Naar de inhoud

Hylpen likje stea oen it Yselmor

mijn
Welkom in Hindeloopen. Welkom bij mijn digitaal boek over Hindeloopen.
akke.beakke.be

mijn

Hindelooper volksverhalen

Zie ook andere blogs in linker kolom

Ik wens u veel kijk- en leesplezier


Archief

De waaghals

                              De waaghals

Het had een paar nachten licht gevroren en er lag inmiddels een dun laagje ijs in de sloten. Een jongen van een jaar of acht, die op straat aan het spelen was, kreeg van twee heren waarvan één een grote camera  op de schouder droeg een genereus aanbod. Ze vroegen hem "Wil jij een gulden verdienen". Nu dit klonk de jongen verleidelijk in de oren want in die tijd -circa 1955- was een gulden voor een jongen van een jaar of acht een klein vermogen. Toen bleek dat hij voor die gulden alleen maar even over het ijs, dat in de sloot lag, hoefde te lopen stemde hij snel toe.
Om te voorkomen dat hij het verdiende geld thuis niet hoefde af te dragen of in zijn spaarpot moest doen vertelde hij thuis niets van zijn klein vermogen. Maar o jee, die avond was er voor de TV een uitzending over de winterpret. En daarin werd nadrukkelijk gewaarschuwd  om niet net als deze waaghaals op het ijs te komen.

Ja, U begrijpt het waarschijnlijk al "deze waaghals" was de jongen die die middag een gulden had verdient. En dat deze beelden thuis boze woorden van de ouders op leverde zult u ook begrijpen.

Dit ware verhaal speelde zich niet Hindeloopen af maar werd me verteld door iemand die op ouder leeftijd in Hindeloopen kwam wonen.

Reageer op dit bericht

Een anstige nacht

EEN ANGSTIGE NACHT

Het was in de oorlog 40-45. Ook in Hindeloopen was er een spertijd van kracht. Maar daar er in Hindeloopen niet erg op werd gecontroleerd en er in Hindeloopen geen verraders waren werd dit Duits uitgangsverbod wel eens genegeerd.

Zo ook een echtpaar dat ‘s avond om 10 uur nog even een kleine wandeling door Hindeloopen maakte. Tijdens deze wandeling hoorden zij vanuit een donkere straat geluiden die ze niet direct thuis konden brengen. Uiteraard was dit in die tijd voor dit echtpaar behoorlijk schrikken. Na enige aarzeling won hun nieuwsschierigheid het echter van de schrik van deze onverwachtte geluiden. Ze liepen iets dichter naar de plaats waar het lawaai vandaan kwam. Daar bemerkten ze dat er iets verderop een vechtpartij gaande was. Wetende dat zij in spertijd op straat waren en er in tijd redenen voldoende waren om zich niet met de vechtenden te bemoeien maakte het echtpaar zich snel uit de voeten.

De andere dag werd in Hindeloopen verteld dat de ondergrondse die nacht in actie was geweest. Zij hadden met een zeker persoon nog een appeltje te schillen. En naar het gerucht in Hindeloopen de ronde deed was die persoon middels een flinke aframmeling op zijn verantwoordelijkheden gewezen. Dit gerucht maakte het echtpaar duidelijk hoe het zat met de vechtpartij waar zij die nacht ongewild getuige van waren.

De daaropvolgende avond gingen zij op normale tijd naar bed. Net toen zij bijna de slaap hadden werd er luid op de deur gebonst en werd geschreeuwd dat de deur open gemaakt moest worden. De man trok snel een broek aan en liep zo snel hij kon naar beneden en maakte de deur open. Gelijk bij het losmaken van de deur stormden twee Duitse soldaten met een gevaarlijk uitziende herdershond de woning binnen. Dit Duitse gezelschap werd vergezeld door een Nerderlandse man die als een soort tolk optrad. De vrouw, nog in nachtgewaad, was haar man uiteraard gevolgd en had wat licht gemaakt in de kamer en leek als verstijft te staan voor het gordijn wat half open voor het raam hing. Om een lang verhaal kort te maken, de Duiters hadden gehoord dat zij getuige waren geweest van eerder genoemde vechtpartij en beschuldigden hen van betrokkenheid bij de vechtpartij. Nu duidelijk zal zijn dat hun aanwezigheid tijdens de spertijd in die straat moeilijk was uit te leggen. De man deed verwoede pogingen alles uit leggen, maar in zijn hart dacht hij “mijn tijd is geweest, ze nemen mij straks mee”. Maar waarschijnlijk had hij een overtuigend verhaal want na enige tijd sprak de oudste van de twee Duitsers “kom laten we maar gaan want hier worden wij ook niets wijzer".

Na afloop van dit verhoor en het vertrek van het ongewenste gezelschap konden beide echtelieden opgeruimd ademhalen en nog napraten over dit angstige uur. Bij dit napraten bleek ook waarom de vrouw gelijk bij het half open vallende gordijn was gaan staan en daar tijdens dit hele verhoor muisstil was blijven staan. In hoek van het raam was door het openvallende gordijn de radioantenne van de radio * duidelijk zichtbaar. En door daar voor te gaan staan was deze net niet zichtbaar voor de Duitsers.

De vraag is en blijft hoe dit verhoor afgelopen zou zijn als de Duitser deze antenne van de verboden radio ontdekt hadden.

Bron: Uit overlevering van mijn ouders.

* Om te voorkomen dat informatie uit Engeland via radio werd verspreidt  in  Nederland was het bezit van een radio verboden door de Duitse bezetter.De attene's voor de ontvangst voor de radio bestond in die tijd doorgaans uit een  lange spiraal van koperdraad die ergens aan de wand werd  geplaatst. In   bovenstaand verhaal was de radio voor het naar bed gaan verstopt maar de attene was vergeten.

Meer over de oorlogsjaren 40-45 in Hindeloopen is te vinden in het boekwerk:

HINDELOOPEN 1940-1945

Reageer op dit bericht

Een sprookje

                                          EEN SPROOKJE

Er was eens, reeds vele jaren geleden, een kleine jongen die woonde in een stadje dat lag aan een groot meer. De mensen in die kleine stad, met smalle straten, gewone huizen en grote gezinnen waren niet arm maar ook niet echt rijk. Maar ze leefden daar aan de rand van dat grote meer heel gelukkig en tevreden. En niet alleen de grote mensen leefden daar geluk­kig en tevreden. Ook het kleine jongetje en vele andere kinderen in dat stadje hadden het daar prima naar de zin.

Voetballen midden op straat, ja het mocht daar in deze stad. Ook tikkertje of verstoppertje spelen kon gewoon zonder last te hebben van het verkeer. De enkele fietser ging wel met een bocht om de spelende kinderen heen. En de paard en wagen hoorde men reeds van verre aankomen. Dus ook dat leverde geen enkel gevaar op.Verder waren er tal van plaatsen in bosjes of verlaten veldjes waar de kinderen hutten konden bouwen of andere spelletjes konden doen. En als dit alles verveelde vroegen de kinderen gewoon aan een boer die toevallig met paard en wagen langs kwam of ze mee mochten naar het land. En in vele gevallen was dan het antwoord; spring maar op de wagen. En dat leverde voor de kinderen weer vele andere mogelijkheden op om te spelen. Met eieren zoeken, visjes vangen, muizen uit de holen jagen, in het hooi spelen en slootje springen was een vrije middag altijd te kort. Ja slootje springen, dat was bij vele kinderen favoriet. Ja natuurlijk, het leverde regelmatig natte pakken op. Maar daar maalde niemand om. Dat hoorde er gewoon bij. Maar ook de plaatselijke vissers in dit stadje waren bij mooi weer, met name bij de wat oudere jongens, erg in trek. Een middagje mee het grote op meer om netten weg te brengen leverde voor de kinderen vaak een middag op waar ze lang nadien nog over vertelden. Maar ook bij slecht was er voor de kinderen uit dat stadje altijd wel ruimte. Er was altijd wel een schuur of een zolder te vinden waar de kinderen konden spelen. Ook de vele boerde­rijen in dit stadje waren dan vaak het domein van de kinderen. Ja werkelijk waar, het was daar in dit stadje prima wonen voor oud en jong.

Ja inderdaad, het was daar in dat stadje goed toeven. Maar mogelijk zult u inmiddels begrijpen dat bovenstaand sprookje helemaal geen sprookje is. Het gaat over het Hindeloopen uit mijn kindertijd. (± 1950)

*****
Zie het goede in het heden
En stel het verleden als voorbeeld van het heden
*****

Reageer op dit bericht

Gemaal

GEMAAL

Een in Hindeloopen wonend persoon kreeg van een vriend uit Amsterdam de schriftelijke boodschap dat hun gezamenlijk kennis met haar gemaal op die en die dag en op vermelde tijd met de trein in Hindeloopen zou arriveren. Of hij zo vriendelijk zou willen zijn haar even op te halen.

Nu dit ophalen was voor bedoelde persoon geen probleem. Alleen dat woord 'gemaal' bezorgde hem kopzorgen. Hij kon niet bedenken wat dat nu zou zijn. Het zekere voor het onzekere nemende hield hij er rekening mee dat het iets groots en zwaars zou zijn. Dus stond hij op bedoelde tijd bij de trein met een 'pipegaal' (houten kruiwagen) te wachten op zijn kennis met gemaal. Dat gemaal een deftig woord (?) voor echtgenoot was werd hem onderweg naar Hindeloopen duidelijk.

Uit overlevering.

Reageer op dit bericht

Grappen

FLAUWE GRAPPEN

Of het nu een vorm was om de kinderen bezig te houden of dat het zomaar grapjes waren is me nooit duidelijk geworden. Maar in vroegere jaren werd kinderen met regelmaat beet genomen door ouderen door ze er op uit te sturen om dingen die niet bestonden.

Bekende zaken die de kinderen dan ergens moesten halen waren, de plintladder, hooischaar, gròppedweel (dweil om de groep achter de koeien mee schoon te maken), ooievaarskuitevet enz enz.

De grap was dan dat de degene bij wie je het moest halen het dan juist weer had uitgeleend aan een ander, en het spel meespeelde, door je door te sturen naar een volgend adres. Zo kon het gebeuren, afhankelijk van de geloofwaardigheid van het verhaal, dat kinderen half Hindeloopen afliepen om iets wat niet bestond.

Leuk he!!

Reageer op dit bericht

De postbode

DE BEHULPZAME POSTBODE

In een kleine gemeenschappen kent een ieder en ieder. Zo ook in Hindeloopen. Iemand die doorgaans bij uitstek op de hoogte was van het wel en wee in Hindeloopen was de plaatselijk postbode. Maar of hij altijd volgens de huidige privacy wetten aan dat nieuws kwam valt te betwijfelen.

Zo bezorgde hij eens een briefkaart bij mijn ouders. Bij het overhandigen (bij gebrek aan een brievenbus) wist hij te vertellen “No Joukje, doe kryggist morn ek fersyte heer” *. En inderdaad dit klopte precies met de boodschap op de briefkaart.

* Nu Joukje, je krijgt morgen visite hoor

Waar gebeurd. Joukje was mijn moeder.

Reageer op dit bericht

Paarden op hol

PAARDEN OP HOL

In behoorlijk draf reed een boer met twee paarden voor de wagen over de Oosterdijk. Door de snelheid en een hobbel in de weg raakte de "siele" * los van de dissel van de wagen. De boer probeerde nog om de wagen via de dissel met de voeten rechtuit te sturen en de paarden in bewang te krijgen. Maar de los achter de paarden slepende ‘siele’ sloeg keer op keer op de achterbenen van de paarden. Deze werden, zo te begrijpen valt, steeds wilder en wilder. Na enige tijd moest de boer de paarden los laten om te voorkomen dat hij van de wagen werd getrokken. Een geluk bij dit ongeluk was dat de paarden, net toen de boer de teugels los liet, de paarden om één of andere reden iets naar rechts afweken. Het tweede geluk van dit ongeluk was dat er net op die plaats een dikke houten electriciteits paal stond. En het derde geluk bij dit ongeluk was dat de beide paarden ieder aan een kant van paal langs gingen. Doordat beide paarden door de leidsels aan elkaar verbonden waren liepen zij vast op deze paal. Ja, men moet maar geluk hebben!!

* Een houten of ijzeren dwarsbalk, van circa 80 cm breed, met kettingen wat de verbinding vormt tussen paard en wagen.

Waar gebeurd.

Reageer op dit bericht

Goedkope aardappelen

GOEDKOPE AARDAPPELEN

Het gebeurde in de zomer van 2002. Twee mannen uit Hindeloopen gingen met eigen auto twee weken op vakantie naar Tjechië. Na twee weken reizen door het land was de tijd van vertrek bijna aangebroken. Zij pakten hun spullen in de auto en parkeerden hem, klaar voor vertrek, op de gebruikelijke plaats op het parkeerterrein van het hotel. Nu was het beide mannen de voorgaande dagen opgevallen dat de aardappelen daar spot goedkoop waren. Daar moest, zo hadden zij bedacht, maar een flink voorraadje van mee naar Hindeloopen. Dus werd na het pakken van de auto nog even uitgerukt om een paar zakken aardappels te halen. Helaas, helaas bij de terugkomst bij het hotel kregen zij de schrik van hun leven. De mercedes, inclusief bagage, was weg. Na de nodige plichtplegingen bij politie en verzekeringen enz, enz was het moment om naar huis te gaan aangebroken. Deze terugreis ging, bij gebrek aan ander vervoer, per trein. Op zich, zo een ieder zal begrijpen, een treurig verhaal. Het zal je maar gebeuren. Het comische van dit verhaal is echter dat zei ieder met een zak "goedkope" aardappelen op de rug in Hindeloopen terug kwamen van hun vakantie uit Tjechië.

Waar gebeurd

Reageer op dit bericht

Vogelflappen




DE DROPPEN EN HET VOGELFLAPPEN


De Mulders, in Hindeloopen beter bekend als Drop, verdienden hun brood met rietsnijden. Hun hart lag echter meer bij het Wilstervangen. Deze passie van diverse Mulders werd van generatie tot generatie overgedragen van vader op zoon. In het boek "Goudplevieren en Wilsterflappers" vond ik het volgende verhaal van in de Hindeloopen alom bekende familie.

De drie broers Albert, Doede en Eeltje Mulder uit Hindeloopen groeiden op in een gezin waar het wil­sterflappen centraal stond. Hun vader Anne Albert ving wilsters, maar ook diens vier broers Doede, Eeltje, Hinne (Hendrik) en Pieter, en natuurlijk grootvader Albert Anne (fig. 4.10). Deze Albert Anne had de bijnaam “Albert Drop” en de vijf zonen waren in Hindeloopen bekend als “Doede van Drop” of “Eeltje van Drop”. In herfst en winter was deze familie afhankelijk van de inkomsten uit het wilsterflappen. Daarnaast werkten ze als rietsnijders. Van boeren en van de Dienst Domeinen werden rond Hindeloopen rietvelden gepacht. In het voorjaar werden kievitseieren voor de handel geraapt en in de zomer werd in ploegverband los werk aangenomen bij de boeren in en rond Hindeloopen. De “âlde” (Albert Anne) fungeerde dan als ploegbaas. Nadat de koeien uit de stal het weiland in waren gegaan wer­den koeienstallen gereinigd, en er werd gehooid. Na de zomer werden de sloten langs de spoorlijn Leeuwarden-Stavoren gehekkeld. Deze laatste klus werd per strekkende meter bij de Nederlandse Spoorwegen aangenomen.

De wilsterspullen stonden in de directe omgeving van Hindeloopen. Ieder familielid had zo zijn eigen voorkeursgebied, want men verschilde van mening over de ligging van het beste perceel, trekroute en de precieze effecten van wind. In de winterperiode, wanneer ook in het riet gewerkt moest worden, moest vaak een keuze worden gemaakt over de manier waarop de dag het best besteed kon worden. Het was vader Albert die morgens vroeg naar buiten ging en na beoordeling van lucht, wind en tem­peratuur besloot of het ‘fûgeljen’ of dat het ‘reidskarjen’ (rietsnijden) werd. Maar als er in het riet werd gewerkt stonden er wel altijd één of twee wilsterspullen in de buurt, mochten er door een weersver­andering wilsters in de lucht komen. Het was de ‘âlde’ die de wilsters het meest nauwlettend in de gaten hield. Als er plotseling een koppeltje wilsters verscheen stond hij met zijn hoedje te zwaaien om door te geven dat ze in aantocht waren. Als er een duidelijke en gerichte trek op gang kwam, werd de spanning te groot en ging iedereen zon­der overleg naar zijn eigen wilsterspul. Volgens plaatsgenoot Sijbolt Smid was dat vergelijkbaar met “in bosk protters ut it reid wei, dy't allegearre in kant ût spatte” (een groep spreeuwen die vanuit een rietveld allemaal een kant uit vliegen). Bij de Mulders thuis werd winters eigenlijk maar over één onderwerp gesproken en dat was het wilsterflappen.

Siep Smid uit Hindeloopen.Ook een fanatieke wilsterflapper.

Bij uitzondering was de vangst groter dan de vaste klantenkring aankon en werden wilsters aan 'de dubbele' (poelier Tjeerde uit Workum) geleverd. 'Dubbele' was ontleend aan de voornaam Dubbele Tjeerde, ook al was dat de broer van de toenmalige poelier Louis Tjeerde. Hoe deze volksnaam zich heeft kunnen inburgeren zal wel een raadsel blijven want Dubbele Tjeerde is zelf nooit betrokken geweest bij de poeliershandel. Hij had in Workum een wasserij bedrijf.

Voor de jonge Mulders waren wilsters letterlijk en figuurlijk alom aanwezig. Als schoolgaande kinde­ren konden Albert en Doede op dagen dat goede vangsten werden verwacht de drang niet weerstaan. Als ze tussen de middag het eten oversloegen, konden ze van half één tot één uur net een halfuurtje bij vader achter de skûle staan. Dat was vlak buiten Hindeloopen op Schuilenberg. Al op 13-jarige leef­tijd begonnen ze zelf te vangen, eerst nog onder het toeziend oog van vader of ooms als die op korte afstand in het riet werkten. Mocht er onverwachts bezoek komen dan konden die voor de vorm de vangst overnemen. Zo werden langzaam maar zeker de grenzen verlegd. Op 16-jarige leeftijd vingen zelfstandig. Zonder een akte natuurlijk, want die werd pas aan 18-jarigen uitgegeven. Z'n fanatisme werd Albert één keer bijna noodlottig. Het was in het seizoen 1966 waarin door het ontbreken van een vorstperiode en wintertrek uiterst slecht was gevangen. Half januari, twee weken voor sluiting van het vangseizoen op 31 december, viel de vorst pas in. Er kwam vanuit het noordoosten een enorme wilstertrek op gang. Deze winterflecht concentreerde zich op een smalle trekbaan vlak achter de zeedijk. Het ene na het andere koppel wilsters trok in zuidwestelijke richting. Dit werd Albert te veel. Het wilsterspul dat binnendijks nog in het Groot Nieuwland stond, werd over de dijkvaart en de dijk gebracht en uitgelegd op een smal graslandperceel tussen de dijk en het buitendijkse rietveld van de Stoenckhêrne. Om niet op te vallen werd de skûle niet geplaatst, maar werd dekking gezocht in de rietkraag. Het was verboden om daar en op dat moment te vangen en dat gaf de nodige spanning. De eerste wilster die onder het slagnet kwam en als levende lokvogel op de wip had moeten belanden werd bij het net per ongeluk doodgemaakt. Albert had deze stommiteit nog nauwelijks verwerkt of vader ­Anne kwam door het riet aansluipen om te vertellen dat op de haven van Hindeloopen twee politieagenten met een verrekijker stonden te kijken. Dit vertrouwden ze niet en samen verlieten ze het wilsterspul.

Enige uren later verscheen de politie op de Stoenckhêrne, waarschijnlijk ingeseind door een stadsgenoot. ­De dienders visten achter het net. In alle vroegte werd de volgende morgen, op zondag en met sneeuw het wilsterspul opgehaald.

Doede Mulder oefende al op zeer jonge leeftijd met een eigengemaakt slagnetje. Op het gazon achter ­het huis kon hij spreeuwen vangen. Oom Hinne stimuleerde dit door voor z'n neefje een nieuw net met kleinere mazen te breien. Spreeuwen behoorden in de ogen van de familie Mulder tot het schadelijke wild, omdat ze in de nazomer en winter het riet vaak als slaapplaats gebruikten. Als ze daar met vele duizenden overnachtten, braken ze ontelbare rietstengels, een grote schadepost. De enige manier om deze schade enigszins te beperken was door in de schemer de in het riet invallende spreeuwen met ­dubbelloops jachtgeweren te bestoken. Fijne hagel, bij jagers bekend als snippegruis', gaf de beste resultaten. De spreeuwen die het overleefden zochten elders hun heil. De tientallen doodgeschoten ­exemplaren werden in het rietveld opgezocht en verzameld in korven of jutezakken voor thuis. Door ze in de woonkamer te plukken maakten de kinderen de spreeuwen klaar voor consumptie. Kop, de poten en de vleugels werden er met een schaar afgeknipt. Nadat ook de ingewanden waren­ verwijderd werden alle spreeuwenlijkjes tegelijk in een grote pan gekookt. De Mulders aten de spreeuwen zelf, maar moeder deelde ze ook uit aan arme buurtbewoners die het zich niet konden per­mitteren om vlees te kopen. Met vier of vijf spreeuwen op een schoteltje werden ze door moeder ­Mulder rondgebracht. Afhankelijk van de tijd van het jaar verschilden de spreeuwen van smaak. In de herfst hadden spreeuwen vaak een bittere smaak. Volgens Eeltje kwam dat doordat spreeuwen dan het voedsel onder koeienvlaaien vandaan haalden. Zijn broer Pieter had een andere verklaring. Bij het spreeuwen ­plukken mocht geen enkel veertje achterblijven, want dit veroorzaakte bij het koken de sterke bittere smaak Maar over het algemeen werden spreeuwen als een lekkere aanvulling van de warme maaltijd ervaren. ­Het eten van wilsters binnen het gezin was uitzondering. Vanwege hun hoge marktwaarde werden ze het liefst meteen verzilverd. Ze gingen niet alleen naar de poelier, maar ook naar klanten in de stad. Zelfs naar de bakker, waar de wilsterboutjes werden geruild voor brood. Als er weinig wilsters werden ­gevangen en moeder Antke bij de bakker 'boargje moast' (op de pof moest inkopen) werden uit bittere noodzaak wel eens 'swarte kobkes' (kokmeeuwen) geschoten en verkocht. Deze werden uiterste nauwkeurig geplukt en afgebrand, een enkel achtergebleven veertje kon immers duidelijk maken dat het geen wilsters waren.

Na een dag in het veld was het gewoonte van de vijf broers en vader Albert Anne om elkaar te infor­meren over de vangsten. Hinne gebruikte dan vaak de uitdrukking: "de kleur not mien jonge" (de vangst hield niet over). Toch was het bijna altijd Hinne die de hoogste vangsten behaalde. Hij wist meestal de beste plaats voor het wilsterspul te kiezen en hij was de beste om met de fluit de wilsters voor het net te krijgen. Ook bij de andere wilsterflappers uit Hindeloopen werd geïnformeerd naar de vangsten, hoewel die informatie alleen met terughoudendheid werd gegeven. De financiële afhanke­lijkheid van de wilstervangst bracht de nodige afgunst met zich mee. Een ongeschreven wet zorgde er voor dat er in het veld tussen verschillende wilsterflappers voldoende afstand gehouden werd, maar het kale vlakke landschap maakt het mogelijk om de verrichtingen van anderen goed te volgen. Hoe korter de tijd tussen opeenvolgende trekken, hoe groter het aantal gevangen wilsters.

Durk Postuma,Albert A.Mulder,

Hette Couperus en Sybolt Smid

Bij vorsttrek met noordoostelijke wind trokken de wilsters vaak 'heech om', waarmee werd bedoeld da ze oostelijk van Hindeloopen richting Koudum trokken. Plaatsgenoot Hette Couperus, bekend als een 'tûke' (kiene) flapper, had zijn vaste vangplaats oostelijk van Hindeloopen in de Grote Wiske op een hooggelegen graslandperceel dat bekend stond onder de naam 'de diergaarde'. Met zulk weer was het erg gunstig gelegen. Eeltje Mulder en Meinte Boorsma die meer zuidwestelijk stonden hadden dan het nakijken en zagen Hette vele malen "it grutte swarte net oerheljen" (het grote zwarte net overhalen). Dit gaf natuurlijk frustratie en afgunst. De betrokkenheid wordt door Pieter Mulder zo verwoord: "At wy der foar stjerre moatten hiene, dan hiene wy dat dien, foaral de âlde, ûs heit, wie der beseten fan" (als we ervoor hadden moeten sterven dan hadden we dat gedaan, vooral vader, die was er echt bezeten van). Het wilsterfiappen was gebonden aan bepalingen en voorschriften. De Mulders hebben vaak gevangen op de grens van het toelaatbare. Gedreven door honger in het gezin en onblusbare jachtinstincten zijn vele malen wettelijke grenzen overschreden. Conflicten met de overheidsdienaren waren soms het gevolg.Toch ontwikkelden zich vanuit deze beroepsvangerij gemengd met een beetje stroperij mensen die zich naderhand volledig zouden inzetten voor het wetenschappelijke onderzoek. Nu leveren Albert, Doede en Eeltje, zoons van Anne, en Albert, Jakob, Rein en Doede, zoons van Hinne, met een ringver­gunning hun bijdrage aan het wilsteronderzoek.

Uit: Goudplevierenen wilsterflappers

Reageer op dit bericht

Een onweersbui



DE VUURBAL

In vroegere jaren schaarden de diverse kleine boeren in en rond Hindeloopen hun vee in op de zeedijken rond Hindeloopen. Tegen melktijd werden dan de koeien in "de ister” * bijeen gedreven . Op zich was dit gezamelijk melken natuurlijk best een gezellige aangelegenheid. Er was tijd voor een praatje en uitwisseling van gedachten. En natuurlijk was er altijd wel iemand die in was voor wat gein of een sterk verhaal wist te vertellen.

Maar op zekere dag in augustus pakten zich boven deze groep boeren donkere wolken samen. Ja, het was duidelijk te zien, er was een dikke onweersbui op komst. Er werd dan ook niet veel gepraat. Een ieder probeerde het melken klaar te hebben voor het dreigende onweer los barste. Maar helaas dit lukte niet. Terwijl een ieder nog diep gebogen onder koe zat te melken vielen de eerste dikke regendruppels uit de lucht. Na deze eerste regendruppels werd de lucht al snel gevuld met felle blikemschichten en dondergeweld. Nu waren deze boeren natuurlijk niet gelijk van hun stuk van dit natuurgeweld. Zij hadden één en ander wel eens vaker meegemaakt. En al werd het natuurlijk niet gezegd, niemand wenste als eerste een beter heenkomen te zoeken. Toch werd het uiteindelijk een ieder te bar. Men zocht gezamelijk een beter heenkomen onder een oud afdak van een nabij gelegen woning. En hier zittend op de meegenomen "tulle" * kwamen de sterke verhalen natuurlijk al snel los.

Zo wist Jouke te vertellen dat deze onweersbui nog niets voorstelde. Hij had het nog wel veel erger meegemaakt. Zo was het een keer gebeurd, aldus Jouke, dat hij ver van de bewoonde wereld in zijn eentje zat te melken toen er een ongekend onweer los barste. De bliksem was niet van de lucht en de ene knetterende slag volgde op de andere. Ja, zo vertelde Jouke onverstoorbaar verder, op een gegeven was de bliksem zo fel dat de bij behorende vuurbal bij hem in de emmer rolde. Ja, ja, zo onderstreepte hij zijn sterk verhaal, ik mag hier dood neervallen dat het niet waar is.

* "de ister”Omheinde plaats waar de koeien gemolken werden.
* "tulle" Melkstoeltje.

Uit: Overlevering

Reageer op dit bericht

Meer van Hylpen likje stea oen it Yselmor

↑ Terug naar de berichten