U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
De laatste dag van het jaar. We gaan elkaar straks aan het slot van de dag een gelukkig 2010 toewensen. Voordat we verder gaan, staan we stil. Echt de tijd stilzetten gaat natuurlijk niet. De tijdsloop van eeuwigheid gaat als een voortdurende stroom verder. Maar wat is het goed om te weten dat God Zich op ieder punt van die stroom bevindt. Hij is het begin en het einde, de Alfa en Omega, de eerste en de laatste. En in alles wat daartussenin ligt, is Hij de Aanwezige, de Ik-Ben-Er. Niet alleen dat Hij er is, maar veel meer: met heel zijn wezen is Hij op ons gericht.
Je leeft maar één keer. Je kunt er maar éénmaal wat van maken, en wat heb je nu eigenlijk voor een tijdsspanne tot je beschikking? Mozes, de godsman die de dichter was van deze psalm, is zelf honderdtwintig geworden, maar zijn statistisch optimisme is hier nog niet zo groot: zeventig, tachtig jaar. Iemand van zeventig die sterft - daar schrikken we van, die was écht jong. Tachtig is iets wat ons nauwelijks extra blij en trots maakt, in onze West-Europese maatschappij van het begin van de eenentwintigste eeuw.
Maar dat is het punt niet. De tijd, kort of lang, staat tegenover de eeuwigheid. Zelfs duizend jaar zijn in de ogen van de Eeuwige als de dag van gisteren die voorbij is. In vergelijking met Hem zijn we allemaal als grassprietjes, die in de opkomende zonnewarmte zomaar verdwijnen. Hij alleen is de Levende, degene die is en beweegt, en in wie wij leven en zijn en bewegen.
Daarom is zo'n oudejaarsdag zo gek nog niet. Even stilstaan bij onze eigen kleinheid, en bij de grootheid van God. Straks mag je je agenda weer oppakken, maar leg 'm nu maar even aan de kant. Huiveren in eerbied voor de Heer, en je laten bemoedigen en vertroosten door zijn levende kracht.
Wij zijn als adem, U was er altijd,
Heer van de eeuwen, God van de tijd.
Wij zijn hier even, U bent voor eeuwig,
heersend met liefde en majesteit.