraag bezig geweest:
\'Waar hebben ze mijn Heer gelaten?\' Huilend
zocht ze een antwoord op die ene vraag: \'Waar
Is Hij\' Opnieuw inspecteert zij het graf, zonder
Te schrikken van de twee engelen die zij daar
ontdekt. Na haar antwoord gaat ze gewoon
door met haar inspectie. Haar ogen zochten het
voorwerp van haar hart, het aller-kostbaarste,
waarvan alleen nog maar, dacht zij, het dode
lichaam van Jezus als tastbare herinnering was
overgebleven.
Wat een onverdraaglijke pijn! Wat een gemis.
Herkende Maria Hem niet vanwege haar tranen?
Toen Jezus haar naam noemde, klonk die stem
haar als muziek in de oren. Wat is er schoner,
wanneer het gemis en het verdriet je naar de
keel grijpt, je naam te horen noemen door Hem
die je het meest dierbaar is? Wanneer ze zijn
stem herkent, wordt ze compleet verrast. Maria
kan maar een woord bedenken, een woord dat
nauwelijks nog werd gebruikt, maar die uitdruk-
king geeft aan haar diepe genegenheid voor de
Meester: Rabboenie. Het is een vergrootwoord
van het algemeen gebruikte Rabbi (• \'mijn gro-
te\' dat is: mijn Heer). Vrij vertaald: \'Mijn grote
Heer.\' Oneindig groot is Hij die stierf, maar de
dood overwon en nu levend voor haar staat,
vóór haar!
Ook vandaag wil de opgestane en levende Heer
bij je langskomen en jouw naam noemen, om
je te laten weten dat Hij je kent en liefheeft en
je graag wil verlossen uit de macht van de dood
en de satan, net als Maria, bij wie Hij zeven boze
geesten hadden uitgedreven.
KOM TOT MIJ!
... Het is volbracht!
Johannes 19: 28-30
Jezus heeft in Getsemané ten volle begrepen wat voor een enorme zware opdracht Hij de komende uren op Zich zou moeten nemen: Hij alleen kon de wereld redden uit de klauwen van de satan. Als Hij zou falen was de wereld jammerlijk verloren. Nu is de lijdensweg bijna ten einde en heeft Jezus de bespottingen, de geselingen, het verraad, de intense pijn en zelfs drie uren duisternis en totale Godverlatenheid gedragen. Hij weet dat Hij alle aanvallen van satan heeft weerstaan. \'Het is volbracht.\' Gods doel is bereikt.
Dit is de belangrijkste gebeurtenis uit de geschiedenis van de mensheid. Hier heeft Jezus de verbroken relatie tussen mens en God weer hersteld, de weg geopend naar de eeuwigheid! Hier schittert een nieuwe toekomst!
Weg met Hem, laat ons Barabbas los....
Luk.23:19
GOEDE VRIJDAG
Wat betekent een naam? Je zult maar 'zoon van
de vader' heten. Elke man is toch een zoon van
zijn vader? Toch was er iemand met die naam.
Maar dan in het Hebreeuws. De naam van een
oproerkraaier. Bovendien heeft hij een moord
begaan. Bar Abbas heet hij en hij zit in de
gevangenis achter slot en grendel.
Buiten de muren van de kerker is meer lawaai
dan anders. Het straatrumoer dringt naar bin-
nen. Een rel soms? Hoort hij zijn naam roepen?
Hij Is uiterst gespannen. Elk woord wil hij ver-
staan.
Dan zwelt het geluid weer aan. Hij hoort het nu
duidelijk: laat Bar Abbas los, kruist Hem, kruist
Hem. Laat Bar Abbas los.' Daarna verstomt het
rumoer. Het wordt stil. Soldaten rennen af en
aan. Bar Abbas vraagt zich af wat dat allemaal te
betekenen heeft. Dan opeens zwaait de kerker-
deur open. De cipier vcrschijnt in de deurope-
'ning. Ruw verwijdert hij de boeien waaraan Bar
Abbas is vastgeklonken. De cipier snauwt hem
toe: 'Je bent vrij, want een ander zal in jouw
plaats hangen!' 'Wie?', vraagt Bar Abbas. Jezus',
antwoordt de cipier, 'Hij beweert dat God zijn
Vader Is. Hij draagt jouw naam als bijnaam:
zoon van de Vader ? Wel merkwaardig, vind je
niet?' De Zoon van de Vader (Jezus) sterft in de
plaats van de zoon van de vader (Bar Abbas), de
rebel en moordenaar. Na zijn vrijlating Is hij
misschien met de schare naar Golgotha gegaan.
Slechts één gedachte moet hem bezield hebben,
toen hij Jezus zag hangen: Hij sterft In mijn
plaats. Daar had Ik moeten hangen. Hij neemt
mijn plaats In. Ik mag leven ! Ongelooflijk,
onvergetelijk!
Goede VrijdagMattheüs 27, Goede Vrijdag
1 Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks, te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.
2 En Hem gebonden hebbende, leidden zij [Hem] weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.
3 Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren [penningen] den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,
4 Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons [dat] aan? Gij moogt toezien.
5 En als hij de zilveren [penningen] in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde [zichzelven].
6 En de overpriesters, de zilveren [penningen] nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.
7 En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.
8 Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.
9 Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren [penningen] genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israels, Denwelken zij gewaardeerd hebben;
10 En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.
11 En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.
12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
13 Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele [zaken] zij tegen U getuigen?
14 Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
15 En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welke zij wilden.
16 En zij hadden toen een welbekende gevangene, genaamd Bar-abbas.
17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
18 Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.
19 En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb [toch] niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.
20 Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.
21 En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welke van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.
22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen [met] Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
23 Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!
24 Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veelmeer [dat er] oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare: zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
25 En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed [kome] over ons, en over onze kinderen!
26 Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
27 Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis en vergaderden over Hem de ganse bende.
28 En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
29 En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten [die] op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter[hand]; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
30 En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
31 En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.
32 En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.
33 En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,
34 Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij [dien] gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
35 Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.
36 En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
37 En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.
38 Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linker[zijde].
39 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden,
40 En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.
41 En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeen, [Hem] bespottende, zeiden:
42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen, Indien Hij de koning Israels is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.
43 Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem [wel] wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
44 En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.
45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
46 En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTANI! dat is: Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten!
47 En sommigen van die daar stonden, [zulks] horende, zeiden: Deze roept Elias.
48 En terstond een van hen [toe]lopende, nam een spons, en [die] met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.
49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om Hem te verlossen.
50 En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.
51 En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden;
52 En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt;
53 En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.
54 En de hoofdman over honderd en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon!
55 En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galilea, om Hem te dienen.
56 Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeus.
57 En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
58 Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat [hem] het lichaam gegeven zou worden.
59 En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad;
60 En legde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen [tegen] de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.
KASPLANTENKASPLANTEN
Sommige christenen lijken op kasplanten. Als de temperatuur en de vochtigheid van de lucht maar goed is, gedijen
ze goed. Als er maar bijzondere samenkomsten zijn, een goede spreker, een mooi zangkoor of een muziekgroep,
een afwisselende dienst, dan zijn ze er bij, dan zijn ze blij en enthousiast. Maar als alles zijn gewone gang gaat, als er
geen bijzondere dingen gebeuren, als ze geen bijzondere zegen ontvangen, als ze zelf verantwoordelijkheid moeten
dragen, dan blijven ze liever thuis, of ze gaan op zoek naar iets anders, naar iets beters, naar iets dat hun meer
aanspreekt. 2 Timotheüs 4: 3 spreekt over zulke mensen. Wij, christenen, moeten geen kasplanten worden, maar
planten die buiten staan, bij goed en slecht weer, bij droogte en regen, bij kou en bij hitte. Dan gaan onze wortels
diep in de grond, dan zijn we bestand tegen wind, kou en regen.We moeten wat ons geestelijk leven betreft niet te
afhankelijk worden van mensen. We moeten \'ons eigen pak dragen\' (gal.5: 5). Dat wil zeggen dat we voor onszelf
verantwoordelijk zijn; wij kunnen ons niet verschuilen achter mensen, wat zij doen en wat zij zeggen.
Oorsprong van PasenOorsprong van Pasen
Het ontstaan van Pasen heeft weinig met hazen en eieren te maken maar des te meer met de oude Egyptenaren. Of liever gezegd: met een joodse baby die als volwassen man voor een keerpunt in de geschiedenis zou zorgen. Mozes, want over die man gaat het, wordt als baby gevonden door de dochter van de Egyptische farao. Hij wordt grootgebracht binnen de koninklijke familie, maar moet vluchten wanneer hij bij het verdedigen van een (joodse) slaaf een Egyptenaar doodt.
BEVRIJDING UIT DE SLAVERNIJ
Mozes krijgt vervolgens van God de opdracht zijn volk, de joden, te bevrijden van de eeuwenlange onderdrukking door de Egyptenaren. Met hulp van God, die als waarschuwing vele rampen en plagen laat plaatsvinden, laten de Egyptenaren tenslotte het joodse volk gaan. De Israëlieten vieren deze bevrijding uit de slavernij nog elk jaar met het vieren van het paasfeest. Hierbij worden lammetjes geslacht en speciale broden gegeten.
GOEDE VRIJDAG
De joodse geschiedenis blijft zijn stempel op Pasen drukken. Enkele eeuwen later, in dezelfde tijd van het jaar, wordt Jezus namelijk gearresteerd. Judas, één van zijn leerlingen heeft hem aangewezen als de Koning der Joden. Op de vrijdag voor het paasfeest wordt Jezus voorgeleid voor de hogepriesters. Zij veroordelen hem tot de kruisdood. Deze vrijdag is bekend als Goede Vrijdag en staat, ondanks de misleidende naam, in het teken van droefheid. Het lijden van Jezus en zijn opoffering voor de mensheid worden herdacht.
WEDEROPSTANDING
Gelukkig heeft dit verhaal een feestelijker vervolg. Wanneer de volgelingen van Christus enige dagen na de kruisiging het lichaam van Jezus willen balsemen, treffen zij zijn graf leeg aan. Hij is uit de dood opgestaan. Met Pasen wordt sindsdien door Christenen de wederopstanding van Jezus gevierd.
Jezus

TE DRUK! (SLOT)
TE DRUK! (SLOT)
\'Zorg dat in de tijdschriften en op de tv slanke
fotomodellen te zien zijn, zodat de mannen zul-
len gaan geloven dat uiterlijke schoonheid het
belangrijkste is en ze niet langer tevreden zullen
zijn met hun eigen vrouw. Zorg dat vrouwen te
moe zijn om hun mannen lief te hebben. Maak
mannen veeleisend. Zo zal er al snel niet veel
van hun gezinnen overblijven.
Zorg ervoor dat ze zo druk zijn dat ze geen tijd
meer hebben om de natuur in te gaan en over
Gods schepping na te denken. Stuur ze inplaats
daarvan maar naar pretparken, sportwedstrijden,
speeltuinen, concerten en flms. Hou ze bezig,
bezig, bezig, bezig, bezig! En als ze dan toch nog
In hun kerken komen, zorg er dan voor dat ze
zich zullen bezighouden met roddel en onzinnig
gepraat, zodat ze met een bezwaard hart naar
huis zullen gaan.\' Dat was een strak plan !
De demonen gingen aan het werk. Ze zorgden
ervoor dat de christenen het overal verschrik-
kelijk druk kregen en voortdurend overal naar
toe moesten. Ze verloren daarmee hun tijd voor
God en voor hun gezin. Ze hadden geen tijd
meer om anderen over Gods redding in de Heer
Jezus te gaan vertellen.
De vraag aan u is nu: is de duivel In zijn plan
geslaagd? U mag zelf oordelen !