Roos
de witte roos
buigt naar mij
ben ik licht
waarnaar zij
hoopvol uitziet
of
de witte roos
buigt naar mij
ben ik het licht
waarop zij richt
Roosde witte roos
buigt naar mij
ben ik licht
waarnaar zij
hoopvol uitziet
of
de witte roos
buigt naar mij
ben ik het licht
waarop zij richt
Ik, broer van mijn moederje komt me morgen toch halen hè
vraagt ze zacht doch met dringende ogen
als ze merkt dat ik haar verlaat
natuurlijk, morgen om tien uur ben ik er
het bezoek aan haar duurt een eeuwigheid
maar met veel genegenheid over dat ene gepraat
ik mag toch wel een paar dagen
naar vader en moeder
dat vinden zij toch wel goed
natuurlijk, ik zou niet weten waarom niet
hoe laat kom je dan
men hoeft het hier toch niet te weten
een paar dagen
wat zegt vader er van
ja, die vindt het goed
ha fijn dat je mij komt halen
morgen hè
ze heeft een ogenblik goede moed
wat zit je haar zo vreemd
is dat mode
ik ken je niet zo
weet moeder al dat ik kom
en Klaas
daar ben ik toch een koppel mee
die zie ik nooit
ja, vader is een echte baas
hoe gaat het met hem
mag ik nu ......
neen, zeg ik, morgen
goh wat fijn dat je er bent
*
ze leeft heden
in het verleden
ben van zoon
broer geworden
zij ziet om naar morgen
maar die zit in mijn
leugen verborgen
Kind van de rekeningsoms wil ik schrijven over mijn gevoel
het komt ooit niet verder als denken
of alleen praten hoe ik mijzelf bedoel
immers je wilt zo graag delen
en aan ieder jezelf schenken
maar als sluimerende pijn
van de ander niet wordt gehoord
en ik enkel op eigen schaduw ben gericht
dan raakt het geven en nemen verstoord
worden wezenlijke banden ontwricht
Een vroege uitlaatin het vroege licht
zie ik enkel juuts lange arm
geeft dat mij nu
een tevreden gevoel
of ervaar ik de koelte
het is immers al dagen
voor mij te warm
de lijn van mijn kruising
laat ik vieren
zo vroeg wil ik niet
een bon versieren
bij de voordeur
zet ik een stoel
Op witte lakenstoen jij mij in de schemering zag
ontdekte je dan wie ik was
plooide je gezicht een lach
terwijl je mijn diepe dromen las
of nam je meer de schaduw waar,
daar nodigt de maan vaak toe uit,
stokte je tong als naakt gebaar
en hoorde je enkel mijn ademgeluid
verhaalde de nacht niet van overgave
kwetsbaar over lakens uitgespreid
terwijl mijn lippen zich aan zout deden laven;
was je wel op deze sprakeloosheid voorbereid
Ik zweetde wind waait warme lucht
aangedreven door groene stroom
het is draaiend chroom
dat op stand twee in mijn gezicht zucht
dichters kennen dan een trage gang
waarin een voor hen onbekend verschijnsel optreedt
dat in mensentermen meestal transpireren heet
zichtbaar bij een overmatige inspanningsdrang
een gevoel van geluk maak ik mij eigen
dit maatschappelijk bewijs van presteren
mag ik nu zelf even in de praktijk vereren
zoute druppels doen de eigenwaarde stijgen
Wij, die ik ook benmijn witte dressoir
draagt mijn zelfportret
in bruine pij
zonder aangezicht
waar ter hoogte van de heup
de rozenkrans hangt
zonder poseren
ben ik als heremiet neergezet
het is een deel van mijzelf
al in den beginne toebedeeld
vroeg was ik reeds ontaard
van huis naar huis
wellicht door mystici
fluisterend aan mij verklaard
werd gedwongen
nog onbewust
in de kindertijd
te vereenzamen
een ongeschreven wet
haast opgedrongen
maar het is niet anders
als de weg die ik moet gaan
om mijzelf in alleenzaamheid
te bekwamen
ook nu weer uit een
aards verbond getreden
de mens eigen
en uit behoefte gekozen
ook meermaals uitgestoten
tijdens de reis
het was niet meer dan
bij herhaling ontdoen
van versleten doeken
het schijnt een vrije keus
maar die ken ik enkel
uit de schepping verklarende
gedragen heilige boeken
nu ben ik weer in de dood
om mijn ogen te verliezen
het snoert de mond
en dooft vertrouwd geluid
de cirkel lijkt haast rond
ik kijk nog eens naar het beeld
het hoofd gebogen,
blik naar binnengericht
het is de mens
die daar staat
in deemoedige gestalte
op weg naar zichzelf
alleen
zonder eenzaamheid
de weg is lang
niet gekend
tot het zicht
uiteindelijk versterft
tot onstoffelijke
gemeenzaamheid
foto
La morte-saison 5 ( slot )wrijvend
over een tere huid
verdrijft zij de tijd
nu en dan plukkend
aan het overjarig
Perzisch tapijt
terwijl de regulateur
onzichtbare zuchten
ritmisch begeleidt
La morte-saison 4ken haar al jaren
iedere morgen kijkt zij
tussen gordijnen
als pilaren
naar mijn open raam
ziet ze mij staan
of staart zij
naar een verte
met oude aarde
in gedachten
bij het vallen
van de avond
sluit ze buiten uit
wellicht om pijn
te verzachten
La morte-saison 3het regent in het Vondelpark
letters vallen met bakken uit de hemel
zou hij alsnog zijn oude schrift
over mij uitstrooien
en strofen weer doen zijn
als de aarde is
stof en nu even erg nat
plassen vangen
zwaardere woorden op
het helpt zijn taal te verdunnen
naar hedendaagse herkenning
vlak, dun, licht of schreeuwerig
in de kringen op het asfalt
langs paden zingen bloemen
hun reuk door het waas
van een zuchtende nevel
prikkelen de geest tot een "Regenbogen"
van droefheid naar verwondering
en doorweekte pijpen tot de koude rilling
over mijn rug
als ik haar zie lopen
onder een zwarte hoed op hoge hakken
zij wipt haast teder met haar lange benen
over verdronken inkt van de oude meester
ja, zijn park was een moestuin
met lyrisch onkruid
dat weet ik wel zeker
La morte-saison 2als in de zomer
bladeren vallen
en zonnestralen
enkel pijn vergroten
weet ik niets
over morgen
te verhalen
immers sterven
bij leven
laat zich niet
als vanzelf
in hoop vertalen
La morte-saison 1mijn geest kent
komkommertijd
niet dat hij rust
in bezonkenheid
of bruist van
vervelende ongedurigheid
neen, mijn muze is
door derden verleid
waarom vertel ik
u dat zo uitgebreid
omdat dit de
bestaande leegte uitdijt
daar mijn aard
neigt naar complexiteit
zoekt hij troost in
dichterlijke eenzaamheid
normaal toch bron
van inspiratie uit bezorgdheid
thans helpt alleen koffie mij
in deze vermaledijde tijd
en hoop dat de senseo
mij hier doorheen leidt
het ding met knipperlichten
zet met grote snelheid
iets dat bruin kleurt
en coffeïne begeleidt
naar het hongerig gevoel
van onpeilbare verlatenheid
en ik rijm derhalve uit onbenulligheid
zoals mijn hond uit dwangmatigheid
op het hondentoilet poept
"missen is leegte opvullen met verwachten"
Julius (2006)
Titelloosmijn bijdrage van heden
houdt werkelijk niets in
kent geen verleden of morgen
het is als wakker worden
zonder zorgen
iets gaan ondernemen
heeft dan geen enkele zin
vandaar deze holle woorden
want die zijn in ons koude
kikkerlandje meer dan genoeg
het enige wat ik heb te vieren
is de zege op de laatste mier
die ik langs de achterkant van
een vergiffenisdoosje in joeg
nu zou u kunnen zeggen
viel dit insect dan wat te vergeven
ik hoef dat echter niet uit te leggen
daar is enige diepgang bij nodig
en aan velen niet besteed
zo blijkt dan ook nu
mijn unieke bescheidenheid
weer eens een heilig degen
in feite heb ik niets nieuws verteld
wat telt is het scheppen van eigen ruimte
immers wie schrijft mag blijven
zo is nu eenmaal de spreuk
en gezien de boodschap van mijn gedicht
hoeft ook dát niet te worden toegelicht
"luister naar mij,
ik spreek over weinig"
julius dreyfsandt zu schlamm (2006)
Oude glorieons Rooi dat is een dorp
al jaren een attractie rijk
het is een gat in de markt
velen geven daar van blijk
het is alom bekend
van Vessem tot Stiphout
zelfs van de Maas
tot aan het Dommelvolk
een hele generatie is
ermee vertrouwd
vanaf de kiosk op de markt
ziet men over de Rooise muur
een gapend gat vult de blik
met de unieke wijnkelder
voor mensen die leden aan de hik
eens stond hier de Gouden Leeuw
een alcoholisch etablissement
met antieke veranda van allure
erachter de prachtige gevel
van kalk, zeldzame vensters en cement
fundamenten van onschatbare waarde
liggen onzichtbaar bloot;
aan dit gat tussen herenhuizen
verdient enkel vrouwe Justitia haar brood
dagelijks gratis ook van dichtbij
te bezichtigen
men lope er gewoon langs
en kijkt heimelijk door de kieren
zie hoe een stukje cultuur
is afgedwaald
waarop men later in Neo Baustijl
het plein gaat opsieren
kom kijken, kom kijken
voor het beton wordt gestort
en de afzetting over enige jaren,
Deo volente, wordt weggehaald
p.s.parkeren gratis
Ik en mijn melancholicusmijn ziel is bijna
al een leven lang
zacht droevig gestemd
de kleur van vele dagen
schijnt herfstachtig getint
ben deels geremd,
onderkoeld
ben ik zo vroeg uitgebloeid
en is het enkel voor mij bedoeld
wil dan vluchten
ver van het heden
of in de schaduw
van het verleden
het lijkt wel
of mijn aard
is gezonken
in diepe klei
toch ervaar ik juist
in de ontmoeting
met de mens
die ik zelf vraag of
onverwacht ontmoet,
iemand als ik
die zoekt
huilt of lacht,
de pure schoonheid
van mijn bestaan
vaak in diepere lagen
en zo beminnelijk teer
onwetend bij velen
die het verstaan
ervan ontgaat
ik ben meer
dan de ander mij kent
soms ook rijker
tot uitersten toe
maar.....
raak ik daar zelf
ooit aan gewend
Als de adem draagtmijn dak kent
geen vaste plek meer
het is verloren gegaan
plots is er
na zoveel jaren
een doorbroken bestaan
de grond behoort mij
niet meer toe
ik draag de koffer voortaan
van hier naar daar
verspreid over de tijd
die mij nog rest
op en neer en verder
naar het onbekende waar
verleden wordt geleden
in de onrust van het hart
de verwachting is als de dood
vergane liefde mijn smart
gelijk een stek zonder wortels
zal ik niet meer kunnen aarden
de verte is haast opgedroogd,
zo lijkt
wel herken ik nog
in het ademen
de naamloze
voortschrijdende waarde
gestoeld op die ik ben
en de vergankelijkheid
met dieper inzicht verrijkt
As the world turnsik zie een open deur
van een huisje op de hoek
stap wat naderbij
en ruik de geur
van een motor,
grof geweld
met een gele kleur
is het hier wat ik zoek
ik roep met luide stem
volluk, tot twee maal toe
zo heerlijk ouderwets
en bescheiden
men stapt niet zomaar binnen
dat veroorzaakt burengeklets
kom maar door
hoor ik vanachter uit
het is niet zo
dat men opspringt
om mij te begroeten
en beleefd de wereld
achter mij sluit
neen, kom verder is wat ik hoor
oh, we hadden het net over jou
gelukkig denk ik
het is altijd mooi als ik niet stoor
na wat handengeschud
mag ik gaan zitten
het is net pauze wordt er gezegd
er is oud nieuws op de tv
over gereden snelle ritten
van de vorige dag
knus dit huiselijk tafereel
waar zie je dat nog
op de bank
met zijn twee
Violoncelloals de linker vingers
bij aanvang
in de houding komen
van als waren zij
rond een denkbare fles gevoerd
en schouder en arm
vol zijn van rust
eerst dan willen
snaren worden beroerd
de stok beademt
een kwartet van snaren
terwijl het spel
de klank zoekt
in harmonie met een verlengde arm
in een melancholische kleur
als tenor van het orkest
vaak zo dramatisch warm
het strelen kent
zijn grens naar boven tot de hals
en onmoet in de diepte
de plek
waar de kam
ontwaart
daarachter
het landschap op
de staart
waar de ziel van de cello
door nog fijnere afstemming
wordt geaard
foto