travestiet

Misschien hebt u wel eens iemand ontmoet die de behoefte heeft kleding van het andere geslacht te dragen.
Het is ook mogelijk dat uzelf of uw partner deze behoefte voelt. In dat geval is het goed dat u weet dat er een werkgroep is speciaal voor echtparen en mensen die een (langdurige) relatie hebben en waar deze behoefte een (mogelijk storende) rol speelt.
Travestie, wat is dat eigenlijk?
Wij bedoelen niet de travestie die bekend is uit de showwereld en het theater, maar een geaardheid die hoofdzakelijk bij mannen voorkomt. De travestiet is een normale man, die een niet te ontkennen behoefte heeft om van tijd tot tijd vrouwenkleren te dragen, maar zich desondanks man blijft voelen.
Dit in tegenstelling tot een transseksueel, die de nadrukkelijke wens heeft van geslacht te willen veranderen.
De travestiebehoefte is er, is niet te verklaren en gaat niet over, hoe graag een travestiet dat misschien ook zou willen en hoe intensief hij zijn best daarvoor doet.
Een travestiet schaamt zich in eerste instantie voor zijn geaardheid en zwijgt, omdat hij weet en voelt dat travestievoor velen een taboe is. Hij is bang voor afkeurende reacties van de maatschappij, van familie, vrienden en collega's. Hij kan gebukt gaan onder schuldgevoelens. De ervaring wijst uit dat travestie ook in een relatie vaak lang wordt verzwegen.
Als vrouwen van de travestiebehoefte van hun partner horen of het plotseling ontdekken, komt hun leven soms van de éne op de andere dag op losse schroeven te staan. Hun relatie lijkt in duigen te vallen. Eindeloze gesprekken tot diep in de nacht zijn vaak het gevolg.
Gevoelens van angst, machteloosheid, schuld, boosheid, wanhoop en jaloezie spelen hierbij een rol. Verwijten zijn er over en weer. Beide partners voelen zich in de steek gelaten door de ander.
Als men ten langen leste besluit hulp te zoeken, blijkt dat er nauwelijks een plaats is waar men terecht kan en dat er weinig literatuur over deze geaardheid voorhanden is.




Het percentage ouders dat hulp inschakelt, is nog steeds laag: 35%. Het is zelfs iets gedaald in vergelijking met 2002. Wie hulp zoekt, gaat meestal naar de huisarts (41%). De ouders die hulp zoeken, zijn in meerderheid meer tevreden dan voorheen: 71% versus 59% in 2002. Ouders die niet tevreden waren, gaven als voornaamste reden dat het bedplassen niet ophield. Opvallend is verder dat een op de zeven ouders van de huidige bedplassers die een hulpverlener inschakelen, weer zonder hulp naar huis wordt gestuurd. 

