Naar de inhoud

Julius V.E. Dreyfsandt zu Schlamm : Gedichten 7

akke.beakke.be

Archief

Voorbij de jaren

 

de weg liep dood
althans mijn gladiolen stierven
nog eer ze konden verwelken

op een dag die ik niet kende
verloor de liefde haar kracht
haalde, onverwachts,
zelfs niet meer
de komende zonnewende

alleen nog dunne woorden
verlieten,
uit zekere nood geboren,
leeggedronken kelken

deed de geest zo
op eigen wijze zijn werk?

wie zal het zeggen;
zij is immers ongrijpbaar
en bovennatuurlijk sterk

of wist ik, als mens en
betrekkelijk van aard
in de vergane jaren,
door navolging opgespaard,
de waarheid niet meer
te toetsen op zuiver goud

niemand zal het weten
wel leek het al jaren
uitzichtloos koud

Bomenlandschap

 

de maan schijnt boven de rand
van een zwart bomenlandschap
aan het einde van de tuin

een ring van schijnbare nevel
draagt het weerkaatsend licht
tot aan flarden van pluizige wolken

de slaap wil niet vlotten
en zie in het hoge gewelf
een engel van vreugde dansen

ik lijk de vrijheid te vieren
aan geketende gedachten
en in mijn rieten stoel
een sigaret voortdurend vragen stelt;

heeft het leven mij bedrogen met verwachten
of zag ik de zon door een bril zonder glazen
hoe het ook zij, mijn geest is te helder
voor mijn slaaptegoed in bed:
het bloed blijft door de hersenen razen

ik tuur in de verte van het verleden
en verdwaal in de massaliteit van minuten
die wel verstrijken, maar als de dood zijn
voor het ongrijpbare heden

hoe is de zomer
waarin ik het gras kan ruiken
of de ogen van een kind die sprakeloos
over de toekomst vertellen
en de zucht van verlichting
na een zit op een Amsterdams terras

Meer van Julius V.E. Dreyfsandt zu Schlamm : Gedichten 7

↑ Terug naar de berichten