foto

foto
Hersenschimmenop mijn netvlies
spelen schimmen
uit mijn verleden oosten
wajang wajang om te troosten
ik laat ze dansen op licht
in hoekige passen
en strekkende stokken
een traan vertroebelt
de oude film
klanken geuren
op loslopend pikkend tokken
wajang wajang in mijn ziel
vullen het gemis in mijn gevoel
lijmen de brug naar Maluku
verstrikken in mijn droom
ik speel alleen
verlangen in de linker hand
in de rechter
het rood wit blauw oranje
hangend aan de dode ent
van een bamboeboom
Uw goudik zit
op omgehouwen stammen
van een ladang
juist aangelegd
en tuur over het laag beneveld veld
het voorspelt mijn laatste gang
hier sterft mijn gevoel
dor geworden
door gekapt hout
morgen zal ik uw rijst
niet meer zien
ik moet gaan mijn dierbaar Indië
voedt u met eigen goud
De avond kleurtik ben nog even hier
om je gedag te zeggen
zomaar met plezier
ook om mijn gedachten
in je hart te leggen
maar zo denken
is vaak verwachten
ik schrijf ze maar
in wat losse zinnen
weet alleen niet
waar te beginnen
vandaar dat ik
in het donker staar
beelden trekken voorbij
ik hoor mezelf praten
luister naar een stem
wil ook stilte
in haar waarde laten
als de avond kleurt
Wicklowin groen stapelen
ruggen zich naar achter
waartussen nevel kleeft
als grijze klei aan dikke kammen
de kleine ruïne
is door steen en tijd
van enkel voorgevel met raam
tot standbeeld verworden
tegen de zachtgrijze hemel
grenst de kim
aan gele korenvelden
scherp geaderd in tinten
en zo een hoogte kleuren
de stroming kent
blauw ruisend
bronwater
en bezingt
deze heilige plek
op de kruising der paden
waar natuur zichzelf is
en verval tot pure kunst verheft
daar voel ik knieën
in grind gepijnigd
waar stilte mij
in haar ritme heeft opgenomen
foto
De kunstenaarsamen drinken we koffie
ik meer dan jij
decor is het maïsveld
dat buiten jouw atelier
reeds mensenhoog torent
we praten over muziek
klanken die roeren in jouw ziel
en het doek vinden
in soms harde tinten
ook vaak in lege ruimtes
die tot verbeelding spreken
ogende handen
zetten de spiegel van reflectie
op ingekaderd wit
vertellen de wanden mij
Olivier Messiaen
vult,
voedt
jouw hart
stuwt bloed naar
instrumentele vingers
die dansen
op toonladders van een partituur
"kijk zeg jij, daar hangt
de vernietiging van Tibet
in veel rood uitgedijd"
ik rook verder
met koffie
in een zaal vol
veldgewas
fietsers komen voorbij
"ze kijken de verkeerde kant op"
zeg je
de luidspreker zwijgt
foto
Alexander de Grotede Rooise Academie voor Schone Kunsten
heeft haar poorten wijd opengezet
voor straatbeelden van Alexander de Grote
in een ongeëvenaarde systematiek
heeft hij de eeuwenoude legkunst
van de verwoestende ondergang gered
al bij binnenkomst zoekt het oog
naar werken van deze gigant
die zonder maar een steen aan te raken
zijn gedachten legt in ruimtelijk zand
daar hij ook nog in mijn dorp zijn dagen slijt
raak ik door een diepe emotie overmand
net als het kostbaar gat in de markt
zijn de werken van nabij te zien
en een deskundige gids leidt u rond
maar wel op professionele basis;
inclusief parkeren een euro of tien
daarentegen is het nemen van foto's gratis
Gerontologiede man is oud
zeker al overmorgen
zijn liefde is opgedroogd
telt niet
telt niet meer
hij telt niet meer mee
te oud, te lang gezoogd
aan een jonge veer
hij is niet meer gedwee
hij gaat zijn weg
rollatorbaan op
heen en weer en af
verleid door oma
in de rolstoel
ouderdom is straf
hij is nu al later
grijs van het verleden
toekomst is niet nu
het heden wordt gemeden
De microfoon staat uitachter mijn hand, gebald tot vuist
doch in niet verstarde trekken
spreek ik mezelf toe en mogelijk
ook ieder ander en anders
het speeksel dat droog blijft
laten de woorden enkel in mijn hoofd
die het werk doen, mateloos overdenkend
en onderweg zijn naar antwoorden
die ik in de echo van de stilte
hoop te horen als het licht op vragen
door verbeelding en duidelijke invallen
opdat de waarheid zich toch wel
eens zal manifesteren
op een weg naar buiten richting
een verheldering van verdeelde krachten
die mijn hart doorboren
maar helaas nog geen pad tot
gezamenlijkheid weten aan te boren
over het waarom van de personen
in mij en de ander
zij vinden thans geen
opening in de put die orakels
naar boven doet komen
het galmt wel maar het zijn klanken
van zwarte dwergen die als mieren
bokjespringen in een wirwar
van kalverstraatpassanten
heen en weer zonder te kopen
af en aan met onbekende gelaten
ik dek mijn overpeinzingen af met stof
van eten, drinken en nicotine
het draagt mij over de brug
naar de overzijde zonder dat ik weet
of de kade daar in de toekomst
balken kan dragen van vertrouwen
Xestobium Rufovillosumhet moge u nu al duidelijk zijn
dat het gaat over een ongrijpbaar fenomeen
haast met een psychologische diepte
een wezen wroetend door zijn wereld
dát heeft hij met ons bestaan nagenoeg gemeen
buiten schot baant hij zijn weg
doch kan veel stof doen opwaaien
knaagt blindelings vaak aan edele kunst
weet zichzelf in de leegte om te draaien
voor voedselsplinters ten eigen gunst'
hij huist al lang in ons bezit
een haast niet te vermijden erfenis,
het ongewenste familielid
zonder waarde of norm,
voor hem is er nimmer vergiffenis
ik spreek,
u heeft het al door,
over de niets
ontziende houtworm
foto
TräumereiTräumerei vult mijn ruimte in;
een verleden rijk in vierhoekig steen
waar spel tussen toets en snaar
soms tegendraads doch vaker gemeen
op Schumann’s geschreven noten vaart
zo nu en dan licht kabbelend
op een oceaan van kwetsbare stilte
waaraan klanken gewend lijken
en harten zich langzaam ontdoen van kilte
de melancholie in het dragend verhaal
zuivert een atmosfeer van oud zweet
ontsluit mijn ziel opnieuw voor spiegelende taal
waarin ik, zo mogelijk, het vergankelijke meet
Absoutehet doek is gevallen
de laatste akte
speelt zich af
buiten het aanschijn
van vreemden
zonder enig licht
nog wat resterende stuipen
toegedicht aan ontheemden
geblinddoekt op planken
tastend op weg
moe van spoorloos kruipen
soms is applaus
door zwijgzaamheid omhuld
het kent begrip op afstand
zogezegd monddood kil
de zaal stroomt leeg
of was hij niet gevuld
het was al zo stil
*
ik sluit de deur
zie nog een keer om
enkele stoelen
blijken doofstom
Poëzie in steengebakken stenen
gestapeld naar eigen aard
nemen ruimte in gebruik
scheppen uit het niets
een tastbaar figuur
openen een eerder
niet bestaand luik
waar cement een besmuikt rijm
voor het collectief vergaart
ze dichten het licht tot muur
foto
Als de zon is toegedekter zijn dagen
dan is mijn wereld zo klein
of blijkt het buiten mij te groot
dan kruip ik onder een deken
mijn armen zijn immers
te kort om uit te breken
ook beide benen lijken dood
al zie ik klaprozen
in volle glorie
en bloesem alom
iedere kleurenpracht
is flets
het gevoel houdt me doofstom
Uitzien naar een horizonik blaas grijs voor me uit
en schep een vaag bestaan
als door een beslagen ruit
zie ik enkel mist
en voel vandaag niets
ik lijk niet opgestaan
het is een pas op de plaats
op een stoel
kan zelfs onder een deken
of pratend met loze woorden
die daardoor toch veel zeggen
ofschoon ik zelf niet weet
wat ik bedoel
het is tasten
in de vergankelijkheid
opsommen van argumenten
die mijn leegte verklaren
het is tranen voelen in de lente
met verlamde spanen varen
terwijl jaren vertellen
van gelatenheid
toch zet ik deuren wijd open
opdat de wind op zijn minst
mij kan vinden
en kan blazen door kamers en gangen
helpen het stof te doen vervliegen of
bevrijden van paradijselijke slangen
*
hij draagt toch de hoop
die zich weer aan stromende
aderen wil binden ?
Schrijven en kijkenik begeef me met spoed
naar mijn beukengefineerde ikea-tafel
je hebt namelijk iets te goed
belangrijke woorden liggen op stapel
iets groots dient zich aan
kan je dat niet onthouden
ik zou een figuur slaan
sta dan vervolgens in de koude
een opgebouwde toren
van inzichten
die behoren
tot het ultieme weten
samen gevat in een vers
nee, geen bundel vol met gedichten
het is enkelvoudig en onbescheten
waarvoor intellectuelen zich schamen
dat de schrijver dezes
bescheiden en geen Jezus
roept door open deuren en ramen
dat de dag is gekomen
dat we niet meer hoeven te dromen
neen, de wijsheid in een strofe
gericht tot het gewone volk
waar ik mij ook toe reken
geen gezever in de wolken
doch aardse praat en geen
pastorale preken
op enkel waarnemen gebaseerd
ik heb namelijk
de drijfveer tot rijmen ontdekt
ik zal je niet langer ophouden
mijn mond wordt droog
het speeksel is uitgelekt
een echte dichter hoeft alleen
zijn pen in de hand te nemen
ziet naar links en rechts
naar oost en west
en voor hij het weet
schudt hij zinnen uit de mouwen
en doet de inkt (pc) de rest
net als de vrouw het linnen strijkt
en als vanzelf naar goede tijden-
slechte tijden kijkt