Het lied van de liefde
zie in slingerende beekjes
gevallen bladeren passeren
eens waren zij de glorie
aan de eeuwige moederboom
de herfst echter fluistert zacht
jij, blad, je bent mooi
doch laat al stromend
de voorbijganger je eenvoud vereren
drijf mee er wordt op je gewacht
je zult rietstengels
aan kronkelige oevers ontdekken
zij wuiven je toe als van nature
zien in jou de echte liefde
van vele volmaakte
voorbije dagen en uren
ze zullen ergens opnieuw
leven uit dood verwekken
vertel de hengelaar
die naar jou durft te kijken
over de schoonheid van een rups
kruipend op weg naar vlinderrijken
hoe gering ook van aard
uit zijn kleurenpracht
zal de volmaakte schepping blijken
zie je ergens
bij welke waterlelie dan ook
mijn ziel verpozen
vertel dan nog eens
dat ook ik ben uitverkozen



