|

Wie vaak een wandeling maakt in de stad en het Heldenplein passeert, zal wellicht al meerdere keren gezien hebben dat er regelmatig ‘hangouderen’ vertoeven op een bankje aan de kerk. Meermaals heb ik me al afgevraagd wat die zowat alle dagen te vertellen hebben… Ik had al enkele keren de intentie gehad om op die mensen af te stappen en eens te luisteren waarover hun gesprekken handelden. Telkens was er iets dat mij weerhield… Zouden ze het wel appreciëren? Wensten zij wel enige ‘inmenging’?...
Vorige week stapte ik dan toch op de bewuste bank af… Er waren slechts twee ‘bankzitters’. Ik deed alsof ik reeds een lange wandeling had gemaakt en vroeg beleefd of het niet stoorde als ik me even neerpootte… Prompt kwam het antwoord in het onvervalste dialect: “Mènneke, zètj â mor néir, die bangk is ier van alleman, nowô”… Ik bedankte en plaatste mij in zo een houding dat ik niet de indruk gaf hen te willen storen… Het gesprek ging over iemand die vorige week was begraven… Ik hoorde dat ‘hij’ al meerdere jaren door de dokter enige beperkingen was opgelegd, maar zich daar lang niet aan hield. Ze hadden echter wat meer volk verwacht op ‘zijn’ uitvaart. Opeens kwam een derde man het duo vervoegen en het gesprek nam een andere wending. Ik vernam dat de laatste tijd weinig vis werd gevangen op de Brusselse Forten en leerde dat ‘te veel voederen’ een voorname oorzaak was. Mijn aandacht werd getrokken door een fietser die het Heldenplein kruiste, richting ‘bank’… Ik maakte aanstalten om recht te staan, maar degene die enkele minuten geleden was gearriveerd, liet mij weten dat ik kon blijven zitten. De fietser moest zijn stalen ros maar als zitje gebruiken… Weer veranderde het gespreksonderwerp… Het stadsbestuur kreeg ervan langs… “Die-j-onnuëzelait d’r op de Gruëte Mèrt van diën ambetanterik van den tèllevies mè zam brilleken op, dâ kost miër as vier miljoen! Alléi nog in den aa frang ouitgeréikent, nowô!”… Uit het gesprek bleek dat geen van de vier één enkele keer zal aanwezig zijn tijdens de uitzendingen van Villa Vanthilt… “Doër èmme z’on ’t stat ammel sènge véir,” was een repliek. “Wètje’t nog in den tait dâ me koitsjtege ier in ’t Zwaibéik, dâ m’n achter ginne frang moeste vroëge!”… “Ammel ni dik in moeke, want ’t bring toch ni-j-op,” reageerde de fietser…
Ik besloot om mijn wandeling af te maken, groette het gezelschap en stapte verder… Ik had nochtans gedacht dat ik daar interessantere zaken zou hebben opgevangen… Enfin, het gaf me enige voldoening dat er toch nog een beetje sociaal contact bestaat.

26-05-2011 om 07:59
geschreven door JP 
|