foto

foto
Het lied van de liefde (2)ik leef in de nadagen,
dagen erna
na wat dan
zijn dat laatste uren
avondrood van kleur
grafsteenzwart van geur
soms kan je dat niemand vragen
immers zovelen
zie ik nu pas
in zichzelf turen
zal het zijn voor even
met pappenheimers omgeven
of plant ik nieuwe stekken
zeker ik ben bedreven in overleven
maar is mijn aarde vruchtbaar genoeg
zijn de wortels niet te moe
wil ik nog het water uit mensen zeven
mensen mensen wat mag je wensen
de benen verstijven
de buik zo belegen rond
waarin duistere pijnen verblijven
en
is de geest niet aan eeuwigheid toe
ik vraag me dat af met gal in de mond
niet dat ik steigerplanken verzamel
ook die zijn ruig behaard met splinters
gekromd getuigen zij van zware lasten
niet aanlokkelijk in de koude des winters
*
ik zie twee grote ogen
guitig, nog niet bedrogen
wat een kolder
lijken ze te zeggen
kom mee opa,
dan spelen we
verstoppertje op zolder
Het lied van de liefdezie in slingerende beekjes
gevallen bladeren passeren
eens waren zij de glorie
aan de eeuwige moederboom
de herfst echter fluistert zacht
jij, blad, je bent mooi
doch laat al stromend
de voorbijganger je eenvoud vereren
drijf mee er wordt op je gewacht
je zult rietstengels
aan kronkelige oevers ontdekken
zij wuiven je toe als van nature
zien in jou de echte liefde
van vele volmaakte
voorbije dagen en uren
ze zullen ergens opnieuw
leven uit dood verwekken
vertel de hengelaar
die naar jou durft te kijken
over de schoonheid van een rups
kruipend op weg naar vlinderrijken
hoe gering ook van aard
uit zijn kleurenpracht
zal de volmaakte schepping blijken
zie je ergens
bij welke waterlelie dan ook
mijn ziel verpozen
vertel dan nog eens
dat ook ik ben uitverkozen
Als leven even stoktik verblijf vandaag in een cel
niet dat deuren gesloten waren
of dat er iets is met de voordeurbel
neen, zit de ganse dag met gesloten ogen
vanuit mijn stoel te staren
het is zo'n dag waar het leven niet wil
waar niets er toe doet of misschien wel
maar in en buiten mijzelf blijft het stil
het is een verdichting waarover ik vertel
vaak gaat een reeks indrukken er aan vooraf
gestuurd door een wijde of geringe omgeving
die verblijven dan later, zoals vandaag,
in een gesloten graf
ongevoelig voor ruis of nog sterker,
een aardbeving
het is de ingreep van het lijf door de geest
tot hier zegt de adem van het leven
er is een grens, daar ben je overheen geweest
maar het schept allengs weer ruimte om te geven
Indië, mijn gerouwde liefdeik hoor krekels
ver weg van mijn moeder
ben gebogen door tijd
van rijst en heimwee
voel de achterzijde
van mijn ziel
waar vroege warmte
de nachtelijke tranen droogt
beelden van heden
leven rond om mij
in hout en klanken
in kussens
nog op de grond
van toen
ik ruik de avondzwoele dessa
van zweet en onze kruiden
ook de hitte van de leegte
in mijn hart
de kris is van vader
hangt in leer aan
de wand
die ook na mijn slaap,
en wanneer dagdroom ik niet,
er is,
als schild
en verbindt met
de gerouwde liefde van ginder
ik word geleefd
door gedachten die moeten
onophoudelijk,
met onze glimlach eigen
mijn donkere trots blijft
als ik de aarde mis
daar, over zee
Mijn eigenwaardeik ben klein van stuk
met slappe spieren
die mijn buik verdragen
mijn geest, traag van doen,
verstrooid bij vlagen
wil altijd plagen
om toch nog wat
kermis in mijn ziel te vieren
de kin is geworden
tot een eenheid met
mijn dikke nek
alleen bij nat scheren
vertoont deze kwetsbare plek
nog enige rek
ik ben geboren met te korte benen
en door de blondjes van heden,
toch bakens in de ouderdom,
word ik als grotesk gemeden
bij tijd en wijle word ik aanbeden
door mijn hond
ook van korte stelten voorzien
met een te lange rug en een babyface
is hij gelijk zijn baasje
houdt van kantklare brokken
zoals ik me van een magnetron bedien
ik hoor wat minder goed
schreeuwen opa's in mijn oor
ja, zeg ik, dat is gekomen
toen ik mijn eigenwaarde verloor
het was op een zondagmorgen
ik trapte in de poep
was onderweg ter kerke
met een rolleke snoep
voor het godshuis
riep een moeder met tien keinder
"ge stinkt een uur in de wind"
heb me toen vlug achter
een rododendron verborgen
wil niet dat al het passerend zwart
mij zo ziet
ik was daar niet de enige
er werd door een zondig koppeltje
hevig doch geluidarm bemind
ja, in het aanschijn van de liefde
en de stank van mijn sandalen
verloor ik de hoop op morgen
kroop verder over de stoffige aarde
zeg nu zelf
wie behoudt dan nog zijn waarde
De kluizenaarzonder zijn lippen te bewegen
vertelt de kluizenaar mij;
je bent een vrij mens
neen, niet zonder zorgen of pijn
loslaten kent geen eb of vloed
doch verlaat zich op een ander getij
het is haast een gebed zonder end
het draagt zaad
dat lijkt te sterven in de nacht
of wordt voortdurend
in eenzaamheid gebaad
ik ben aan mijzelf gebonden
in stilte
ver van aanwezigheid
ook ik raak daar niet aan gewend
het blijft hongeren naar geluk
dat mij vaak schemerig verraadt
ja, ik ben vrij
maar iedere keuze is slechts
in het ongekende bekend
mijn ziel is daarom, denk ik,
slechts met overgave gebaat
zo is de weg naar liefde
die mijn komende oogst belicht
en mijn aardse verwarring
voorgoed achter zich laat
De waan van het bestaande schemering
oogverblindend is vaak de waarheid
doofstom, tot dromen toe bereid
hoeveel huizen zijn er al ingestort
eer de oerschreeuw werd gehoord
de dageraad
pak wat stenen van het grindpad
in niet verklaarbare vormen gevat
een wereld op zich met vele kanten
net als ik of mijn hoogbejaarde tante
De gevallen zoeteals stilte toeneemt
in mijn lege huis
hoor ik vaak sterker
de verre zilte wind;
alsof de zee je wegspoelt
met wat koude kant geruis
zodra ik de hoek om ga
zo lijkt
wordt mijn kleed begraven
in schuld en boete
zo lijkt
ik mag mezelf aan tranen laven
als een gevallen zoete
dood verschijnt uit leven;
het aardse niet vreemd
maar door geboorte van schemering
raakt ieder weldenkend mens
van volheid ontheemd
foto
Roosde witte roos
buigt naar mij
ben ik licht
waarnaar zij
hoopvol uitziet
of
de witte roos
buigt naar mij
ben ik het licht
waarop zij richt
Ik, broer van mijn moederje komt me morgen toch halen hè
vraagt ze zacht doch met dringende ogen
als ze merkt dat ik haar verlaat
natuurlijk, morgen om tien uur ben ik er
het bezoek aan haar duurt een eeuwigheid
maar met veel genegenheid over dat ene gepraat
ik mag toch wel een paar dagen
naar vader en moeder
dat vinden zij toch wel goed
natuurlijk, ik zou niet weten waarom niet
hoe laat kom je dan
men hoeft het hier toch niet te weten
een paar dagen
wat zegt vader er van
ja, die vindt het goed
ha fijn dat je mij komt halen
morgen hè
ze heeft een ogenblik goede moed
wat zit je haar zo vreemd
is dat mode
ik ken je niet zo
weet moeder al dat ik kom
en Klaas
daar ben ik toch een koppel mee
die zie ik nooit
ja, vader is een echte baas
hoe gaat het met hem
mag ik nu ......
neen, zeg ik, morgen
goh wat fijn dat je er bent
*
ze leeft heden
in het verleden
ben van zoon
broer geworden
zij ziet om naar morgen
maar die zit in mijn
leugen verborgen
Kind van de rekeningsoms wil ik schrijven over mijn gevoel
het komt ooit niet verder als denken
of alleen praten hoe ik mijzelf bedoel
immers je wilt zo graag delen
en aan ieder jezelf schenken
maar als sluimerende pijn
van de ander niet wordt gehoord
en ik enkel op eigen schaduw ben gericht
dan raakt het geven en nemen verstoord
worden wezenlijke banden ontwricht
Een vroege uitlaatin het vroege licht
zie ik enkel juuts lange arm
geeft dat mij nu
een tevreden gevoel
of ervaar ik de koelte
het is immers al dagen
voor mij te warm
de lijn van mijn kruising
laat ik vieren
zo vroeg wil ik niet
een bon versieren
bij de voordeur
zet ik een stoel
Op witte lakenstoen jij mij in de schemering zag
ontdekte je dan wie ik was
plooide je gezicht een lach
terwijl je mijn diepe dromen las
of nam je meer de schaduw waar,
daar nodigt de maan vaak toe uit,
stokte je tong als naakt gebaar
en hoorde je enkel mijn ademgeluid
verhaalde de nacht niet van overgave
kwetsbaar over lakens uitgespreid
terwijl mijn lippen zich aan zout deden laven;
was je wel op deze sprakeloosheid voorbereid
Ik zweetde wind waait warme lucht
aangedreven door groene stroom
het is draaiend chroom
dat op stand twee in mijn gezicht zucht
dichters kennen dan een trage gang
waarin een voor hen onbekend verschijnsel optreedt
dat in mensentermen meestal transpireren heet
zichtbaar bij een overmatige inspanningsdrang
een gevoel van geluk maak ik mij eigen
dit maatschappelijk bewijs van presteren
mag ik nu zelf even in de praktijk vereren
zoute druppels doen de eigenwaarde stijgen
Wij, die ik ook benmijn witte dressoir
draagt mijn zelfportret
in bruine pij
zonder aangezicht
waar ter hoogte van de heup
de rozenkrans hangt
zonder poseren
ben ik als heremiet neergezet
het is een deel van mijzelf
al in den beginne toebedeeld
vroeg was ik reeds ontaard
van huis naar huis
wellicht door mystici
fluisterend aan mij verklaard
werd gedwongen
nog onbewust
in de kindertijd
te vereenzamen
een ongeschreven wet
haast opgedrongen
maar het is niet anders
als de weg die ik moet gaan
om mijzelf in alleenzaamheid
te bekwamen
ook nu weer uit een
aards verbond getreden
de mens eigen
en uit behoefte gekozen
ook meermaals uitgestoten
tijdens de reis
het was niet meer dan
bij herhaling ontdoen
van versleten doeken
het schijnt een vrije keus
maar die ken ik enkel
uit de schepping verklarende
gedragen heilige boeken
nu ben ik weer in de dood
om mijn ogen te verliezen
het snoert de mond
en dooft vertrouwd geluid
de cirkel lijkt haast rond
ik kijk nog eens naar het beeld
het hoofd gebogen,
blik naar binnengericht
het is de mens
die daar staat
in deemoedige gestalte
op weg naar zichzelf
alleen
zonder eenzaamheid
de weg is lang
niet gekend
tot het zicht
uiteindelijk versterft
tot onstoffelijke
gemeenzaamheid
foto
La morte-saison 5 ( slot )wrijvend
over een tere huid
verdrijft zij de tijd
nu en dan plukkend
aan het overjarig
Perzisch tapijt
terwijl de regulateur
onzichtbare zuchten
ritmisch begeleidt
La morte-saison 4ken haar al jaren
iedere morgen kijkt zij
tussen gordijnen
als pilaren
naar mijn open raam
ziet ze mij staan
of staart zij
naar een verte
met oude aarde
in gedachten
bij het vallen
van de avond
sluit ze buiten uit
wellicht om pijn
te verzachten