Hij gaat het verlorene na totdat hij het vindt.
1 Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. 2 Maar zowel de Farizeeën als de Schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ 3 Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: 4 ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders 6 en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” 7 Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.
Deze gelijkenis van het verloren schaap gaat natuurlijk in feite over de liefde van de Heer Jezus. Hij is verontrust over iemand die steeds verder van God afdwaalt en tenslotte zal omkomen. Daarom gaat Hij op zoek. Niet naar mensen die zichzelf best goed vinden, maar naar hen, die door anderen al afgeschreven zijn. Het gaat hier in deze gelijkenis vooral om de eigenschappen van de Herder. Hij is namelijk de goede Herder. Hij blijft zoeken, net zolang tot dat Hij het schaap vindt. Dan neemt Hij verheugd het schaap op zijn schouders en brengt het veilig thuis. Zo draagt de Heer Jezus een gevonden mens en brengt hem eens veilig in het hemels Vaderhuis. En er is blijdschap bij God over iedere zondaar die zich bekeert. Kent u die liefde en interesse in u van de Heer?




