Zuinig
Zuinig?
Hij was zo zuinig
Hij kocht altijd flessenmelk,
Hoewel hij geen melk lustte.
Daarom goot hij ze weg.
Maar hij verrijkte zich aan
het statiegeld.
ZuinigZuinig?
Hij was zo zuinig
Hij kocht altijd flessenmelk,
Hoewel hij geen melk lustte.
Daarom goot hij ze weg.
Maar hij verrijkte zich aan
het statiegeld.
woordjes van liefdeWoordjes van liefde.
Ik schrijf ze in een boek van goud,
met letterkes van zijde.
De naampjes die je fluisterde,
Telkens wanneer wij vrijde.
Voor mijn lief, lief ChristianekeVoor mijn lief, lief Christianeke.
Je vroeg mij waarom ik op onze huwelijksverjaardag niet één gedicht voor jou geschreven heb.
Jij mijn lief, de moeder van onze kinderen en zelfs een beetje; de mijne.
Ik dacht dat jij niet moest bewierookt worden het is zo vanzelfsprekend, jij bent immers de vertolking van hoe schoon een vrouw kan zijn.
Geen vrouw kan je naken, nooit tot op de hoogtes van je liefde raken.
Omdat jij en jij alleen, de verpersoonlijking van alle moeders op aarde bent.
Jij, het summum van onvoorwaardelijke trouw en liefde voor je kroost.
Mooier dan een schilder ooit gepenseeld heeft, poëtischer dan een dichter ooit beschrijven kon.
Ik zou je beledigen met mijn povere rijmelarij, mijn verbeelding zou verstarren en mijn pen zou wenen van onmacht.
Maar als je dat wilt, zet ik straks alle ramen open en dan schreeuw ik zo luid dat heel de wereld het zal horen… Christianeke, parel van onze kinderen, diamant van onze kleinkinderen, engel van een vrouw, Christianeke ik hou van jou!
Verwarde sprookjes.Verwarde sprookjes.
Ik stond voor het kasteel verstopt achter scherpe doornen
Ik baande mij een weg om snel bij haar te komen.
Toen ik Doornroosje na honderd jaren vond.
Hing haar kunstgebit klapperend uit haar open mond.
De betovering had maar half zijn werk gedaan.
Haar leeftijd was tijdens het slapen met de jaren meegegaan.
Misschien als ik haar kuste werd het sprookje terug normaal.
Ik bukte mij naar voren de slaapster was ook al bijna kaal.
Het was mijn lot het moest, ik duwde de prothese wat dieper in haar mond.
Ik knielde, kuste haar toen ik tussen de plooien haar rimpellippen vond.
Zij veerde recht, en riep, haar adem stonk naar gier en eierpoeder.
"Roodkapje, loop weg, de wolf is hier, ik ben het je grootmoeder.”
Storm op zeePoseidons nieuwe bruid.
Een loodgrijze lucht doorspekt met okerkleurige slierten,
dreef ergerlijk traag naar het sidderende binnenland.
Op het inktzwarte water dreef een zachtjes deinde zijlboot.
Het naakte, sluimerende meisje liet niets vermoedend
haar zinnelijke lichaam strelen door de zwoele avondwind.
De driest oprukkende zomerstorm sleurde de laatste.
flarden gele zonnegloed uit de kobaltblauwe hemel.
Als een verslindend monster hapte de tempest om zich heen.
De eerste vette druppels spette open op ‘s meisjes welvende buik.
Het weerloze scheepje danste stuur en kansloos,
op de woeste witte kolkende schuimkoppen.
Het slokkende zeewater sleurde het vaartuig naar de laveloze laagte.
Op een bed van wiegende zeeanemonen ontving Poseidon zijn nieuwe bruid.
Ik weet het zekerNu weet ik het zeker.
Toen ik achttien was, wist ik het zeker, auto rijden is het fijnste wat er is.
Maar ik had het mis.
Toen ik achttien was, wist ik het zeker, vrijen is het fijnste wat er is.
Maar ik had het mis.
Nu ik zeventig ben, weet ik het zeker, liefde is het fijnste wat er is.
En dat weet ik zeker, ik heb het deze keer niet mis.
Moord.Moord.
Het stonk naar zwavel waar zij liep.
Haar leugens smoorde alle normen.
Ik kon nooit weten waar zij sliep.
Hartstocht kon zij tot verdriet vervormen.
‘k Kroop op mijn knieën achter haar.
Alleen voor haar wilde ik nog leven.
Wat ik ook deed, zij spotte maar.
Waar was haar liefde toch gebleven.
Zij had mij vaak, te vaak bedrogen
’t Was enkel lust waarvan ze nog genoot.
Zij had die laatste keer te veel gelogen.
De haat in mij, heeft haar beeld gedood.
GodenkindHet godenkind.
De gouden dauwdruppel ontvlucht het koude ochtendblad
Valt langzaam naar benee als warme honing in mijn open mond.
Ik keer me om, ik proef je en smacht om meer van jouw betoverende mede.
Mijn zwelgende tong verslindt je huid van je kruin tot het topje van je tenen.
Mijn handen beroeren je laaiende lijf dat onder mij wentelt en kronkelt als een slang.
Jouw oriëntaalse parelogen kijken mij aan met een hunkerend verlangen dat uit je hele lichaam straalt.
Wanneer wij ons bij de tweede dauwdruppel verstrengelen naar het summum van genot
Wordt uit onze liefde diep in jou de gouden wieg, van onze nieuwe Zonnekoning klaargezet.
Eén godEén God
God, helpt mij uit mijn twijfel.
Nu men de wereld mijn dorp noemt,
kan Ik mijn dorpelingen niet verstaan
Herstel die toren van Babel weer.
Want spraken wij dezelfde taal
wij zouden ons begrijpen.
Geen oorlog of geen honger meer.
Geen nieuwe messen slijpen
Wat wil nu juist die Pakistaan.
En wat die Irakezen.
God, voor ’t gemak gebruik één naam.
voor mensen die geloven.
Dan zouden ze uw naam verstaan.
Niet met elkaar aan ‘t vechten gaan.
Dan waren er geen goeden meer,
dan waren er geen slechten.
Als u zo groot bent, begrijp ik wel,
is het moeilijk om te kiezen.
Want macht dat brengt ook ijdelheid.
Men zou zijn naam verliezen.
Al was het Jan al was het Piet.
Maar geen twee namen kiezen.
Het schept verwarring in ons hoofd.
Zeg, wie is er de beste nu.
Is het Mohammed, Jezus, Boeddha.
Toe Beslis nog liefst vandaag.
Anders stelt een atheïst als ik,
‘t bestaan van een God in vraag.

Drag queen.
“Bompa, jij droeg toen een rokje,”zei mijn kleine deugniet
Toen ik hem de foto, waarop ik pakweg zeven maanden oud was toonde.
Het pakje dat ik droeg leek wel op een jurkje, maar dat was het niet.
Mijn moeder noemde het Barbateuse maar hoe het in het Nederlands heet ik weet het niet.
Daar zat ik dan met een wit kanten kraagje, hemelsblauwe bofmouwtjes en een dito bol rokje waar onderuit amper een broekje kwam gluren.
“Bompa, waarom had jij maar één krul?” vroeg klein manneke met een vermakelijke, wat spottende lach.
Eén krul midden op mijn hoofd, de schoonheid zoals moeder ze toen zag.
Was mijn moeke bijziende of was mijn piemeltje zo klein, dat ik misschien nog een meisje zou kunnen worden?
Ik met een jurk hoe kon het toch bestaan dat vreemde pak waarvan mij de naam is van ontgaan.
En dan die krul niet aan te zien, den bompa als drag queen.
KankerUitgemergeld zo lag zij daar.
De kanker had haar geveld.
Ik wou haar helpen maar
Zij werd te zeer door de pijn gekweld.
Haar weerstand brak in d’ hoogste nood
Ik bood haar troost, het leed was groot.
Tot ze tevree haar ogen sloot
en ze genoot van de zoete omhelzing van de dood
Voor mijn moedertje overleden november-1963

De tijd
Plots kreeg hij die rare tik.
Hij zei aanhoudend tak.
Zij had het zeker niet voor tak.
Zij zei voortdurend tik.
Ze hebben ’t al eeuwen aan de stok.
Zij tik en hij weer tak.
‘K Weet dat er al de tijd instak.
In ’t tikke, takke van de klok
De grootste uitvinding aller tijdenDe grootste uitvinding aller tijden.
Men zegt dat de grootste uitvinding aller tijden het wiel is.
Ik ben het daar helemaal niet met eens.
Volgens mij zijn er twee grootste uitvindingen aller tijden. De stoel en het bed.
Zeg nu zelf, waar brengen wij de meeste tijd door. Op een wiel? Maar neen, in bed en op een stoel. Denk eens hoeveel heerlijke momenten je had gemist als er geen bed was geweest. Je had liggen vrijen op de kasseien. Standje 36, 38, 44 en 70 uit de kamasutra hadden nooit bestaan, binnen de kortste keren waren je ellebogen, je knieschijven, je beide oren en je neus naar de bliksem. Met een baksteen onder je hoofd zou je nooit zachte dromen hebben gehad. De computer was nooit uitgevonden, als er geen stoelen waren geweest. Kan je het je voorstellen uren rechtstaande voor je pc-tje? Hoe zou het de ridders van de ronde tafel niet vergaan zijn en onze ministers, urenlange vergaderingen, rechtop. Wij hadden zelfs geen stoelgang wat ons leven aanzienlijk zou verkorten. Neen, volgens mij is het wiel overschat. Bovendien zonder het wiel geen industrie, geen auto’s geen pollutie! Zonder het wiel liep hier alles nog op wieltjes.
De regenbui
Weet je nog die avond toen je drijfnat voor mij stond
Ik toonde je de badkamer en waar je d’ badhanddoeken vond
Ik gaf je mijn gele kamerjas die te breed was en te lang
Je acteerde wat verlegen en ook een beetje bang.
Je slurpte van de hete thee die ik je had gebracht.
Wat vond ik je toen sensueel, dat had je wel verwacht.
De kamerjas viel bij ongeluk open of was het voorbedacht.
De onschuld die je speelde leek mij plotseling verdacht
Je lichaamstaal vertelde mij wat je toen verwachte.
Ik streelde zacht je eupen, je keek verlangend en je lachte.
Die avond werd het summum, een droom een liefdesfeest.
Nooit ben ik een regenbui als toen, zo dankbaar nog geweest.

Dan liever dood.
Ik mag geen dode takken uit het bos meenemen
Of zelfs geen gevallen blad
Men zegt dat ik dan de natuur zal verstoren.
Want boompje sterft en insect vreet.
Zo kan het overleven.
En ik zou mij laten cremeren?
Dat nooit, liever dood!

Blijvende haat.
Zij hadden haar baby in stukken gehakt.
Wat zij zo lief had van haar afgepakt.
Onder haar eigen smekende ogen.
Zo kil en zonder mededogen.
Ze lachten nog!
En toch.
Zijn broer.
Hij zal hem later wreken.
Heel hun dorp in vlammen steken
Hij zal die smeerlappen zeker pakken
Ze met zijn machete in stukken hakken
AntwerpenAntwerpen.
Van op de toren zie je haar.
De moeder van mijn lief.
De Schelde als een zilveren lint.
Antwerpens adelbrief.
Antwerpen ‘k werd geboren daar.
‘k Zong er mijn eerste lied.
En nu nog steeds bezing ik haar.
De stad die zoveel bied.
De Sinjoor is zegt men vaak.
Een arrogante chauvinist.
Die kent ons warme hart niet goed.
Die heeft de pointe gemist.
Ik ben er in ’t zuiden opgegroeid.
In ’t Noorden zal ik gaan.
Nog eens langs ‘t mooie Schelde lint.
Kijk ik mijn stad, mijn liefde aan.
Bevallen van een prins.Bevallen van een prins.
Iedere dag bevallen is hard.
Dag na dag die barensweeën.
Het zweten, worstelen.
Zal ik ooit een prins baren.
Eén toevallig samenvallen
van klanken en woorden
die treffen in uw hart.
Kom mijn muze, mijn baker,
spreidt je prinselijke bakermat.
Sorm op zeeStorm op zee.
Een loodgrijze lucht doorspekt met okerkleurige slierten,
dreef ergerlijk traag naar het sidderende binnenland.
Op het inktzwarte water dreef een zachtjes deinde zijlboot.
Het naakte, sluimerende meisje liet niets vermoedend
haar zinnelijke lichaam strelen door de zwoele avondwind.
De driest oprukkende zomerstorm sleurde de laatste.
flarden gele zonnegloed uit de kobaltblauwe hemel.
Als een verslindend monster hapte de tempest om zich heen.
De eerste vette druppels spette open op ‘s meisjes welvende buik.
Het weerloze scheepje danste stuur en kansloos,
op de woeste witte kolkende schuimkoppen.
Het slokkende zeewater sleurde het vaartuig naar haar laveloze laagte.
Op een bed van wiegende zeeanemonen ontving Poseidon zijn nieuwe bruid.



Hallo beste bezoekers
Sinds juli 2008 is mijn nieuw boek
“De zevende hemel”
Verschenen.
Een misdaadroman
Het verhaal speelt zich af tijdens de turbulente jaren 20 in het Antwerpse Schipperskwartier.
De hoerenbuurt staat in rep en roer wanneer een psychopaat de ene na de andere prostituee op gruwelijke wijze vermoord.
Middenin die huiveringwekkende omgeving, groeit er een romance tussen een naïef, onschuldig meisje en een meedogenloze gangster. Het boek houdt De lezer in spanning van de eerste tot de laatste bladzijde.
Verkrijgbaar in de boekhandel vanaf 24 juli 2008 en kan ook besteld worden via dit blog.