07-02-2008

![]() |
07-02-2008
![]() |
WELKOM
Do moe ich gebore bin.
HALLO, BESTE BLOGLIEFHEBBERS.
Ik kom zomaar met de deur in huis vallen.
Ik heb maar voorzichtig geklopt om u te komen groeten, want een luidruchtige bel is bij de meeste mensen zeker niet welkom. Bovendien hebben ze op het seniorennet ook geen bel geïnstalleerd.
Zoals je al kon vermoeden is Jorostok mijn schuilnaam.
Wij waren thuis met 13 kinderen, vijf jongens en acht meisjes waarvan er twee reeds na een drietal maanden zijn overleden.
We groeiden op in de rijkdom van de vrije natuur van het platteland.
Ikzelf ben geboren als vijfde in de rij, op een ijskoude winterdag, nu zowat 73 jaar geleden.
Deze onooglijke gebeurtenis greep plaats zo ergens in het noordoosten van ons kleine maar prachtige landje België, te midden van het bronsgroen eikenhout, althans toen nog, en dan ook nog in het gunstige jaargetijde. 's Winters is het hier even kil en koud als elders in het land.
Vroeger waren de winters veel strenger, zegt men wel eens.
Zo vroor het in de winter van 1941 dagenlang de stenen uit de grond. Het ijs op het Albertkanaal was zo dik aangevroren, dat de boeren nabij de dorpsbrug met paard en kar zonder problemen naar de overkant konden.
Dat viel toen nog best mee, aangezien de echte brug door het oorlogsgeweld was gedinamiteerd. Ze lag, middendoor gebroken, met brugdek en bogen naar beneden in het kanaalwater. De twee uiteinden rustten enkel nog op het wegdek.

Op mijn echte geboortedag was dat wel helemaal anders gesteld. Het bronsgroen was er vervangen door een sneeuwwit tapijt.
Een eenzame fotograaf heeft, staande op de kanaaldijk, dit uitzicht op de dorpskern (1935), vastgelegd.
Het lijkt wel of de tijd toen even stil bleef staan, wachtend op de komende lente.
Stoer als een eik
De eik staat symbool voor stevigheid, kracht, sterkte en duurzaamheid.
De algemene verstedelijking en de schaalvergroting in de landbouw hebben in het verleden hun tol geëist. Zodat volgroeide eiken eerder zeldzaam zijn geworden in ons huidig landschap.
Eiken worden soms zeer oud. Niet zelden bereiken ze een respectabele leeftijd. Hier en daar worden eiken wel eens meer dan driehonderd jaar oud.
De expantiedrang van de mens is zijn grootste vijand.

De volksspreuk: ”Boompje groot, plantertje dood”, geldt zeker voor deze boomsoort.

Een groene long voor Midden-Limburg
![]() |
Mijn geboortehuis
Deze oude hoeve van het langgevel type ligt op ongeveer een half uur gaans van de dorpskern.
Ze werd vermoedelijk omstreeks het einde van de 18de eeuw gebouwd. In het verleden werd ze verscheidene keren gerestaureerd. Vandaag doet ze hoofdzakelijk dienst als stapelruimte.

![]() |
Parochiekerk circa 1930
Hier werd toen nog ieder jong mensenleven ten doop gehouden, ook dat van mij.
Te voet, een half uur gaans, van uit het bronsgroen eikenhout, naar de kerk gedragen door peter en meter vergezeld van de wroetvrouw. Geloof het of niet, ik was er zelf bij. Mijn peter heb ik sindsdien nooit meer gezien. Hij overleefde de oorlog niet.
Mijn doopmeter was een steeds opgewekte druk pratende, zorgzame, lieve tante. Zij werd in 1970, op dezelfde dag als haar echtgenoot, mijn oom Frans, begraven.
Mijn verste herinneringen reiken tot mijn drie tot vierjarige leeftijd. In mijn geheugen zie ik nog steeds, mezelf optrekkend aan de tafelrand, hoe moeder en vader aan de tafel staande, boter en eieren schikten in een grote wissen mand met groot handvat.
Een andere keer lieten mijn jongere zus en ik ons, om beurten hangend aan de staart van onze grote rosse Mechelse scheper, door de huiskamer voortslepen.
Of nog hoe de Belgische soldaten in 1939 thuis in de schuur sliepen en hoe ze de ganse opkelder hadden volgestouwd met langwerpige witte broden. Daar mochten we zeker niet in de buurt komen.
Of hoe één van die soldaten, op een oude krakkemikkige fiets zonder banden, door de sloot koerste.
Wij speelden en ravotten met hen, maar tot in de stal tussen de koeien dierven ze ons niet achtervolgen.
Acht! Wat is die tijd reeds lang geleden en wat is alles zo onvoorstelbaar snel veranderd, vooral in gunstige zin.
Onze nieuwe woonst.
Het werd oorlog

Toen kwam het Duitse leger ons land binnenvallen.
Zoals talloze andere gezinnen trokken mijn ouders op de vlucht. Met paard en kar en alles wat we maar konden laden ging het instinktmatige westwaarts, weg van het bangelijke naderende Duitse leger.
Amper vertrokken, hoorden we hoog boven onze hoofden de gierende, razende en elkaar bestokende vliegtuigen te keer gaan. In grote bogen om elkaar heen draaiend, steeds opnieuw stijgend en dalend, om mekaar te ontwijken, ratelden minutenlang de zware machinegeweren. Projectielen floten overal in het rond. Vader leidde paard en kar in allerijl onder een rij hoge dennen en struiken naast de weg. Half dood van schrik zaten mijn broer, mijn zus en ik op de kar, diep weggezakt tussen de dekens en kussens. Het angstaanjagende luchtgevecht greep eigenlijk zeer hoog boven onze hoofden plaats en hun dreiging was zeker niet voor ons bedoeld. Toch zagen we in de verte enkele dakpannen van ons nieuwe huis aan scherven uiteenspatten.
Onze vlucht bleek achteraf voorbarig geweest. Diezelfde avond zou ze een paar dorpen verder reeds eindigen. Want inmiddels was het Duitse leger toen reeds met grote haast richting Diest en Brussel voortgeijld. We hadden nergens Duitse soldaten gezien.
Gelukkig maar.
Die nacht sliepen we in de schuur van een boerderij. Als kleinsten werden we de volgende morgen verwend met boterhammen en een lekker spiegeleitje.
Nog diezelfde avond waren we weer allemaal samen thuis.
Mijn zorgeloze kindertijd
Terwijl elders in de grotemensenwereld de onbarmhartige oorlog voortwoedde, waren wij ons als kind maar weinig bewust van het onnoemelijke leed dat door die wrede oorlogoveral werd aangericht.![]() |
Langs beemden , velden en bossen
Als er vakantie was, trokken we er soms een ganse dag op uit. We ontdekten talrijke soorten bloemen, planten, bomen en struiken in de vrije natuur.
Ons onbegrensde speelparadijs reikte tot ver over de dorpsgrenzen heen.





Vogelnesten zoeken
Geen vogelnest bevond zich te hoog.

De vindplaats van een nest, het aantal, de kleur en de grootte van de eitjes vertelden ons welke vogelsoort erin woonde. We telden de eitjes en leerden dat iedere vogel zijn typische kleur en grootte van eieren heeft. Broedsels van fazanten en wilde eenden waren uiterst moeilijk te vinden.


In de vrije natuur
Voor regen of wind waren we nooit vervaard.

Bij mooi weer zwierven dikwijls barrevoets langs wegen en velden, sloten en grachten op zoek naar vogelnesten of allerlei bloemen of vlinders. Of we vingen salamanders, kikkers of stekelbaarsjes in de sloten. Daarin was het water toen nog glashelder.
Door de zompige beemden ploeterden we tot bij de mooie knalgele dotterbloemen of de ranke stengels van de gele lissen, of het uitgestrekte tapijt van het helderwitte veenpluis (wollegras).
Bij het plukken van rietstengels, met hun langwerpige smalle vlijmscherpe bladeren, kon je vervaarlijke snijwonden oplopen. Dikwijls verzamelden we bundeltjes rietpluimen en de sierlijke lisdodde tot een mooi boeket.
![]() |
Van de waterbiezen vlochten we slierten om ter langst, om er daarna kleine matjes of vederlichte sandaaltjes mee te maken.
Het water in de smalle slootjes was meestal glashelder. Je kon er gewoon van drinken, maar de bodem was er bedekt met een dunne roestbruine laag, voortkomend van een ijzerhoudende onderlaag in de bodem. Van moeder leerden we dat dit glashelder water geneeskrachtig werkte bij licht ontstoken oogleden van kleine kinderen!
Soms zag je er stekelbaarsjes pijlsnel wegflitsen naar een veiliger bergplaatsje. Zelfs jonge snoekjes ter lengte van 10 tot 15 cm 15 cm zag je er hier of daar roerloos tussen de waterplanten liggen genieten van de weldoende zonnestralen.
Duizenden snelle draaikevertjes (schrijverkes) cirkelden in allerlei bochten kris kras door elkaar, om dan plots met zijn allen weer even roerloos stil op het heldere water te blijven rusten. Geen wonder dat de dichterlijke ziel van Guido Gezelle ze zo mooi heeft beschreven in zijn prachtig gedicht “Het schrijverke"
![]() |
Ik weet een vogel wonen
Vogelnesten zoeken was een geliefd tijdverdrijf.

Een opstelletje uit een schrijfboek van mijn twee jaar oudere broer, 30 april 1947.
Ik weet een vogel wonen. Zondagnamiddag waren wij op zoek geweest naar vogels. Wij hadden er twee gevonden. Zij woonden hoog in een dennenboom.Het waren twee eksters. De ene had drie eitjes en de andere twee. Wij gingen wat verder, daar in een haag stond een klein nestje. Het vogeltje zat er op, het vloog weg en we zagen drie schone eitjes met bruine puntjes er op. We gingen wat verder, bleven stilstaan, wat gebeurde er. Het vogeltje kwam weer aan gevlogen recht naar het nest en wipte er terug op, en het ging weer terug door met broeien. We zeiden tot elkaar: “zo schone vogeltjes en die zoveel goed doen, mogen wij nooit roven.”
’s Winters beleefden we de grootste pret met baantje glijden of sleeën met de zelfgemaakte ijsstoel..
Het schaatsenrijden op de ondiepe bevroren plassen was heerlijk, vooral als vader en de grote broers ook meegingen.
Frans een handige timmerman uit de buurt en een goede vriend van vader maakte op een minimum van tijd voor elk van ons een paar houten schaatsen.
’s Zomers waren verstoppertje spelen en voetballen met een zelf gemaakte bal van vodden en koeienhaar dikwijls ons belangrijkste tijdverdrijf, vooral op de zondagnamiddagen, als er bezoek was van neefjes en nichtjes of de kinderen van de buren.
Op school geleerd


Een opstelletje uit 1947
Een beetje dorpshistoriek.
Van oudsher is ons dorp Stokrooie steeds een bosrijke omgeving geweest. Een gebied waar de bewoners vrij hout mochten rooien.
In 1154 wordt de naam voor het eerst vermeld in oude archiefstukken.
Op een zachte glooiing, ver genoeg verwijderd van het overstromingsgebied van de Demer groeide hier deze kleine nederzetting.
De bewoners leefden van de schaarse opbrengst van de landbouw.

Rond een kleine kapel,gebouwd circa 1500, breidde de dorpskern zich gestaag uit, onder het bestuur van de heren van de baronie van Vogelsanck en het kerkelijk toezicht van de Luikse prinsbisschoppen.

In 1846 werd ons dorp een vrije gemeente.
Tussen 1852 en 1856 werd de huidige parochiekerk gebouwd. Haar patroonheilige is de heilige Amandus. Hij leefde tussen 594 en 675.

Zijn levenswerk wordt bondig uitgebeeld in de huidige glasramen van de kerk. Ieder jaar tijdens de meimaand komen er bedevaarders de hulp inroepen van Sint Amandus. De bedevaarders roepen zijn voorspraak in bij koorts, verlamming, reumatiek, huidziekten, stuipen en ziekten onder het vee.
Slechts een boogscheut verwijderd van de eeuwenoude abdij van Herkenrode, was de invloed van de abdij nochtans niet zo uitermate groot.
De abdij bezat hier in het verleden wel wat grondeigendommen doch de opbrensten hierop waren niet zo denderend vanwege de mindere kwaliteit van de magere zandgrond in onze streek.
Ergens in de 15de of de 16de eeuw ontstond er een hoeve op "Het Goed van Olmen" in ons dorp. Toen de hoeve later onder de vleugels van de abdij kwam, verwierf de hoeve befaamdheid tot ver buiten de dorpsgrenzen. Na 1792, onder het Franse Bewind, werd de hoeve en "Het Goed van Olmen" samen met de abdij verkocht als "Zwart Goed".
Enkele dorpsgezichten
Ons dorp aan het oud kanaaltje

Ons dorp aan het Albertkanaal.
Kanaalwerken 1930-1939
Op 31 mei 1930 werd door koning Albert I het sein gegeven voor de start van de graafwerken aan het kanaal dat zijn naam zal dragen.![]() |
Het oude wegentraject gewijzigd.
Een ingewikkelde bruggenhistorie.
Tussen 1935 en 1937 werden hier de oude bruggen vervangen door één enkele enorme stalen boogbrug .
Ze werd ongeveer vierhonderd meter verder naar het noorden gebouwd.

Over een gans nieuw aangelegde weg zou dit reusachtig gevaarte, met enorme spanbogen en
een breed betonnen wegdek voortaan het nieuwe kanaal overspannen.
De brug werd ter plaatse gemonteerd van de westelijke naar de oostelijke oever. De onderdelen werden met zware klinknagels aan elkaar geklonken.

Zo te zien een gevaarlijk werk. Een dorpsgenoot viel tijdens dit werk van de hoogste hijskraan naar beneden. Hij werd hierbij ernstig gewond, maar bracht het er gelukkig toch levend vanaf.
De beide oude bruggen konden nu worden afgebroken. De oude kanaalbedding werd immers verbreed tot ongeveer zestig meter.
Vanaf 1939 zou alle verkeer van west naar oost door het dorp verlopen via de nieuwe kanaalbrug. De nieuw aangelegde weg kreeg dan ook de naam Nieuwe Weg.
Als gevolg van deze ontwikkeling zullen de beide oude trajecten via de Kapelstraat en via de Bredestraat in de toekomst aan belang inboeten. Terwijl langs de Nieuwe Weg de bebouwing grote uitbreiding begon te nemen.
Deze ontwikkeling zou tijdelijk nog flink overhoop worden geworpen door het uitbreken van Wereldoorlog II.
De officiële opening van het volledige Albertkanaal door koning Leopold III had plaats op 30 juli 1939.
Het monster van de oorlog sloeg ook toe in ons dorp.
De eerste boogbrug was echter geen lang leven beschoren.
Bij de Duitse invasie op 10 mei 1940 werd ze verwoest, net zoals vrijwel alle bruggen en sluizen van het pas geopende Albertkanaal.
Op een morgen, op weg naar school, zagen we de reusachtige boogbrug, middendoor gebroken, met de beide middenstukken tegen elkaar in het kanaalwater liggen. Beide dorpshelften werden hierdoor letterlijk van elkaar gescheiden.
Sommige waaghalzen riskeerden het nog wel om langs de sterk hellende brugdelen naar de overkant te klauteren. Daar waagden wij ons zeker niet aan.
Er werd nu een vlotverbinding aangelegd, halverwege de Nieuwe weg en de Bredestraat.
Circa 1941 werden de twee brughelften met lasbranders stukgebrand en op de westelijke oever tot een troosteloze schroothoop gestapeld.
Daar lag nu “onze” mooie brug. Ze lag er nog lange tijd te roesten.
Op weg naar kerk of school gebruikten wij de rechtopstaande boogstukken wel eens als schuilplaats tegen de regen.
Er werd een tijdelijk vlot ineen getimmerd. Hiermee konden de bewoners nu weer de overkant bereiken.
In 1942 werd er een nieuwe boogbrug gebouwd.

Nu werd de brug in haar geheel, rustend op rollen op het wegdek, ineengetimmerd. Eenmaal voltooid, werd het hele gevaarte aan dikke stalen kabels door twee enorme windassen naar de oostelijke oever gesleept,totdat de enorme constructie precies op de vooraf bestemde plaats kwam te liggen.
Ook de tweede boogbrug werd opgeblazen.
De tweede wereldbrand rommelde intussen voort. Doch het tij keerde langzaam. De Duitse bezetter werd stelselmatig terug gedreven binnen zijn eigen grenzen.
Deze nieuw brug werd in 1944 zwaar bestookt tijdens nachtelijke bombardementen, uitgevoerd door de geallieerde luchtmacht. Ze wilden zo de aftocht van de bezetter bemoeilijken.
Tijdens één bepaalde nacht waren er hevige bombardementen geweest, waarbij de hele omgeving van de kanaalbrug werd verlicht door talrijke neerdwarrelende magnesiumfakkels, om zo de ganse omgeving te kunnen fotograferen en de Duitse troepenbewegingen te kunnen kontroleren.
De Britse bommen konden slechts gaten slaan in het betonnen brugdek. Verscheidene bommen ontploften met een zware doffe knal in het kanaalwater. De brug zelf hield stand.
De volgende morgen besloten mijn ouders wijselijk, dat wij niet naar school mochten gaan vanwege het gevaar voor nieuwe bombardementen. En ja, die namiddag werd de kanaalbrug opnieuw belaagd.
Hierbij schampte één van de bommen af op een brugboog, kaatste weg over het gekasseide wegdek, om daarna horizontaal voort te vliegen, regelrecht in de richting van onze school.
De leerkrachten en aanwezige schoolkinderen waren tijdig naar de kelder in het huis naast de school gevlucht. Precies daar zou de bom zijn ontploft, ware het niet dat ze een twintigtal meter eerder werd opgevangen door "onze kersenboom" en het kippenhok van de familie Leus, waar ze ontplofte, vlak naast onze speelplaats.
Het ganse schoolgebouw werd verwoest. Er was gelukkig enkel stoffelijke schade. Leerkrachten en schoolkinderen kwamen er met de schrik vanaf.
Toen de Duitsers in september 1944 terugtrokken, brachten zij de tweede boogbrug tot ontploffing, om de komst van de snel naderende geallieerden af te remmen.
Voortaan werden de leerlingen van de gemeenteschool ondergebracht in houten schoollokalen aan de overkant van de Kapelstraat. Het waren overgebleven soldatenbarakken van het Belgisch leger uit de tijd van de mobilisatie van 1939. De tekening hieronder geeft een goede voorstelling van de bedoelde klaslokalen.
![]() |
Het was een langgerekt volledig houten bouwwerk, rustend op talrijke kleine gemetste pilaartjes. Het bouwwerk was onderverdeeld in drie klaslokalen. In elk lokaal stond er één kolenkachel.
Op het eerste zicht schijnbaar primitief.
Toch hadden deze klasjes gezien de omstandigheden ook hun eigen charme.
Tijdens de speeltijd doken we dikwijls, achter de rug van de meester, snel op onze buik onder de lokalen door, tot bij het beekske. Daar zaten stekelbaarsjes, salamanders en schrijverkes. Het water was er immers staalhelder.
Het grootste deel van mijn lagere schooltijd bracht ik in deze schoollokalen door.’s Winters bar koud, ’s zomers broeierig heet.
Verscheidene jaren later bouwde de gemeente nieuwe klaslokalen op de plaats waar voordien de oude school had gestaan.
Tegen die tijd was ik echter de lagere schooltijd reeds ontgroeid.
Leven onder de vreemde bezetter.
Bende van de dameskous.
In die tijd woonden buren op de buiten meestal een eind ver van elkaar verwijderd. Zodoende hadden we thuis van die overval niets opgemerkt.
Voortaan gingen thuis alle deuren veilig op slot als het begon te schemeren. Achter elke buitendeur stond een riek of een gaffel klaar. Vaders’ tweeloop stond steeds geladen binnen handbereik. Gelukkig moest het wapen nooit worden gebruikt, behalve dan om wat wild te stropen.
De opgepakte kippendief werd zwaar op de rooster gelegd. Uit zijn bekentenissen kwamen allerlei feiten en namen van andere bendeleden aan het licht. De bende telde wel om en bij de 100 leden.
Eén voor één werden die later aangehouden en in het gevang gestopt. Na de oorlog werden ze voor de gepleegde feiten veroordeeld.
Bij de wedersamenstelling in 1947 van de overval bij onze buren, zag ik met eigen ogen de kopstukken van de bende. Aan de polsen geboeid stonden ze buiten op het neerhof uitbundig pratend met de rijkswachters. Ze lachten en gekscheerden zonder ophouden. Het zagen er eerder hongerleiders uit in plaats van boosdoeners. Hun foto kwam nadien ook in de krant.
Thuis ging het werk op de akker en aan huis gewoon zijn alledaagse gang.
De oorlog ver van ons bed ... of toch niet?

Intussen werd er in de Stille Oceaan verwoed strijd geleverd door de Amerikanen tegen Japan.
In Noord-Afrika werden de Duitsers na langdurige gevechten verdreven om hun zo de toegang tot grondstoffen als metaal en rubber te beletten.
Pas na de landing van de geallieerden op 6 juni 1944 op de kusten van Normandië en Bretagne werden de Duitsers van de Atlantische kust verdreven.
Op 2 september 1944 trokken de geallieerde troepen België binnen.
Een maand later was bijna gans België bevrijd.
Het zou echter nog een jaar duren eer het Duitse monster volledig door de knieën ging.
Het geheim wapen.
Over het wereldwijde oorlogsgedoe 1940-1945 zouden wij pas later druppelsgewijze de ware toedracht vernemen.
Dichter bij huis zouden we echter de zware gevolgen van de Duitse vliegende bommen (V1) en hun tweetrapsraketten (V2) aan de lijve zelf ondervinden. In april 1944 kregen we er rechtstreeks mee te maken.
In het grootste geheim waren de nazi’s omstreeks 1942 reeds begonnen met proefnemingen en het uittesten van een “geheim wapen”.
De V1 was eigenlijk een logge, eerder trage en op betrekkelijk geringe hoogtevliegende bom, voortgedreven door een straalmotor.
Deze vliegende bommen waren eerder betrekkelijk gemakkelijk in volle vlucht te onderscheppen en te vernietigen. Vanaf 13 juni 1944 wierpen de Duitsers hun zogenaamde vliegende bommen (de V1) in de strijd.
Later maakten zij gebruik van de V2 raketten. Dit waren zeer snel en zeer hoog vliegende tweetrapsraketten met grote vernielingskracht. Ze bereikten hun doel geluidloos en steeds onverwacht en maakten meestal vele slachtoffers.
Ontelbaar vele duizenden (circa 30.000) vliegende bommen (V1) werden gericht op Londen, en later op de haven van Antwerpen.
Onderweg naar hun doel werden de V1 projectielen op tal van plaatsen opgespoord en beschoten, hetzij vanuit jachtvliegtuigen, hetzij door afweergeschut van op de grond.
Afhankelijk van hun vertrekbasis passeerden zeer veel van deze projectielen haast pal boven ons dorp en meermaals recht boven onze boerderij. Ze vlogen overdag maar vooral ook ’s avonds en ’s nachts om zo het afweergeschut van op de grond te verschalken.

Je hoorde hun motor reeds van op grote afstand komen aanpruttelen. Prut, prut, prut, prut, prut, prut, prut! Soms vlogen ze zo laag dat ons hele huis en ons bed angstwekkend schudde en daverde.
O, wee, als hun motorbrandstof was opgebruikt en het prut, prut, prut, geluid vroegtijdig stilviel. Dan was het rennen, redde wie zich redden kon, naar de afgesproken schuilplaats.
In het begin waren we doodsbang voor die helse tuigen. We bouwden een schuilkelder in de grond, onder een hoger opgeworpen berm. Doch alles went.
Zeer vele vliegende bommen (V1), helaas niet alle, werden zo neergehaald nog lang voor ze hun doel bereikten.
Soms gebeurde het dat zo’n aangeschoten bom als gevolg van het afweergeschut van richting veranderde of zelfs helemaal rechtsomkeer maakte, met alle gevolgen van dien.
Ons woonhuis verwoest door een V1
Zonder enige twijfel was het zo’n V1 die mijn vader, in april 1944 rond 7 uur in de morgen, hoorde naderen. Op dat moment viel het pruttelend geluid in de verte plots stil. Vader snelde van op de akker vliegensvlug naar huis, in paniek schreeuwend: ”Iedereen naar buiten! Er gaat een vliegende bom op het huis vallen!”
Al wie kon vluchtte het huis uit. In zeven haasten trok moeder de dekens helemaal over het slapende jongste kind. Zij en mijn oudste zus grepen in allerijl elk één van de jongere kinderen onder de arm en vluchtten naar buiten. Op dat ogenblik ontplofte de bom, waardoor beiden tegen de grond werden geslingerd.
Op de slapende kleinste en mijn jongere zus na was iedereen tijdig buiten geraakt. Mijn broer Frans en ik vluchtten achter onze vertrouwde hooimijt, vanwaar wij angstvallig het akelige geruisloos naderende vreemde tuig, in glijvlucht zagen dalen in de richting van onze hoeve.
Mijn broer en ik draaiden behoedzaam mee rond de hooimijt. Pal boven het huis gekomen, op een hoogte van ongeveer vijftig meter, brak toen plots, met een lichte knal, de linker vleugelstomp van de logge romp af. Het stuk vleugel stortte neer en boorde zich een paar meter achter het huis met een tip in de grond.
Toen kantelde de bom naar links, en gleed langzaam van het huis weg. We zagen ze achter de nok van het dak verdwijnen.
Een paar seconden later klonk een doffe knal. Een ogenblik later zagen wij voor onze ogen duizenden grote en kleine projectielen, als een wervelwind, het weidegras aan flarden rukkend, voorbijvliegen.
Wij twee waren dubbel beschermd, door het huis en door de hooimijt. Geen vijf seconden later was alles rondom ons gehuld in dichte zwartgrijze rook. Daarop volgde een ijzige stilte.
Van de hand Gods geslagen kwamen wij na enkele ogenblikken uit onze schuilplaats te voorschijn. Wat we zagen was een apocalyptisch beeld.

Een haast niet te beschrijven ravage was aangericht. De boerderij stond nog rechtop. Geen enkele pan lag nog op het dak. Het ganse neerhof was bezaaid met brokstukken, scherven van dakpannen, stuk geslagen vensters en spaanders hout van deuren, ramen en daktimmerwerk.
De grote schuurpoort lag wel twintig meter verder, in de weide van een buurman geslingerd. Bijna alle buitendeuren waren uit hun hengsels gerukt.
Toen zagen we vader en mijn oudste broer komen toelopen vanuit de richting waar de bom was ontploft. Tegelijkertijd zagen we moeder nabij de drinkwaterput recht krabbelen met een van de kinderen op de arm. Ook mijn twee jaar oudere broer en mijn oudste zus kwamen erbij staan. We stonden allen aan de grond genageld.
Het leek wel een mirakel. Niemand bleek gewond, of toch wel. Na enkele ogenblikken kwam mijn jongere zus het huis uit, ze weende. Een paar straaltjes bloed, liepen langzaam langs haar elleboog en haar dijbeen naar beneden. Na verzorging bleken ze veroorzaakt door rondvliegende glasscherven.
En de jongste broer? Die lag nog rustig voort te slapen in zijn bedje, onder de dekens die moeder helemaal over hem heen had getrokken. Over de hoge bedrand heen lag het uitgerukte vensterraam. De talloze glasscherven hadden hem niet gedeerd.
In de woonkamer was alles stuk geslagen. Potten en pannen, borden en tassen lagen verspreid op de grond. Zelfs het behang hing met grote lappen aan flarden van de muren naar beneden. Overal verspreid lag kalk van losgerukt bezetsel en scherven van stukgeslagen ruiten.
Van beneden op de vloer kon je op talrijke plaatsen gewoon, langs de muur naar boven kijkend, de lucht waarnemen.
Grote verslagenheid alom.
Er was in gans het huis geen enkel venster meer heel. Van alle binnendeuren hing er nog slechts één vast met één enkel scharnier.
Buiten lagen tot ver in de omtrek overal verwrongen en doorboorde stukken grijsgroen gekleurd verwrongen en doorboord plaatwerk, onderdelen van de bom.
Het duurde lang eer iedereen een beetje bekomen was van deze enorme verschrikking.
Al gauw kwamen de eerste ramptoeristen toestromen.
Wat mij toen het diepste heeft getroffen was de ongelooflijke nieuwsgierigheid en het franke optreden van een aantal toegestroomde dorpsgenoten. Er liepen zeker meer dan honderd nieuwsgierigen rond. Sommigen overdreven nieuwsgierigen gingen ongegeneerd zelfs tot in het woonhuis rondneuzen.
Er was er slechts één, een schooljuffrouw, die hulp kwam bieden bij de verzorging van de enige lichtgewonde.
We hadden plots geen privé meer. We stonden als het ware ineens hulpeloos op straat.
Ik vraag me zelfs vandaag nog af, waar mijn ouders de moed vandaan hebben gehaald om deze onbeschrijflijke ramp te boven te komen.
Met alle mogelijke middelen werden de allernoodzakelijkste deuren en ramen voor de eerstkomende nacht dicht getimmerd. De rest zou later wel volgen.
Ik herinner me vandaag nog zeer goed hoe we die nacht, allen bevreesd voor de dieven, zijn gaan slapen.
Precies veertien dagen later, op een donderdag rond 13.00 uur, kwam er weer zo’n sputterend tuig zeer laag overvliegen. Het hele huis daverde. We stormden naar buiten. Daar zagen en hoorden we de bom verder pruttelen. Op dat ogenblik viel de motor uit. Het akelige tuig daalde in zweefvlucht, langzaam glijdend voorbij ons huis, tot het 400 meter verder in de toppen van een dennenbosje ontplofte.
Vandaag kunnen we ter plaatse nog vaststellen, hoe er in diezelfde rij dennen een flink aantal ontbreken.
Twee vliegende bommen (V1) en één tweetrapsraket (V2), in de Goorstraat, hebben zo’n 64 jaar geleden ons klein dorpje weten te treffen. Er was telkens grote stoffelijke schade, doch er vielen hierbij gelukkig geen doden.
Moest ik vandaag die Duitse rakettenpionier Von Braun nog kunnen ontmoeten, ik zou het hem eens flink onder zijn neus wrijven. De man is echter reeds 31 jaar geleden overleden.
Het einde naderde.
![]() |
Na de landing in Normandië op D-day, 6 juni 1944, geraakte iedereen in ons land stilaan overtuigd dat het einde van de oorlog naderde.
Op 11 september 1944 gonsde het in ons dorp van de geruchten over het naderende leger van de geallieerden.
De avond voordien waren er nog Duitse eenheden aan de oostelijke oever van het Albertkanaal gelegerd.
Ze vuurden op alles wat er op onze westelijke kant van de kanaaldijk bewoog. Iedereen verwachtte nu hevige gevechten nabij het kanaal bij het naderen van de Britse troepen.
Toen deze op 11 september rond 16 uur in razende vaart in hun kleine lichte jeeps zelfs door de kleinste weggetjes de dijk van het Albertkanaal opstormden, gebeurde er niets.
De Duitse eenheden bleken namelijk de nacht voordien in zeven haasten te zijn gevlucht. De tweede boogbrug, gebouwd in 1942 hadden ze echter met dynamiet opgeblazen, om zo de aanstormende bevrijders af te remmen.
Er bleven die dag steeds maar meer jeeps en lichte pantserwagentjes langs ons smal straatje naar de kanaaldijk stormen.
Onze verse tomaten en eieren waren bij de geallieerde soldaten zeer welgekomen.
In 24 uur tijd werd nu door de genietroepen aan de Bredestraat een dubbele noodbrug, een pontonbrug rustend op inderhaast opgekalefaterde kleine oude kanaalschepen, ineengetimmerd.
![]() |
In het begin passeerden we daar elke dag, op weg naar kerk of school.
Intussen sleepten de oorlogsmaanden zich moeizaam voort.
![]() |
Na de oorlog werd één brughelft van deze baileybrug verwijderd om ze elders, waar de noodzaak groter was, te gebruiken.
De andere helft bleef nog in gebruik tot circa 1962. Toen werd de Baileybrug vervangen door de nieuwe betonnen constructie die we in ons dorp vandaag nog kennen
De Slag om de Ardennen
Na de intocht van de geallieerde troepen op 11 september 1944, werden de Duitsers stelselmatig verdreven. uit onze streken.
De geallieerde troepen rukten al te gehaast via België en Nederland op naar Duitsland.
In België vierde men intussen reeds overal uitbundig de bevrijding, de overwinning op het Duitse leger en het einde van de oorlog.
Ook een aantal dorpsgenoten trokken juichend en triomferend naar het dorpscentrum. Op het gemeentehuis werd de sirene naar buiten gehaald. Maar deze keer niet om luchtalarm aan te kondigen. Een paar stevige jonge kerels begonnen zo krachtig en zo luidruchtig de handbediende sirene te doen loeien tot ze stuk sprong.
Het was echter even te vroeg hoera geroepen … de beer was nog niet geschoten.
In een laatste stuiptrekking zou het Duitse leger nog plots uitpakken met een groots opgezette verrassende tegenaanval.
Vanuit de Eifelstreek rukten ze weer op, via de Ardennen naar België.
Op 16 december 1944 barstte het Duitse tegenoffensief los.
![]() |
Dit schrikwekkend nieuws sloeg in als een bom. Ik herinner me nog zeer goed hoe de schrik ons allen om het hart sloeg bij het horen van dat onverwachte nieuwsbericht.
Zouden de “Moffen” dan toch nog de oorlog gaan winnen?
De Duitse infanteriedivisies stootten met hun pantsereenheden, onder leiding van Von Rundstedt, tot diep in de Belgische Ardennen door.
De Amerikaanse divisies, die in de Ardennen verbleven onder leiding van Generaal Patton werden totaal verrast. Hun divisies, die duidelijk in de minderheid waren, kregen zware klappen.
Daar de weersomstandigheden met sneeuw, mist en vrieskoude volledig in hun nadeel werkten konden ze niet rekenen op de hulp van hun luchtmacht.
Ze werden langzaam maar zeker in een wurggreep genomen door de Duitse overmacht.
Ze hielden echter hardnekkig stand en brachten de Duitse aanval tot staan bij Bastogne.
Op de Duitse eis tot overgave, klonk het Amerikaanse antwoord kort en krachtig:”Nuts!” (= “Val dood!)
Intussen rukten geallieerde versterkingstroepen aan.
Op 23 december klaarde de hemel boven de Ardennen eindelijk op.
Door het ingrijpen van de geallieerde luchtmacht, werd het lot van de Duitse troepen nu snel bezegeld.
Intussen vielen de geallieerde vliegtuigen ook nog talrijke andere doelwitten, dieper in Duitsland gelegen, aan.
Op 26 december werden de Duitse linies nabij Bastogne doorbroken.
Het eindresultaat van het ardennenoffensief was verpletterend.
Bij de Duitsers telde men 2.500 gesneuvelden, 1050 krijgsgevangenen, 81 van hun 88 tanks, 7 lichte kanonnen en al hun veldgeschut (74 stuks) en 405 voertuigen werden vernietigd.
De lang verwachte dag
Aan het oostelijk front hadden de Russen, sedert de slag bij Stalingrad, het Duitse leger reeds ver naar het westen teruggedreven.
Op 12 januari 1945 begonnen zij hun laatste winteroffensief tegen Duitsland.
Aan het westelijk front stootten de geallieerden door tot over de Rijn. Ze rukten steeds verder en dieper Duitsland binnen.
Het eens zo oppermachtige Duitse leger zat nu klemvast in een vernietigende wurggreep.
De beide fronten schoven steeds sneller op naar het hart van Duitsland.
Het werd nu snel een totale nederlaag voor de Duitsers.
![]() |
Op 25 april 1945 begroetten de Russische en Amerikaanse troepen elkaar aan de Elbe.
Eindelijk brak de langverwachte dag aan. De Duitsers werden tot de definitieve overgave gedwongen.
De capitulatie werd getekend op 4 mei 1945
Toen de oorlog in Europa in mei 1945 was beëindigd, bleef Japan nog doorvechten.
Amerika besloot daarom een nieuw wapen te gebruiken om de oorlog te stoppen.
Er werden twee atoombommen gedropt op Japanse steden.
De eerste op Hiroshima op 6 augustus 1945
![]() |

Het resultaat was onbeschrijflijk.
De stad Hiroshima en haar omgeving werden van de kaart geveegd. Naar schatting waren daar ongeveer 250.000 slachtoffers.
In de kleinere stad Nagashaki werden nog eens 80.000 slachtoffers gemaakt.
Korte tijd later gaf ook Japan zich over.
Slachtoffers ten gevolge van de tweede wereldoorlog.
In Rusland: 13.600.000 militairen en 6.000.000. burgers.
In Duitsland: 3.250.000 militairen en 3.640.000 burgers
In Groot-Brittannië: 370.000 militairen en 60.000 burgers.
In België: 10.000 militairen en 50.000 burgers.
In de rest van Europa: 12.710.000 militairen en ongeveer 4.500.000 burgers.