Naar de inhoud

Julius V.E. Dreyfsandt zu Schlamm : Gedichten 7

seniorennet.beseniorennet.be

Roos

 

de witte roos
buigt naar mij

ben ik licht
waarnaar zij
hoopvol uitziet



of

de witte roos
buigt naar mij

ben ik het licht
waarop zij richt

Ik, broer van mijn moeder

 

je komt me morgen toch halen hè
vraagt ze zacht doch met dringende ogen
als ze merkt dat ik haar verlaat

natuurlijk, morgen om tien uur ben ik er

het bezoek aan haar duurt een eeuwigheid
maar met veel genegenheid over dat ene gepraat

ik mag toch wel een paar dagen
naar vader en moeder
dat vinden zij toch wel goed

natuurlijk, ik zou niet weten waarom niet

hoe laat kom je dan
men hoeft het hier toch niet te weten
een paar dagen
wat zegt vader er van

ja, die vindt het goed

ha fijn dat je mij komt halen
morgen hè
ze heeft een ogenblik goede moed

wat zit je haar zo vreemd
is dat mode
ik ken je niet zo
weet moeder al dat ik kom
en Klaas
daar ben ik toch een koppel mee
die zie ik nooit

ja, vader is een echte baas
hoe gaat het met hem

mag ik nu ......

neen, zeg ik, morgen

goh wat fijn dat je er bent

*
ze leeft heden
in het verleden
ben van zoon
broer geworden

zij ziet om naar morgen
maar die zit in mijn
leugen verborgen

Kind van de rekening

 

soms wil ik schrijven over mijn gevoel
het komt ooit niet verder als denken
of alleen praten hoe ik mijzelf bedoel
immers je wilt zo graag delen
en aan ieder jezelf schenken

maar als sluimerende pijn
van de ander niet wordt gehoord
en ik enkel op eigen schaduw ben gericht
dan raakt het geven en nemen verstoord
worden wezenlijke banden ontwricht


Op witte lakens

 

toen jij mij in de schemering zag
ontdekte je dan wie ik was
plooide je gezicht een lach
terwijl je mijn diepe dromen las

of nam je meer de schaduw waar,
daar nodigt de maan vaak toe uit,
stokte je tong als naakt gebaar
en hoorde je enkel mijn ademgeluid

verhaalde de nacht niet van overgave
kwetsbaar over lakens uitgespreid
terwijl mijn lippen zich aan zout deden laven;
was je wel op deze sprakeloosheid voorbereid

Ik zweet

 

de wind waait warme lucht
aangedreven door groene stroom
het is draaiend chroom
dat op stand twee in mijn gezicht zucht

dichters kennen dan een trage gang
waarin een voor hen onbekend verschijnsel optreedt
dat in mensentermen meestal transpireren heet
zichtbaar bij een overmatige inspanningsdrang

een gevoel van geluk maak ik mij eigen
dit maatschappelijk bewijs van presteren
mag ik nu zelf even in de praktijk vereren
zoute druppels doen de eigenwaarde stijgen

Wij, die ik ook ben

 

mijn witte dressoir
draagt mijn zelfportret
in bruine pij
zonder aangezicht
waar ter hoogte van de heup
de rozenkrans hangt

zonder poseren
ben ik als heremiet neergezet

het is een deel van mijzelf
al in den beginne toebedeeld
vroeg was ik reeds ontaard
van huis naar huis

wellicht door mystici
fluisterend aan mij verklaard

werd gedwongen
nog onbewust
in de kindertijd
te vereenzamen

een ongeschreven wet
haast opgedrongen

maar het is niet anders
als de weg die ik moet gaan
om mijzelf in alleenzaamheid
te bekwamen

ook nu weer uit een
aards verbond getreden

de mens eigen
en uit behoefte gekozen
ook meermaals uitgestoten
tijdens de reis
het was niet meer dan
bij herhaling ontdoen
van versleten doeken

het schijnt een vrije keus
maar die ken ik enkel
uit de schepping verklarende
gedragen heilige boeken

nu ben ik weer in de dood
om mijn ogen te verliezen
het snoert de mond
en dooft vertrouwd geluid
de cirkel lijkt haast rond

ik kijk nog eens naar het beeld
het hoofd gebogen,
blik naar binnengericht

het is de mens
die daar staat
in deemoedige gestalte
op weg naar zichzelf

alleen
zonder eenzaamheid

de weg is lang
niet gekend
tot het zicht
uiteindelijk versterft

tot onstoffelijke
gemeenzaamheid

foto








foto: Paula Relvas

La morte-saison 3

 

het regent in het Vondelpark
letters vallen met bakken uit de hemel

zou hij alsnog zijn oude schrift
over mij uitstrooien
en strofen weer doen zijn
als de aarde is
stof en nu even erg nat

plassen vangen
zwaardere woorden op
het helpt zijn taal te verdunnen
naar hedendaagse herkenning
vlak, dun, licht of schreeuwerig
in de kringen op het asfalt

langs paden zingen bloemen
hun reuk door het waas
van een zuchtende nevel
prikkelen de geest tot een "Regenbogen"
van droefheid naar verwondering
en doorweekte pijpen tot de koude rilling
over mijn rug

als ik haar zie lopen
onder een zwarte hoed op hoge hakken
zij wipt haast teder met haar lange benen
over verdronken inkt van de oude meester



ja, zijn park was een moestuin
met lyrisch onkruid
dat weet ik wel zeker

La morte-saison 1

 

mijn geest kent
komkommertijd
niet dat hij rust
in bezonkenheid
of bruist van
vervelende ongedurigheid
neen, mijn muze is
door derden verleid
waarom vertel ik
u dat zo uitgebreid
omdat dit de
bestaande leegte uitdijt
daar mijn aard
neigt naar complexiteit
zoekt hij troost in
dichterlijke eenzaamheid
normaal toch bron
van inspiratie uit bezorgdheid
thans helpt alleen koffie mij
in deze vermaledijde tijd
en hoop dat de senseo
mij hier doorheen leidt
het ding met knipperlichten
zet met grote snelheid
iets dat bruin kleurt
en coffeïne begeleidt
naar het hongerig gevoel
van onpeilbare verlatenheid
en ik rijm derhalve uit onbenulligheid
zoals mijn hond uit dwangmatigheid
op het hondentoilet poept



"missen is leegte opvullen met verwachten"
Julius (2006)

Titelloos

 

mijn bijdrage van heden
houdt werkelijk niets in
kent geen verleden of morgen
het is als wakker worden
zonder zorgen
iets gaan ondernemen
heeft dan geen enkele zin
vandaar deze holle woorden
want die zijn in ons koude
kikkerlandje meer dan genoeg
het enige wat ik heb te vieren
is de zege op de laatste mier
die ik langs de achterkant van
een vergiffenisdoosje in joeg
nu zou u kunnen zeggen
viel dit insect dan wat te vergeven
ik hoef dat echter niet uit te leggen
daar is enige diepgang bij nodig
en aan velen niet besteed
zo blijkt dan ook nu
mijn unieke bescheidenheid
weer eens een heilig degen
in feite heb ik niets nieuws verteld
wat telt is het scheppen van eigen ruimte
immers wie schrijft mag blijven
zo is nu eenmaal de spreuk
en gezien de boodschap van mijn gedicht
hoeft ook dát niet te worden toegelicht



"luister naar mij,
ik spreek over weinig"

julius dreyfsandt zu schlamm (2006)

Oude glorie

 

ons Rooi dat is een dorp
al jaren een attractie rijk
het is een gat in de markt
velen geven daar van blijk

het is alom bekend
van Vessem tot Stiphout
zelfs van de Maas
tot aan het Dommelvolk
een hele generatie is
ermee vertrouwd

vanaf de kiosk op de markt
ziet men over de Rooise muur
een gapend gat vult de blik
met de unieke wijnkelder
voor mensen die leden aan de hik

eens stond hier de Gouden Leeuw
een alcoholisch etablissement
met antieke veranda van allure
erachter de prachtige gevel
van kalk, zeldzame vensters en cement

fundamenten van onschatbare waarde
liggen onzichtbaar bloot;
aan dit gat tussen herenhuizen
verdient enkel vrouwe Justitia haar brood

dagelijks gratis ook van dichtbij
te bezichtigen
men lope er gewoon langs
en kijkt heimelijk door de kieren

zie hoe een stukje cultuur
is afgedwaald
waarop men later in Neo Baustijl
het plein gaat opsieren

kom kijken, kom kijken
voor het beton wordt gestort
en de afzetting over enige jaren,
Deo volente, wordt weggehaald


p.s.parkeren gratis

Ik en mijn melancholicus

 

mijn ziel is bijna
al een leven lang
zacht droevig gestemd

de kleur van vele dagen
schijnt herfstachtig getint
ben deels geremd,
onderkoeld

ben ik zo vroeg uitgebloeid
en is het enkel voor mij bedoeld

wil dan vluchten
ver van het heden
of in de schaduw
van het verleden

het lijkt wel
of mijn aard
is gezonken
in diepe klei

toch ervaar ik juist
in de ontmoeting
met de mens
die ik zelf vraag of
onverwacht ontmoet,

iemand als ik
die zoekt
huilt of lacht,

de pure schoonheid
van mijn bestaan
vaak in diepere lagen
en zo beminnelijk teer

onwetend bij velen
die het verstaan
ervan ontgaat

ik ben meer
dan de ander mij kent
soms ook rijker
tot uitersten toe

maar.....
raak ik daar zelf
ooit aan gewend

Als de adem draagt

 

mijn dak kent
geen vaste plek meer
het is verloren gegaan

plots is er
na zoveel jaren
een doorbroken bestaan

de grond behoort mij
niet meer toe
ik draag de koffer voortaan
van hier naar daar

verspreid over de tijd
die mij nog rest
op en neer en verder
naar het onbekende waar

verleden wordt geleden
in de onrust van het hart
de verwachting is als de dood
vergane liefde mijn smart

gelijk een stek zonder wortels
zal ik niet meer kunnen aarden
de verte is haast opgedroogd,
zo lijkt

wel herken ik nog
in het ademen
de naamloze
voortschrijdende waarde

gestoeld op die ik ben
en de vergankelijkheid
met dieper inzicht verrijkt

As the world turns

 

ik zie een open deur
van een huisje op de hoek
stap wat naderbij
en ruik de geur
van een motor,
grof geweld
met een gele kleur
is het hier wat ik zoek

ik roep met luide stem
volluk, tot twee maal toe
zo heerlijk ouderwets
en bescheiden
men stapt niet zomaar binnen
dat veroorzaakt burengeklets

kom maar door
hoor ik vanachter uit
het is niet zo
dat men opspringt
om mij te begroeten
en beleefd de wereld
achter mij sluit

neen, kom verder is wat ik hoor
oh, we hadden het net over jou
gelukkig denk ik
het is altijd mooi als ik niet stoor

na wat handengeschud
mag ik gaan zitten
het is net pauze wordt er gezegd

er is oud nieuws op de tv
over gereden snelle ritten
van de vorige dag

knus dit huiselijk tafereel
waar zie je dat nog
op de bank
met zijn twee

Violoncello

 

als de linker vingers
bij aanvang
in de houding komen
van als waren zij
rond een denkbare fles gevoerd

en schouder en arm
vol zijn van rust
eerst dan willen
snaren worden beroerd

de stok beademt
een kwartet van snaren
terwijl het spel
de klank zoekt
in harmonie met een verlengde arm

in een melancholische kleur
als tenor van het orkest
vaak zo dramatisch warm

het strelen kent
zijn grens naar boven tot de hals
en onmoet in de diepte
de plek
waar de kam
ontwaart

daarachter
het landschap op
de staart
waar de ziel van de cello
door nog fijnere afstemming
wordt geaard


foto






foto: Paula Relvas

Meer van Julius V.E. Dreyfsandt zu Schlamm : Gedichten 7

↑ Terug naar de berichten