Flandria cross 50 cc




Flandria cross 50 cc



Greeves Hawkstone (Peter Heinen (Ned.)








Jan De Rooy / Peter Herlings (Ned)
Gerard Vogels kwam in een oud clubblaadje van de Royal Nord club, waar hij al jaren lid van is, een artikel tegen met foto waar ook de piepjonge Jan De Rooy op staat tezamen met het Royal Nord 50 cc team.
Jan De Rooy is de man die ook vele Dakar rally's reed in de vrachtwagenklasse en deze hadden aanzienelijk meer power dan de 50 cc waarmee hij begon.
(of de onderstaande oproep nog relevant is weet ik niet, maar wie iets weet kan altijd reageren via de blog) 

waar staat Jan De Rooy ? ( Jan De Rooy staat uiterst links met het nr 76 : info Jim Fierant, Ned)
---------------------------------------------------------------------------------------------
---------------------------------------------------------------------------------------------
uit het Gemerts Nieuwsblad van 26 januari 2010, een bijlage uit de oude doos over de toen nog jonge crosser Peter Herlings
waar staat Peter Herlings ?
foto's en info: Gerard Vogels
Flandria 50 cc Cross
Charles Claes
Steve McQueen

Jozef Valy(U vergist zich met de greeves van jozef valy dit is een cotton
Mvrgr
Noud van der aa)
nieuwjaarswensen
Adler (Guus Priem: Australië) 1






Adler (Guus Priem: Australië) 2








Adler (Guus Priem: Australië) 3






motorcrossboeken

Guus Priem (Ned)

Jan Clijnkop 18 november verscheen in het "Eindhovens dagblad" het levensverhaal van motorcrosslegende Jan Clijnk, het is geschreven door Erwin Blatter met de "voortreffelijke" hulp, zoals hij zelf zegt, van oa Peter Rietman en Peter Van Hassel die Jan van dichtbij meemaakten.
van Gerard Vogels uit het Nederlandse Aarle-Rixtel kreeg ik het ingescande krantenartikel met foto doorgemaild, waarvoor onze dank.
‘Onze Jan lag vooraan of hij lag eraf’
Motorcrosser Jan Clijnk won in 1956 als eerste Nederlander een Grand Prix. Twintig jaar na zijn dood is het Atoomkanon van Helmond nog niet vergeten. „Onze Jan was een motorkunstenaar.”
door Erwin Blatter
Zijn naam wordt genoemd in het lied ‘De motorcross is O.H.I.O.’ van Normaal en in de Helmondse sportgalerie hangt zijn foto naast die van de broertjes Van de Kerkhof en Willy van der Kuijlen. Motorcrosser Jan Clijnk (1930-1989) was in de jaren vijftig een begrip. En niet alleen in Helmond: zijn faam reikte tot buiten de landsgrenzen. Hij kreeg eens een brief uit het buitenland waarop niets anders stond dan "Jan Clijnk, motorcrosser ", zegt broer Anton (78). Die kwam dus gewoon aan.
Op 13 mei 1956 vestigde Clijnk definitief zijn naam. Die zondag won hij in Schijndel als eerste Nederlander een Grand Prix. In de 500 cc nog wel, de koningsklasse. Zoals altijd had zijn start hem in een goede uitgangspositie gebracht. Clijnk was vermaard om zijn flitsende starts. Ze leverden hem de bijnaam "het Atoomkanon van Helmond" op. Onze Jan kende geen tweede en derde plaatsen, zegt broer Anton. Hij lag vooraan of hij lag eraf, want inhouden deed-ie nooit. Dat is hem wel eens funest geworden.
Zoals die keer dat Clijnk zo hard van zijn BSA kukelde dat zijn hele onderrug in het gips moest. Hij kreeg een soort korset om. Na een week heeft hij het losgeknipt, omdat hij weer wilde rijden.
Jan Clijnk, geboren op 25 maart 1930, was de oudste uit een gezin van negen kinderen. Kort na de Tweede Wereldoorlog beëindigde hij zijn timmermansopleiding om als monteur in de motorzaak van Piet Reijnders in Eindhoven te gaan werken.
Nadat hij de Triumph-legermotor van zijn vader tot crosser had omgebouwd, maakte Clijnk in 1947 zijn motorcrossdebuut op een baantje bij de Sint Jozef-speeltuin in Helmond. Hij reed er prompt naar de overwinning.
Voor zijn volgende wedstrijd had hij zich aangesloten bij de Rooms Katholieke Zuid Nederlandse Motorsport Bond (RKZNMB). Hij verscheen op de (toenmalige) sintelbaan van Nuenen, maar die race verliep allesbehalve vlekkeloos. Niet alleen had Clijnk een slechte start, na een paar ronden brak zijn gaskabel.
Opgeven was er niet bij voor de krachtmens uit Helmond. Vastbesloten de race uit te rijden, greep hij onder de tank van zijn motor de kabel vast en gaf er een snok aan: zo kon hij toch nog gas geven. Schuin op zijn motor hangend en met één hand aan het stuur reed hij naar de overwinning. Zijn reputatie van nietsontziende en spectaculaire rijder was geboren. „Toen was het lek boven, hoor. Hij wilde niks anders meer dan crossen. Onze Jan werd heel populair. In Sint Anthonis viel hij eens van zijn motor, toen ging de helft van het publiek naar huis.”
Clijnk was zo succesvol dat hij het niveau van de zuidelijke bond al gauw ontgroeide. In 1952 stapte hij over naar de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging (KNMV). Bij de ‘grote’ bond moest de onverschrokken Helmonder het opnemen tegen koene klasbakken als Frans Baudoin, Broer Dirkx en Hennie Rietman. Dat waren gelouterde kerels met bergen internationale ervaring, maar Clijnk, via Norton inmiddels overgestapt op een BSA, had daar geen ontzag voor. Stoïcijns en kordaat als altijd reed hij zijn wedstrijden, vast van plan ze te winnen.
De motorcross bracht hem in landen als België, Engeland, Duitsland, Frankrijk en Italië. Daar was tenminste geld te verdienen met de sport. „Jan zat vaak maanden in het buitenland, dan belde zijn moeder ongerust op. Had-ie weken niks van zich laten horen”, zegt Ad Jansen (72). De Gerwenaar reed vroeger wedstrijden met Clijnk. „Jans rijstijl was zuiver geënt op snelheid en spektakel. En hij reed heel gemakkelijk. Hij wist heel goed wanneer hij het gas moest dichtdraaien. Maar Jan trainde nooit, dat verrekte hij gewoon. Als hij dat wel had gedaan, was hij wereldkampioen geworden. Zeker weten. Hij was ontzettend getalenteerd.”
Zoals Clijnk reed, stond hij ook in het leven: vastberaden, onverstoorbaar en onverschrokken. Clijnk was volgens zijn broer Anton een ‘heel typische figuur’. Jansen noemt Clijnk ‘niet sociaal’, ‘snel aangebrand’ en ‘een beetje over het paard getild’. „Hij voelde zich superieur. Dat straalde hij ook uit. En Jan had lange tenen, maaide wel eens tegen-oe aan als je niet oppaste. ‘Stom geboren en niks bijgeleerd’ zei hij vaak als hij met iemand in discussie was. Maar Jan was echt niet zo’n kwaaie als sommige mensen wel dachten.”
Een ongeluk op het motorcrosscircuit van Oisterwijk in 1951 had Clijnks reputatie geen goed gedaan. Theo Aben uit Sint Anthonis was met Clijnk in aanraking gekomen waarop beiden van de baan vlogen. Aben knalde met zijn hoofd tegen een boom en overleed ter plekke. Jansen bestrijdt dat Clijnk schuld had aan Abens dood. „Dat ongeluk gebeurde in het heetst van de strijd. Dit pakte helaas verkeerd uit. Er werd gezegd dat Jan hem expres van de baan zou hebben gereden, maar zo stak hij niet in elkaar. Ik ken ook niemand die een hekel aan hem had.”
Omdat Clijnk meestal in het buitenland was, had hij in 1964 bijna geen races om het Nederlands kampioenschap gereden. En in degene die hij wel reed, viel hij uit. Aan het eind van het seizoen had hij geen punten en Clijnk raakte zijn internationale startbewijs kwijt. De KNMV, niet ongevoelig voor alles wat Clijnk voor de Nederlandse motorcross had betekend, wilde hem begin 1965 zijn vertrouwde H3-nummer teruggeven. Onder één voorwaarde: dat hij in Gemert bij de eerste NK-wedstrijd hoog zou eindigen. De Helmonder viel uit en de bond was onverbiddelijk: die hield Clijnks internationale startnummer op zak. De gevallen held besloot terstond dat hij ‘geen meter’ meer zou rijden. „Hij had altijd geleefd als een god in Frankrijk”, zegt broer Anton, „maar meer dan motorcrossen kon hij niet. Na zijn carrière had hij eigenlijk nog niets.”
Gedesillusioneerd ging Clijnk in de kroeg van zijn schoonouders werken. Zijn ‘nieuwe’ leven bleek maar voor even. Betsy Crousen, met wie Clijnk in 1964 was getrouwd, kreeg kanker en overleed op 2 mei 1966. Zijn schoonmoeder, die de losbandige Helmonder nooit had geaccepteerd als de man van haar dochter, zette hem prompt op straat. „De dood van Betsy betekende een kentering in zijn leven”, herinnert Jansen zich. „Hij voelde zich buitengesloten en raakte aan de drank.” Broer Anton: „We hebben hem jarenlang proberen te helpen, maar niets hielp.”
Clijnk werd nog opgenomen in de Nijmeegse afkickkliniek Dekkerswald. Die behandeling hielp niet en Clijnk belandde eenzaam en verlaten in Den Herd in Helmond, een opvangcentrum voor daklozen. Daar overleed hij op 26 mei 1989 aan een hartaanval.
Jan Clijnk op zijn vertrouwde BSA Goldstar (foto: Peter Rietman)
foto uit het "Eindhovens dagblad" toegezonden door Gerard Vogels
fragment van het artikel uit het "Eindhovens dagblad" toegezonden door Gerard Vogels, op de foto zien we vlnr: Piet Van Den Oever, Jan Clijnk, Hennie Rietman en Frans Baudoin die onlangs is overleden
Cees Griekspoor

Frans Matton


Robert Smessaert (9)
In 1959 en 1960 reed mijn vader opnieuw bij de BLB ( de Belgische Liefhebbersbond ), waar hij op 26 mei 1960 ( op Hemelvaartdag ) in de cross te Gistel ( bij Oostende ) is verongelukt.
Hij was vlak voor een bocht in een karrespoor blijven hangen en gevallen, zijn been zat onder zijn machine en terwijl hij half opgericht zijn machine wat wou lichten om zijn been er vanonder te krijgen is een zekere Octaaf Martens in volle snelheid in zijn rug gereden, met het gevolg dat zijn beide longen doorboord werden door zijn ribben. Dokters waren toendertijd nog niet aanwezig op het terrein.
Hij is afgevoerd met een brandweercamion naar een dokter in Gistel waar men de vaststelling deed van de doorboorde longen en vervolgens met een ambulance naar Gent overgebracht waar hij in de Instituut Moderne ongeveer 4 uur na het ongeval is overleden.
Het jaar voordien had hij in het voorjaar in de motocross in Gemert (Nederland) bij een uitschuiver tegen een boom zijn knieschijf
gebroken waardoor hij 8 weken uit wedstrijd was, wat hem dan had doen besluiten dat 1960 zijn laatste crossjaar zou worden hetgeen het uiteindelijk geworden is doch met een fatale afloop.
René Baeten is 9 dagen na mijn vader verongelukt in de Cross van de Gelaagputten van Stekene.
In de motocross is het een zeldzaamheid dat crossers verongelukken, er worden wel veel kwetsuren of breuken opgelopen, maar 2 dodelijke ongevallen kort na elkaar was een uitzondering.
Mijn vader heeft een sleutelbeenbreuk, een beenbreuk, een knieschijf gebroken, 2 ribben gebroken en nog diverse andere kleinere kwetsuren opgelopen tijdens zijn 13 jarige cross-loopbaan en is dan uiteindelijk verongelukt.



het overzicht van Robert Smessaert kwam tot stand dank zij de medewerking van zijn zoon Roland Smessaert
Robert Smessaert (8)



Robert Smessaert (7)
Ik meen me te herinneren dat de zelf gekochte crossmachine, de BSA Goldstar 500cc, van 1959 ongeveer 65.000 BF koste en er nog diverse aanpassingen door ons zelf moesten uitgevoerd worden om ze als volwaardige aangepaste crossmachine te kunnen gebruiken.
Wel 2 of 3 crossen nadien was de kader gebroken en is door mijn vader zelf gans de moto gedemonteerd en heeft hij een nieuwe in het rood geschilderde kader gemonteerd.
Ho ja nog iets, na de cross moesten de renners of toch deze die in de prijzen vielen, samenkomen in een afgesproken café en daar werden dan de prijzen kontant uitbetaald
De bedoeling was dat ik zou beginnen crossen als mijn vader zou stoppen, daarom oefende ik reeds met zijn machine en had ik zelf een omgebouwde baanmoto Novy 200 cc die meeging naar de cross en waar diverse crosserszonen enkele ronden reden onder de aanmoedigingen van hun vaders, dit gebeurde nadat het publiek van het crossparcours weg was.
In die tijd mocht men voor zijn 18de niet crossen omdat de verzekering voor de crosser en de verzekering van de organisator voor het publiek onbetaalbaar waren of niet kon.
De crossers hadden dan ook geen ongevallenverzekering in die tijd( te grote risico's en onbetaalbaar).
Door het ongeval van mijn vader is er van mijn crossdebuut niets geworden.
Robert Smessaert hier in aktie op de Tiegem berg in 1959 met de nieuw aangekochte Goldstar
deze foto is genomen juist voor een valpartij (zie volgende foto's)
Tiegem 1959, de valpartij, machines en piloten door elkaar, als je goed kijkt dan zie je Robert Smessaert als 2de van links liggen, zijn helm is hij in de val verloren, maar voor Robert was dat niet echt een probleem (zie volgende foto)
Tiegem 1959, terug op de BSA, de witte valhelm werd blijkbaar niet direct teruggevonden en Smessaert zette de cross verder zonder valhelm !!! 
in 1959 werd er een 2de prijs gereden op de Catsberg in het Noorden van Frankrijk, op de foto zien we trouwe supporter Van Daele op de Goldstar 500 , links de vrouw van Van Daele en zijn oudste zoon, rechts Robert Smessaert, die zoals het in zijn natuur lag, de mensen vaak deed lachen.
Mettet 1959, vlnr: Robert Smessaert, de vrouw van Dolf De smet, Dolf De Smet op de BSA, Van Daele en de zoon van Robert Smessaert, Roland, die ons 50 jaar later deze reeks prachtige foto's bezorgde met tekst en uitleg.
aan de startlijn tijdens een cross ergens in Frankrijk in 1959, Robert Smessaert staat naast zijn BSA met het nr 32
tijdens de cross in het Franse Ronquieres 1959, Van Daele op de motor en Robert rechts, wie zou de piloot in het midden zijn ??? 
eveneens in 1959 te Ronquieres, Robert rechts in een diepgaand gesprek met piloten en mekaniekers 
hier zien we Robert Smessaert met het 21 op de Goldstar 500 en dat wil zeggen dat we in het jaar1960 zijn beland, een noodlottig jaar voor de motorsport, want dat jaar verongelukt Robert tijdens een cross te Gistel (bij Oostende) ook ikzelf was als 10 jarige aanwezig tijdens deze cross maar kan me de details niet echt meer herinneren.

Foto's en info: Roland Smessaert
wordt vervolgd
Robert Smessaert (6)
Roland Smessaert schrijft:
Als ik over indertijd spreek, bedoel ik de jaren 1950 tot 1960, waar ik het meeste van afweet, en waar ik van mijn 7 tot mijn 17 jaar het crossgebeuren heb meegemaakt.
Indertijd werd de crossmachine vervoerd op een aanhangwagen en werd er als er de zondag een wedstrijd was in de andere hoek van België of in het buitenland de zaterdag reeds vertrokken en campeerde men s'avonds in de tent met de harde kern van supporters of verzorger op het cross-terein, om s'anderdaags fris te zijn voor de cross.
Naar een verre cross rijden was steeds een avontuur, de slechte wegen en de meeste crossers reden toen met occasie-wagens (defecten) en de beperkte financiele middelen maakten er een echt avontuur van.
De crossers reden toen in gewone broek of soms met een lederen rijbroek, in hemd met de hemdsmouwen opgerold als het te warm was, zonder handschoenen, met lederen laarsen uit de amerikaanse stock en een helm uit kurk








