foto

foto
Als de zon is toegedekter zijn dagen
dan is mijn wereld zo klein
of blijkt het buiten mij te groot
dan kruip ik onder een deken
mijn armen zijn immers
te kort om uit te breken
ook beide benen lijken dood
al zie ik klaprozen
in volle glorie
en bloesem alom
iedere kleurenpracht
is flets
het gevoel houdt me doofstom
Uitzien naar een horizonik blaas grijs voor me uit
en schep een vaag bestaan
als door een beslagen ruit
zie ik enkel mist
en voel vandaag niets
ik lijk niet opgestaan
het is een pas op de plaats
op een stoel
kan zelfs onder een deken
of pratend met loze woorden
die daardoor toch veel zeggen
ofschoon ik zelf niet weet
wat ik bedoel
het is tasten
in de vergankelijkheid
opsommen van argumenten
die mijn leegte verklaren
het is tranen voelen in de lente
met verlamde spanen varen
terwijl jaren vertellen
van gelatenheid
toch zet ik deuren wijd open
opdat de wind op zijn minst
mij kan vinden
en kan blazen door kamers en gangen
helpen het stof te doen vervliegen of
bevrijden van paradijselijke slangen
*
hij draagt toch de hoop
die zich weer aan stromende
aderen wil binden ?
Schrijven en kijkenik begeef me met spoed
naar mijn beukengefineerde ikea-tafel
je hebt namelijk iets te goed
belangrijke woorden liggen op stapel
iets groots dient zich aan
kan je dat niet onthouden
ik zou een figuur slaan
sta dan vervolgens in de koude
een opgebouwde toren
van inzichten
die behoren
tot het ultieme weten
samen gevat in een vers
nee, geen bundel vol met gedichten
het is enkelvoudig en onbescheten
waarvoor intellectuelen zich schamen
dat de schrijver dezes
bescheiden en geen Jezus
roept door open deuren en ramen
dat de dag is gekomen
dat we niet meer hoeven te dromen
neen, de wijsheid in een strofe
gericht tot het gewone volk
waar ik mij ook toe reken
geen gezever in de wolken
doch aardse praat en geen
pastorale preken
op enkel waarnemen gebaseerd
ik heb namelijk
de drijfveer tot rijmen ontdekt
ik zal je niet langer ophouden
mijn mond wordt droog
het speeksel is uitgelekt
een echte dichter hoeft alleen
zijn pen in de hand te nemen
ziet naar links en rechts
naar oost en west
en voor hij het weet
schudt hij zinnen uit de mouwen
en doet de inkt (pc) de rest
net als de vrouw het linnen strijkt
en als vanzelf naar goede tijden-
slechte tijden kijkt
Gerry van Roosmalen : fotograafook al heeft hij
het onderkoelde
van onze planeet zo lief
en ligt de stilte nabij
aan het hart
in zijn aard
is hij de romanticus
die zijn gevoel uit
in verbeelding, afdruk en woord
soms in bedekte smart
vaak avontuurlijk aanwezig
in dichterlijke dromen
op zoek naar akkoorden
die het uiterlijk
en zijn innerlijk omzomen
wat hem omgeeft
spiegelt zich aan zijn gevoel
en tracht het wezen
van de schepping te erkennen
en te bewaren voor zijn levensdoel
het drijft hem tot haast
een geestdrift zonder grenzen
op zoek in alles
naar de diepste nerven
daarin wil hij ook zichzelf
ontdekken
wie hij is
een mate van zekerheid erven
met zijn lens
in de hand
oogt hij stil en afwezig,
zo lijkt het,
zijn tijd kent geen einde
toch kan hij plots
actief met lippen
de kern duiden
en onderbreekt
het geruis van derden;
hij hoort de schoonheid luiden
wazig denken
vertaalt zich dan
in een concrete visie
geschapen in zijn brein
hij is een bevoorrecht mens
doch kwetsbaar in de ziel
eens zei hij tot zichzelf
"wie ben ik, dat ik dit mag aanschouwen"
het getuigt wellicht
van een naïeve verwondering
maar wie kan zonder dit
aan zijn wereld bouwen
Als ogen zoekenje leest dit met kloppend hart
zo is te hopen
nog sterker
je leeft zeker in mijn gedicht
ik schenk je adem en ochtendlicht
mijn bezieling is in jou gekropen
het is wel zoeken geweest
naar het ritme van je bestaan
door luisteren, voelen en kijken
ogen vertellen het meest
zegt men vaak
maar juist die blik te vangen
in zijn fonkelende gedaante
herkent men pas onder gelijken
in een haast tijdloos verlangen
zonder enige verborgen schaamte
Uit een stukzij is van steen
al kijkt ze teder
bedeesd
weg ogend
over haar schouder
en borsten heen
voelt koud aan
als mijn hand
de wangen streelt
ook al vormen de lippen
een zwoele mond
de pose is haar tot last
ze staart onveranderlijk
in de diepte
naar een dragende grond
Voorbij de jarende weg liep dood
althans mijn gladiolen stierven
nog eer ze konden verwelken
op een dag die ik niet kende
verloor de liefde haar kracht
haalde, onverwachts,
zelfs niet meer
de komende zonnewende
alleen nog dunne woorden
verlieten,
uit zekere nood geboren,
leeggedronken kelken
deed de geest zo
op eigen wijze zijn werk?
wie zal het zeggen;
zij is immers ongrijpbaar
en bovennatuurlijk sterk
of wist ik, als mens en
betrekkelijk van aard
in de vergane jaren,
door navolging opgespaard,
de waarheid niet meer
te toetsen op zuiver goud
niemand zal het weten
wel leek het al jaren
uitzichtloos koud
Bomenlandschapde maan schijnt boven de rand
van een zwart bomenlandschap
aan het einde van de tuin
een ring van schijnbare nevel
draagt het weerkaatsend licht
tot aan flarden van pluizige wolken
de slaap wil niet vlotten
en zie in het hoge gewelf
een engel van vreugde dansen
ik lijk de vrijheid te vieren
aan geketende gedachten
en in mijn rieten stoel
een sigaret voortdurend vragen stelt;
heeft het leven mij bedrogen met verwachten
of zag ik de zon door een bril zonder glazen
hoe het ook zij, mijn geest is te helder
voor mijn slaaptegoed in bed:
het bloed blijft door de hersenen razen
ik tuur in de verte van het verleden
en verdwaal in de massaliteit van minuten
die wel verstrijken, maar als de dood zijn
voor het ongrijpbare heden
hoe is de zomer
waarin ik het gras kan ruiken
of de ogen van een kind die sprakeloos
over de toekomst vertellen
en de zucht van verlichting
na een zit op een Amsterdams terras