Archief
Matteüs
Matteüs
19, 23-30
Jezus wendde zich tot
zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke
het koninkrijk van de hemel binnengaan. Ik zeg het jullie nog eens: het is
gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor
een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan.’
Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er
dan nog gered worden?’
Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij
God is alles mogelijk.’
Daarop vroeg Petrus: ‘Wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Waar
kunnen wij naar uitzien?’
Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles
vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit zal zetelen op zijn
troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op de twaalf tronen
en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël. En ieder die broers of
zusters, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten
omwille van mijn Naam, zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het
eeuwige leven. Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de
eersten.’
Vaak zijn mensen zo bezeten van hun bezit dat ze de eigenlijke waarden van het leven niet meer zien; zij gaan aan het echte leven en aan God voorbij.
De beroemde Russische schrijver Tolstoi vertelt over een arme
boer die denkt geluk te hebben. Want een rijke landeigenaar belooft hem zoveel
grond te geven als hij binnen een dag al lopend kan afleggen. Op één
voorwaarde: hij moet voor de zon ondergaat, terug zijn aan het beginpunt. De
boer gaat vol goede moed op weg.
Hoe harder hij loopt, des te meer land zal hij hebben. Dromend over zijn nieuwe
rijkdom stapt hij steeds sneller, en voortdurend kijkt hij naar de stand van de
zon, want hij moet terug zijn voordat die ondergaat. De kring die hij loopt,
wordt steeds groter: hier nog dit stuk land, daar nog om dat water heen, en
ginds dat bos nog. Wanneer het avond wordt, is hij bekaf, en hij moet rennen om
op tijd terug te zijn. Het lukt hem. Zwetend over zijn hele lijf, totaal
uitgeput en denkend hoe rijk hij nu is, valt hij neer en sterft ter plekke. Wat
hem aan grond overblijft, zijn de twee vierkante meter waarin hij begraven
wordt.
Het is een verhaal dat ons allemaal een beetje aangaat, ons,
rijke westerlingen, die met al onze overvloed, het zicht op de werkelijke
levenswaarden vaak kwijt zijn. Doe dat wat je bezit en gevangen houdt, weg,
zegt Jezus tegen alle rijke mensen.
Want de waarde van elke mens ligt niet in wat hij heeft, maar in wie hij is.
Niet in wat hij bezit, niet in zijn status, titel of inkomen. Er hebben in
concentratiekampen mensen gezeten aan wie alles ontnomen was, die totaal
ontluisterd leken, maar wier innerlijke waardigheid onaangetast bleef.
Veel dingen doen in onze dagen een aanslag op onze persoonlijkheid. Nogal wat mensen zijn zichzelf kwijt, en zijn aangeklede, rijk versierde poppen soms, zonder diepgang. Echte levenswijsheid is hun vreemd. En de schuld van zo'n leeg leven is dikwijls het geld.
'Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan'. Is Jezus tegen rijkdom en voor armoede? Nee, zeker niet. Maar Hij gunt de hongerigen brood, en de rijken honger naar gerechtigheid.
-- Jesaja 6:1-3
Matteüs
Matteüs
19, 13-15
De mensen brachten kinderen bij Jezus, ze wilden dat Hij hun de
handen zou opleggen en zou bidden.
Toen de leerlingen hen berispten, zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet
ze niet bij Mij te komen, want het Koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie
is zoals zij.’
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok Hij weer verder.
Uit menselijke bezorgdheid zonden de leerlingen een groep kinderen weg. Jezus wijst hen terecht. Hun overdreven menselijke zorg maakt het Hem onmogelijk te tonen waartoe Hij gekomen is. Het Rijk der hemelen is er voor de eenvoudigen en de armen. De kleinsten zijn hiervan het mooiste symbool.
'Belet de kinderen niet bij mij te komen.'
Het kan cliché klinken, maar het blijft een waarheid als een koe: onze kinderen zijn onze toekomst. En daar dragen wij, volwassenen, een grote verantwoordelijkheid in.
Wanneer onze kinderen het ouderlijk huis verlaten, kennen ze dan
Jezus ?
Gaan ze die wegen waar ze Hem steeds dieper kunnen leren kennen ?
Hebben ze zijn Woord mogen horen in hun jonge jaren in kerk en huiskring ?
Hebben ze mogen proeven van christelijk gemeenschapsleven ?
Hebben ze voorbeelden gezien van evangelisch engagement ?
Hebben ze leren onderscheid maken tussen goed en kwaad in het licht van het
evangelie ?
Hebben ze het verschil leren zien tussen Kerk met een grote K en kerk met een
kleine k ?
Hebben ze leren bidden, alléén en met anderen ?
Hebben ze geleerd te leven in het licht van de eeuwigheid ?
Psalmen 98:1
Matteüs
Matteüs
18, 15-20
'Als een van je broeders
of zusters tegen je zondigt, moet je die daarover onder vier ogen aanspreken.
Als ze luisteren, dan heb je ze voor de gemeente behouden. Luisteren ze niet,
neem dan een of twee anderen mee, zodat de zaak zijn beslag krijgt dankzij de
verklaring van ten minste twee getuigen. Als ze naar hen niet luisteren, leg
het dan voor aan de gemeente. Weigeren ze ook naar de gemeente te luisteren,
behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.
Ik verzeker jullie: al wat jullie op aarde bindend verklaren zal ook in de
hemel bindend zijn, en al wat jullie op aarde ontbinden zal ook in de hemel
ontbonden zijn.
Ik verzeker het jullie nogmaals: als twee van jullie hier op aarde eensgezind
om iets vragen, wat het ook is, dan zal mijn Vader in de hemel het voor hen
laten gebeuren. Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik
in hun midden
We hebben dikwijls de neiging wanneer we mensen iets verkeerds zien doen, dit al snel te gaan bespreken met anderen. Het zij uit behoefte om eens goed te roddelen, of - en dat is nog erger dan roddelen - uit lafheid omdat we het niet aandurven de persoon in kwestie aan te spreken, om welke reden ook. Jezus roept vandaag op dit laatste toch te doen. Naar de persoon toegaan dus. Niet om hem rond de oren te slaan, maar om hem vanuit een diepe liefde aan te spreken op zijn daden of woorden die in wezen zondig waren.
Dikwijls zijn we blind geworden voor de waarheid, of zijn we het kwade goed gaan noemen, en doen daardoor dingen die echt niet kunnen. We hebben het amper door. Iemand die dan de moed heeft om naar ons te komen om ons de ogen te openen, ons hart te openen voor wat het leven in werkelijkheid is, wel, zo'n iemand mag je een vriend noemen in de diepste zin van het woord. Ok, het kan even lastig zijn, maar wat die vriend komt doen is wel van wezensbelang.
Jezus roept op om zo met elkaar om te gaan. Dit vraagt moed, wijsheid, inzicht,... het vraagt liefde. Niet naar elkaar toegaan vanuit een starre bekeringsdrang. Nee, naar elkaar toegaan met de warmte van God, met zijn barmhartigheid, zijn vergevingsgezindheid, zijn goedheid. Da's niet makkelijk, maar wel doenbaar, daar we geschapen zijn naar zijn beeld en gelijkenis en dus geroepen zijn te zijn zoals Hij is.
Als de persoon naar wie we toegaan niet in staat is zijn hart te openen, mogen we er derden bijhalen. Das liefde die doorzet. Als je echt gemeend met iemand inzit laat je die niet zomaar los. Als je het alleen niet aankan roep je hulp in. Je kan het, bij wijze van spreken, niet verdragen, dat een verdwaald schaap steeds verder verloren loopt. Je zal heel je zijn voor hem inzetten.
Als dit nog niet helpt... ja... dan zij dat zo.
In dat geval kun je misschien alleen nog bidden, in Jezus naam, met twee of
meer, zoals Jezus het verdaag zegt. Vraag en je zal verkrijgen. Ons geloof is
klein wat dit laatste betreft. Ons gebed soms nog kleiner.
We kunnen het belang van het samen bidden niet genoeg onderlijnen. Het is een
zeer sterke en liefdevolle vorm van de zondaar tegemoet treden
Matteüs 18: 12-14
Matteüs 18: 12-14
12 Wat denken jullie? Als iemand honderd schapen bezit en een daarvan dwaalt af, zal hij er dan niet negenennegentig in de bergen achterlaten en op weg gaan om het afgedwaalde dier te zoeken? 13 Als het hem lukt het te vinden, dan zal hij zich, dat verzeker ik jullie, over dat ene meer verheugen dan over de negenennegentig andere die niet afgedwaald waren. 14 Zo is het ook bij jullie Vader in de hemel: hij wil niet dat een van deze geringen verloren gaat.
Alles concentreert zich op dat ene schaap, alsof de anderen gewoon niet bestaan voor de Herder. Misschien bekruipt iemand een gevoel van medelijden met die andere schapen, die negenennegentig, die nu niet zoveel aandacht krijgen. Toch is dat ten onrechte: wanneer ze hun Herder zich zo druk zien maken om dat ene weggelopen schaap, gaat er bij hen misschien een licht op: 'Dat zou Hij dus voor ieder van ons over hebben.' In de nood leer je je vriend kennen. In de nood van dat ene verloren schaap waarop alle zorg van de Herder zich concentreert, leren alle niet verdwaalde schapen hun Herder kennen, hoe Hij er altijd voor hen is. De noodsituatie haalt uit de Herder naar boven wat er altijd al in zat, maar wat pas dan geopenbaard wordt.
Aan ons om met het
hart van de Vader, in eenheid met de Zoon, hen te beminnen die vervreemd zijn
van God. We zijn immers beeld van God, en als God naar de van Hem vervreemde
kinderen toegaat
,
dan moeten wij dit ook. Maar zoals Hij: nederig, barmhartig, alles gevend,
liefdevol. Werk aan de winkel
-- Spreuken 18:20-21
1 Johannes 5:19-20
Jeremia 29:11
Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. -- Jeremia 29:11


