Knuffeldieren.
De knuffelbeesten.
Samen met de knuffels spelen.
Dat doen wij nu al negen jaar.
De leeftijd kan mij toch niet schelen.
Die knuffels zijn nog geen bezwaar.
Nijntje heeft haar poot gebroken
Vlug een windel rond die poot.
Beertje is weer bang van spoken.
Stil zijn Bobbie je ligt bloot.
Bompa als ik straks ga slapen
neem ik Nijntje mee naar bed.
Klein manneke zit nu reeds te gapen.
Knuffels weg, gedaan de pret.
Mijn zakdoek hemelsblauw
Mijn zakdoek hemelsblauw.
Kom laat mij je traantjes drogen
met mijn zakdoek hemelsblauw.
Stoute kei, ’t had niet gemogen.
Klein manneke, ik ben zo bij jou.
Je knie kapot ik stop het bloeden.
met mijn zakdoek hemelsblauw.
Het doet pijn ‘k kon het vermoeden.
Ween maar uit ’t is echt niet flauw.
Op je knie zit nu een pleister,
Je vergat het pijntje gauw
Wat er gebeurde is nu bijster.
Ik glimlach naar… mijn zakdoek hemelsblauw.
Katers verdriet
Katers verdriet.
Meisjes, meisjes kom nu maar.
Tom is werkelijk geen gevaar.
Tom was vroeger net zo’n schrik.
Als Figaro, Felix en ik.
Tom die steeds de ergste was.
Hij liep voordurend uit de pas.
Gisteren ging het gans verkeerd.
Toen werd Tommeke gecastreerd.
De lieve blauwe fee.


De blauwe lieve fee.
Kom, leg je handjes in mijn handen.
Leg je wang tegen mijn wang.
Bompa zal het licht aanmaken.
Kom klein manneke wees niet bang.
Samen naar de sterren kijken.
Naar het licht der zilveren maan.
De boze geesten gaan dra wijken.
Bompa kan ze echt wel aan.
Moet ik je nog eens vertellen.
Van die blauwe lieve fee.
Zij blaast bont gekleurde bellen.
Hij drijft op die bellen mee.
Eliano terug in ’t bedje.
Zachtjes warm toegedekt.
Nu de spoken nog verjagen.
Voor de blauwe lieve fee vertrekt.
Werkloos
Werkloos.
“Jij met al jouw diploma’s, jij moet toch een job vinden,” zei de man met het koolraapgezicht tot de baardaap die naast hem aan de toog hing.
De baardaap zette zijn glas aan de lippen en met een ferme slok ledigde hij zijn halve, verschraalde duvel.
“Ach man, diploma’s wat ben je der mee,” zuchtte hij.
“Maar Luc toch, alles wat men vraagt de dag vandaag, zijn diploma’s”
“Diploma’s en ervaring.”
“Heb jij dan geen ervaring Luc?”
“Hoe kan dat nu, ik ben nog steeds aan het studeren!”
“ Hoe oud ben je nu Luc?”
“Schat eens,” zei de baardaap en hij kamde daarbij potsierlijk met zijn vingers door zijn in frietvet gewassen, vettige blonde haren.
“Vijfendertig?” gok-jokte de andere.
“Drieënveertig man, goed geconserveerd nietwaar?”
Rapenkop knikte, hoewel hij hem vijftig had geschat.
“Geef Luc er nog eentje voor mij,” wuifde hij de waardin toe.
“Nog een duveltje Lucske?” zong de cafébazin terwijl zij zonder op het antwoord te wachten al een flesje opentrok.
“Maar zeg mij nu eens Luc, hoe komt het nu dat je geen werk hebt met al je kennis?”
“De avondschool jongen, de avondschool.”
“Luc, Kom nu. Het is nochtans dankzij de avondschool dat je aan al je diploma’s bent geraakt. Dat vertelde je zelf.”
“Inderdaad, dat klopt: boekhouding, marketing, Bedrijfsbeheer, Chinees. Ik behaalde het allemaal op de avondschool.”
“Maar dat is toch perfect man, waarom vind je dan geen werk?”
Baardmans nam een flinke slok van zijn duvel en zuchtte.
“Kom Luc, waarom, met al die diploma’s?
“Avondschool man, de avondschool, dat is de dooddoener. Ik heb om 20u30 gedaan met de lessen. Maar zeg nu zelf, een mens moet nog leven ook. Daarom ga ik na de school nog een pintje drinken net zoals nu. Dan kom ik jou tegen of Piet, of Pauw, en dan blijf ik een paar uurtjes doorzakken. Om acht uur ’s morgens ga ik dan gewoonlijk naar mijn bed. Om 5 ’s namiddags word ik dan terug wakker. Twee uur later moet ik terug naar de avondschool, zeg nu zelf vriend wanneer moet ik dan nog solliciteren?
Zwaar werk.
Zwaar werk.
Het begon op een zonnige warme dag op het strand.
Mijn voeten deden pijn ik ploeterde door ’t hete zand
Ik had mij een windscherm en een strandstoel gehuurd.
Het opstellen heeft naar mijn zin te lang geduurd.
Ik heb gezwoegd, gezweet ik ben zo handig niet.
Geen mens die hielp, net of men een man in nood niet ziet
Ik was kapot ontgoocheld want toen ik eindelijk had gedaan.
Scheen de zon niet meer, ik zat in mijn stoel bij volle maan.
Voor jou
Voor jou.
Voor jou beklom ik bergen hoog.
Zocht het einde van de regenboog.
‘k Plukte de sterren, stal de maan.
’k Zou iedere leeuw of reus verslaan.
Voor jou dook ik in de diepste zee
En bracht Neptunis voor je mee.
‘k Scheerde de baard van de profeet
als ik je daar plezier mee deed.
Voor jou zou ik dat alles doen.
Voor één enkele warme zoen.
Maar liefste, hoe het mij ook spijt.
Vanavond heb ik echt geen tijd.
Was het toen beter?
Was het toen beter?
Toen hadden wij enkel een slingergrammofoon.
Een krassende naald, steeds dezelfde toon.
Een twintigtal knikkers en een zoevende tol.
Vijf bikkels, een bal was een speelgoedbak vol
Nu heeft men nintendo, x box en een wii.
’t Is niet te geloven wat ik al niet zie.
Is een kind nu gelukkiger, ik weet het nog niet.
Altijd op een stoel? Ik liever de straat op met Jan en met Piet.
Dat was nog eens spelen tot ’s avonds laat toe.
Dan lekker naar bed wat waren wij moe.
Een kind moet bewegen en dat doen ze niet meer.
Als ze tien meter lopen doet het overal zeer.
Een kind weet niet beter het beseft niet wat het mist.
Tenzij ik zo dom ben en ik mij heb vergist.
Maar ik maakte het mee ik heb de beide gezien.
Als ik weermocht kiezen, terug mijn knikkers misschien.

