1865 – Mattheus Edward Buelens werd burgemeester van Leest.
Mattheus Edward Buelens was te Hombeek geboren op 16/4/1830 en zou hetzelfde jaar dat hij burgemeester werd, op 10 april 1965 te Leest, overlijden. Hij was amper 35. Mattheus Buelens was afkomstig uit Hombeek en de zoon van Petrus Joannes Buelens (°1783,+1871) en van Joanna Maria Smets (°1797, +1876). Mattheus Buelens huwde te Leest op 26 november 1856, met de weduwe Marie Ludovica Wouters (°Leest 4/8/1824, +Leest 8/11/1875), oudste dochter van de vroegere burgemeester Carolus Wouters. Haar eerste man Jaak Somers, pachter op de Rendelbeekhoeve, was tien maanden voordien overleden (14/1/1856). Mattheus Buelens had zijn woonst op de Dorpsplaats waar later de beenhouwerij van Nante De Prins gevestigd was. Hij liet vier kleine kinderen achter : -Jan Constant (geboren 1857, overleden in 1865), -Theofiel (geboren 1859, was gehuwd met Pelagie Steemans), -Henri Augustinus (geboren 1861, overleden 1876) en -Marie Theresia Leonie (geboren 1865, overleden 1873).
Na de dood van haar man trouwde Marie Louise Wouters een derde maal, in 1866, met Jan Theodoor Bogaert, die later burgemeester werd van 1879 tot 1881. Ze overleed in 1875. Ze was de dochter geweest van een burgemeester en de echtgenote van twee anderen. Tot 1867 zou Bonifacius Lauwers de taak van burgemeester overnemen. (De Band-1959 en LG, blz. 109)
1865 – Bonifacius LAUWERS werd de tijdelijke opvolger van burgemeester Buelens.
Hij tekende als “burgemeester” akten van de burgerlijke stand van Leest van oktober 1865 tot eind 1966. De molenaar Bonifacius Lauwers was te Hombeek geboren op 13/5/1820 als zoon van Joannes Frans Lauwers (1769-1852) en van Petronilla Bulens (1786-1844). Hij had zijn molen in de Juniorslaan, locatie waar later zijn kleinzoon Gust woonde. De molen verdween tijdens de eerste oorlogsmaandan van 1914. Bonifacius Lauwers waseen eerste maal te Heffen gehuwd hop 16/4/1845 met Anna Catharina Van Loock (°St.Kat.Waver 30/1/1779, + Leest 25/11/1868) en een tweede maal eveneens te Heffen met Francisca Pelagia Ceulaerts (°2/3/1846, + ?). Francisca was 25 jaar jongen dan hij. Acht van hun elf kinderen werden volwassen : Fons (1871), Fien (1873), Victor (1874), Frans (1879), Leonard (1881, vader van Gust de latere burgemeester), Jan (1883), Marie (1887) en Kato (1890). Deze laatste huwde met burgemeester Miel Verschueren.
1865 – 6 maart : Willem LIPKENS werd als “ondermeester” benoemd. (“DB”, maart ’1958)
1867 - Petrus De Maeyer werd burgemeester van Leest.
Hij was te Leest geboren op 14 december 1809 en overleed te Mechelen op 12 Februari 1891. Deze bakker en herbergier was een zoon van Jacobus De Maeyer (°Puurs rond 1746, +Leest 1812) en Anna Catharina Peeters (°Londerzeel 1769, +Leest 1830). Petrus De Maeyer huwde een eerste maal op 3/5/1838 te Leest met Joanna Catharina Coremans (°Tisselt 28/11/1800, +Leest 13/11/1839), winkelierster-herbergierster en een tweede maal met Monica De Blezer (°Puurs 2/8/1807, + Leest 31/12/1861).
1871 – Leopold de Meester nam de burgemeestersjerp over van Petrus De Maeyer.
Dit tot 1879. Leopold was de oudste zoon van Pieter Jan de Meester (°Mechelen 1790, +Hombeek 1847 -eveneens burgemeester te Leest en te Hombeek) en van Catharina Geelhand de Merxem (1798-1866).
Leopold de Meester werd geboren in 1825 en huwde met Anna Rachel de Coussemaeker. (°Douai Frankrijk, 8/3/1841, +1916) die hem twee kinderen schonk : Emmanuel (°1866) en Isabelle (°1871). Hij was eerst schepen te Hombeek (1856), daarna burgemeester te Leest en nadien provincieraadslid van Antwerpen.
Van 1847 tot 1866 nam hij het beheer van de familie en dit van Expoel waar. Leopold was een man van zijn tijd en dweepte met de romantiek. Dat vertaalde zich ook in de aanleg van een totaal nieuw park. Hij herschiep het in een Engelse landschapstuin wat toen erg in de mode was. In het park van het kasteel ontstonden er kronkelende wandelwegen, bomenpartijen op lichte hellingen, bloeiende struiken, valleien met open zichten en afgronde vijvers. De bomenlanen met centrale steraanplanting werden herschapen in akkerland en ook de omgeving werd stelselmatig verder ontbost iets wat met zijn vader Gaspard de Meester al een aanvang genomen had. Vele reuzendikke bomen werden toen verkocht. Leopold de Meester, een dichterziel, beschreef het vellen van een reuzeneik in het Stockenbroeck, getuige van zoveel eeuwen geschiedenis. Als attente botanist plantte hij met zijn broer Athanase in het nieuwe park een zeer rijke variëteit van bomen. Bij het overlijden van hun moeder Catharina Geelhand de Merxem in 1866 stond Leopold Expoel af aan zijn jongere broer Athanase. Hij woonde eerst te Leest. Later kocht hij het kasteel van Ramsdonk waar hij zou blijven wonen en na hem zijn zoon Emmanuel de Meester (1866-1943) en diens echtgenote Theresia van Outryve d’Ydewalle. Hun zoon Bernard de Meester de Ravestein is in 1936 teruggekomen naar Expoel in Hombeek. Een andere zoon van Leopold, Henry de Meester de Ravenstein verkocht het Hof ter Haelen aan Emiel Verschueren. Henry werd later burgemeester te Zandhoven. Leopold de Meester overleed in 1885. Hij was ook de grootvader van de laatste burgemeester van Hombeek.
Vervolgt.
Foto’s :
-De handtekening van Mattheus Edward Buelens zonder de letter E. -Centraal in beeld molenaar Bonifacius Lauwers in 1902, omringd door familieleden en naast zijn tweede echtgenote Francisca Pelagia Ceulaerts (met muts). -Zijn handtekening. -Handtekening van Petrus De Maeyer. -Zijn gedachtenisprentje. -Het Expoel kasteel te Hombeek. -Het wapenschild van de Meester : in sabel negen aaneengesloten bollen in goud in vorm van kruis met onderschrift : Deo et labore. -Handtekening van Leopold de Meester.
De geschiedenis van de “Kompagnie van Scherpenheuvel” uitschrijven vergt meer tijd dan ik had verwacht. Paul Van Roy bezorgde me honderden foto’s die moeten verwerkt worden en werkzaamheden aan de basiliek van Scherpenheuvel stelden raadpleging van het archief aldaar uit.
Om die reden nemen we de chronologie van de wijzigingen-aanvullingen in de Kornieken weer op om later de afgewerkte geschiedenis van de Leestse bedevaarders integraal te publiceren op deze website. Marcel.
1846 – Livinus Van Ostade werd onderpastoor te Leest Onder het pastoorschap van Gabriel Hermans kwam er eindelijk terug een onderpastoor. Livinus Van Ostade werd in Turnhout geboren op 15 maart 1819 en priester gewijd te Mechelen in 1845. Leest was dus zijn eerste werkterrein. Hij werd er benoemd op 31 december 1845 en vatte zijn taak aan in 1846. Als onderpastoor maakte hij te Leest de kerkvergroting mee en hij doopte er 35 kinderen tussen 30 mei en Kerstmis 1854. Hij trouwde er 9 koppels en hij zegende er 11 gestorven mensen van 7 juni tot 3 oktober 1854. Zijn salaris bedroeg 500 fr. Zijn pastoor schreef over hem : “Hij is vroom en studeert vlijtig.” En ook : “Zijn onderricht in de vroegmis geeft hij zo goed hij kan en de pastoor zou niet weten wie het beter zou kunnen.” (“De St-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans)
1855 – Stichting Broederschap van de Heilige Rozenkrans. (“DB”, oktober 1957)
1856 – Intekenlijst voor het kleed van O.L.Vrouw van de Rozenkrans In 1856 was het kleed van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans in de kerk van Leest aan vervanging toe. Bijgevoegd (onderaan) de intekenlijst die circuleerde in de parochie om het nieuwe kleed te financieren. In totaal werden 256 oude Belgische franken opgehaald, een voor die tijd aanzienlijk bedrag. De pastoor gaf 10 frank - noblesse oblige - en was daarmee de enige man te midden van een gezelschap van uitsluitend vrouwelijke parochianen die de overige 246 frank inlegden: Maria (uiteraard), Melanie (2x), Francesca (4x), Rosalie, Anna, Joanna, Phelasia... Girl power in het parochieleven ! (Aartsbisschoppelijk Archief Mechelen)
1858 – Louis Voet werd burgemeester te Leest. Hij was te Hombeek geboren op 10 februari 1813 als zoon van Pieter Antonius Voet en van Anna Monica De Keyser. Hij was gehuwd op 24/8/1839 te Hombeek met Petronella Paulina Eugenia Lenaerts (°Mechelen 11/5/1816, +Mechelen 28/10/1895) . Deze laatste werd op kerstdag 1861 meter van “Jozef”, een klok die pastoor Joris was gewijd en gegoten door Van Aerschot te Leuven. Peter was Willem Devens uit Antwerpen. Louis Voet was geneesheer te Leest en de bouwer van het kasteeltje op de Kouter, waar later de familie Moyson in zou komen. Het kasteeltje werd er in 1842 door de dokter gezet. Zijn broer jonkman Joannes Voet bezat een grote boerderij op de grens tussen Leest en Hombeek en toen die op rijpe leeftijd “de ploeg aan de haak hing”, bouwde hij een herenhuis te Hombeek rechtover de kerk, gelijkaardig aan dit kasteel, alleen wat kleiner. Na de dood van dokter Louis Voet, op 31 mei 1864, werd het kasteel opnieuw door een geneesheer betrokken : dokter Van den Broeck. Rond 1896 kwam de familie Moyson er zich vestigen. Vader Moyson was een neef van dokter Voet.
Vervolgt.
Foto’s : -Livinus Van Ostade werd onderpastoor te Leest. -De intekenlijst voor het kleed van O.L.Vrouw van de Rozenkrans. -Het kasteel Moyson in de Kouter werd door Louis Voet gebouwd. -Zijn handtekening en doodsprentje.
Volgens Modest Van Steenwinkel bestond de “Kompagnie van Scherpenheuvel” uit een groepje mensen dat jaarlijks, in naam van gans de parochie, te voet op bedevaart ging. Ze hadden geen ledenlijsten en wie een paar maal meeging werd vanzelf als lid beschouwd. De meeste Leestenaren gingen al eens mee en sommigen hielden het jaren vol. Elk jaar werd een omhaling gehouden om de algemene onkosten van de bedevaart te dekken. De rest van het geld werd besteed aan enkele missen voor de overledenen en de zieken van de parochie. Ook werd er jaarlijks een grote mooie kaars geofferd “die hield dan gans het jaar wacht : als stille getuige van onze liefde, bij het beeld der Lieve Vrouwe want O.L.Vrouw van Scherpenheuvel draagt de kenspreuk : ik bemin die mij bemint !”
De kompagnie was ook vertegenwoordigd in de Leestse processies, daarvoor werd in 1953 nog een prachtig houten Mariabeeldje aangekocht, 30 cm hoog en met de hand uitgesneden. Het droeg een brocaat zijden kleed en mantel, een massief zilveren kroontje en scepter, en een gouden ketting en kruisje, dat laatste was een gift van één van de leden. Louis De Hondt vervaardigde er een speciale draagbaar voor. Traditiegetrouw werd de bedevaart gehouden acht dagen voor Sinksen. Men vertrok om 4 uur ’s morgens aan de St-Annakapel. De meeste bedevaarders hadden in de parochiekerk dan al een mis bijgewoond. Een eerste maal werd halt gehouden te Bonheiden (aan de Sint Annakapel aldaar) waar de eigenlijke processie gevormd werd en vanwaar ook regelmatig de rozenkrans gebeden werd. Onderweg werd gebeden voor de zieken en de overledenen van de parochie, ook voor de geestelijkheid, voor de soldaten, voor de jeugd en voor allen die om een gebed hadden gevraagd. Aan elke kapel die ze tegenkwamen werd even een halte gemaakt. Rond acht uur bereikte men Keerbergen alwaar koffie werd gedronken. Volgde een kort oponthoud te Tremelo, te Betekom en te Aarschot waar rond 12 uur gemiddagmaald werd. Dan Rillaar en eindelijk op die lange heuvelachtige baan zien ze de toren van Scherpenheuvel waar ze rond 16 uur toekomen. Daar werden de pelgrims processiegewijs opgehaald door de geestelijkheid van de basiliek. Godsdienstige oefeningen volgden : lof, beeweg in de kerk, rozenkransweg, kruisweg en als dat alles achter de rug was konden de vermoeide bedevaarders zich rond 18 uur gaan verfrissen in hun logement. Jarenlang waren “In de Lindeboom” en “In ’t Wit Huis” de vaste logementsplaatsen, soms kwam daar “De Sleutel” nog bij.
Na een deugddoende nachtrust stonden de bedevaarders op, woonden rond 4 uur een mis bij aan een zij-altaar van de basiliek en de lange terugtocht kon worden aangevat. Terwijl er bij de heenreis voortdurend de rozenkrans werd gebeden, werd er nu als eens meer gezongen onderweg. Ontbijt te Aarschot, middagmaal te Keerbergen, met meestal een bord soep (heel vaak van asperges) of een glas bier naar keuze, op kosten van de kompagnie. Te Bonheiden werd de kompagnie traditiegetrouw bijna altijd met een regenbui bedacht. Ondertussen waren reeds heel wat familieleden van de bedevaarders en dikwijls ook de Chiro de kompagnie tegemoet gekomen. Rond 17 uur kwam gewoonlijk de Sint Annakapel in zicht alwaar de bedevaarders werden opgewacht door pastoor en onderpastoor met een woord van dank en proficiat aan al de tochtgenoten. In de parochiekerk werd de zegen gegeven met het H. Sacrament en tot slot een danklied aan Maria gezongen.
Zo’n bedevaart was vroeger jaren een heel avontuur. Zo moest er in Keerbergen, bij gebrek aan een weg, een uur lang door het mulle zand gemarcheerd worden en bij warm weer kon men zich alleen beschutten door zoveel mogelijk de schaduw op te zoeken van plaatselijke dennenbomen, want de huizen waren zeer schaars. Het is ook gebeurd dat iemand met stukgelopen voeten op stokken moest meegesjouwd worden, niet te vergeten dat elke bedevaarder ook zijn eigen ransel op de rug moest meedragen. Na de eerste wereldoorlog werden de bedevaarders gevolgd door paard en kar. Dit gespan voerde dan al de bagage mee. “Fons van Stienes” was het die de eerste jaren voor het vervoer instond, uit dankbaarheid omdat hij tijdens de Duitse bezetting zijn paard mocht behouden. Na Fons werd Frans Piessens (“den Blokmaker”) bereid gevonden. Wegens het immer stijgende aantal bedevaarders volstond een gewone kar niet meer voor de talrijke pakken. De familie Van der Hasselt (Ferdinand en Frans) stelde zich graag met een “landbouwcamion” ter beschikking. Meestal werd die voortgetrokken door de paarden van Victor Verschueren en Sus Van den Brande. Later begeleidde “Louis van Jonker” (Louis De Hondt) de bedevaarders met zijn “automobiel”.
Vervolgt.
Foto’s : -De Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel Leest. -De Kompagnie was ook vertegenwoordigd in de processies. Hier herkennen we Albrecht en Isabella achter hun vlag in de Molenstraat. -Het houten Mariabeeld uit 1953. -De Sint-Annakapel te Leest, de traditionele vertrekplaats. -De St-Annakapel te Bonheiden waar een eerste maal halt gehouden werd.
1843 – Bedevaart Scherpenheuvel Vanaf 1843 staat in de boeken te Scherpenheuvel voor de eerste maal een bedevaart van Leest vermeld. (J.D.D. – DB – 1954) In “De Band” van juli 1959 schreef Jan De Decker dat men “beweerde” dat de “Kompagnie van Scherpenheuvel” te Leest zou bestaan sinds 1743. Hij heeft daar nooit een bewijs van teruggevonden en wij tot dusver ook niet. In een brief van 11/5/1786 noemde pastoor De Heuck zichzelf de zorgdrager van het “een en eenighste Broederschap” in Leest, daarmee doelend op een ander, dat van “het Broederschap van het Allerheiligste”. Een bewijs van het bestaan van de Broederschap in de 19de eeuw vonden we op het doodsprentje van Judocus Van San (°Leest 30/9/1824, +Mechelen 17/1/1872) alwaar er sprake is van de organisatie van een derde lijkdienst op dinsdag 30 januari 1872 “wegens het Broederschap van O.L.V van Scherpenheuvel in de kerk der H. Joannes Baptist”. Er bestaan heel wat druksels van de Kompagnie van Scherpenheuvel die al sinds 1945 over een paarse vlag beschikte (zie foto hierna) die ze elke jaar meedroeg in de processies. Intrigerend genoeg staan op die vlag de klassieke afbeelding van de aartshertogen Albrecht en Isabella geknield bij de boom met het beeld en twee jaartallen : 1775 en 1945. Zou de Kompagnie of Broederschap dateren uit 1775 ?
Het bedevaartsoord SCHERPENHEUVEL
De geschiedenis van het bedevaartsoord Scherpenheuvel gaat terug tot de middeleeuwen. De Zichemse kapelaan Lodewijk van Velthem beschreef in zijn “Spieghel Historiael” in het jaar 1304 een wonderbaarlijke, in kruisvorm gegroeide eik, die zich op een heuveltop bevond in onbewoond gebied tussen Zichem en Diest en talrijke bedevaarders aantrok. Er werd een mariabeeld aan opgehangen en volgens de legende wou een herder in 1514 het gevallen beeld oprapen en mee naar huis nemen. Toen hij het in handen had, bleef hij als versteend staan en kon geen voet meer verzetten. De herder bleef maar weg en zijn bezorgde baas ging hem zoeken. Wanneer die de ongelukkige herder vond met het beeldje in zijn handen, hing hij dat terug in de eik. Vanaf dat moment kon de herder terug bewegen. Met de troebelen ten tijde van de Reformatie verdween dat beeldje op een onbekende manier rond het jaar 1580. Inwoners van Zichem merkten dat de bedevaarders bleven komen, ook al kon er geen beeld vereerd worden en om die reden hingen ze in 1587 een nieuw beeldje aan de eik, het huidige beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Vanaf het einde van de 16de begin 17de eeuw werd Scherpenheuvel uitgebouwd tot een prestigieus en tot over de landsgrenzen bekend heiligdom. De ontwikkeling van Scherpenheuvel stond helemaal in het teken van de strijd tussen katholieken en protestanten. Voor de katholieken was het heiligdom een teken van hoop en overwinning, het bewijs van het katholieke gelijk. Voor de prostestanten was Scherpenheuvel het bewijs van de katholieke dwaling. Beide partijen vochten deze strijd uit via vlugschriften en pamfletten. Als aalmoezeniers in het Spaanse leger begonnen de Zuid-Nederlandse Jezuïeten zich sterk in te zetten voor de ontwikkeling van de bedevaartplaats. Met hun soldatenbedevaarten naar Scherpenheuvel zorgden zij voor een grote bekendheid en bevorderden zij op hun manier de devotie tot O.L.Vrouw. Tijdens de vasten van 1604 liet een Zichemse pastoor een bescheiden houten kapelltje bouwen bij de eik. Het genadebeeld werd van de eik gehaald en in het kapelletje geplaatst. Toen, in opdracht van de Mechelse aartsbisschop Hovius, de Antwerpse bisschop Miraeus een onderzoek voerde naar de wonderen die in Scherpenheuvel plaatsvonden, gaf deze laatste de opdracht om de eeuwenoude eik te kappen. De boom werd in drie stukken verdeeld en versneden in meer dan honderd mariabeeldjes die door de aartshertogen in heel Europa verspreid werden. Deze beeldjes droegen snel de devotie tot O.L.Vrouw van Scherpenheuvel uit, en worden tot op vandaag op verschillende plaatsen nog steeds vereerd. Ondanks herhaalde aanvallen van protestantse bendes bleef de toeloop in Scherpenheuvel groeien. Verschillende wonderen maakten dat deze plaats steeds verder bekend raakte. Wanneer de Spaanse troepen in 1603 in ’s Hertogenbosch konden standhouden tegen de troepen van de protestantse Maurits van Nassau, werd de overwinning toegeschreven aan O.L.Vrouw van Scherpenheuvel. De aartshertogen Albrecht en Isabella gingen als dank op bedevaart naar Scherpenheuvel en lieten er kostbare geschenken achter. Bovendien hadden zij opdracht gegeven om er een grotere stenen kapel te bouwen en dachten ze er aan om van Scherpenheuvel een nationaal heiligdom te maken. Na de val van Oostende in 1604 beslisten de aartshertogen om van Scherpenheuvel een zelfstandige stad te maken en er een grote kerk te bouwen en in 1607 begon architect Wenzel Cobergher met de voorbereidingen van de bouw van een nieuwe kerk waarvan de eerste steen in 1609 door de aartshertogen zelf gelegd werd. De kerk werd gebouwd in de typische contrareformatorische bouwstijl, de barok en zo werd Scherpenheuvel het katholieke antwoord op het protestantisme. In 1624 werd de congregatie van de Oratorianen van Philippus Neri opgericht. De Oratorianen moesten instaan voor het opvangen van de bedevaarders. Speciaal voor hen werd achter de nieuwe kerk een klooster gebouwd. Nadat er bijna twintig jaar aan gewerkt was, kon aartsbisschop Jacobus Boonen in 1627 de nieuwe koepelkerk inwijden (de kerk kreeg pas in 1922 officieel de titel van basiliek). Na de inwijding van de kerk kwam aartshertogin Isabella naar voren met de handen vol goud en juwelen die ze neergooide op de altaartrappen om te beduiden dat aardse goederen niet de hoogste waarden zijn in het leven. De mensen rondom haar volgden haar voorbeeld en deze gewoonte is jarenlang in gebruik gebleven. Ondertussen was ook de nieuwe stad verder uitgebouwd als een (symbolisch) bolwerk met stadsmuren en -grachten. Het geheel van stad en kerk werd gebouwd in de vorm van een zevenhoek en overal werden symbolen en emblematische boodschappen verwerkt die de overwinning van het katholicisme uitbeelden. De faam van Scherpenheuvel groeide gestaag en in de loop van de 17de eeuw bleven de bedevaarders uit binnen- en buitenland toestromen, waaronder talrijke vorstelijke en kerkelijke gezagsdragers. Het opzet van de aartshertogen en van de aartsbisschop was geslaagd. Van een onbewoonde plaats waar een mariabeeldje vereerd werd, groeide Scherpenheuvel uit tot een stad en een internationaal gekend en gerenommeerd heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw. Tot op vandaag is Scherpenheuvel het drukst bezochte bedevaartsoord van België.
De Waterput
Vandaag nog steeds een veelbezochte toeristische attractie is de Waterput van Scherpenheuvel. De waterput, opgetrokken in rode baksteen, dateert van 1682 en was oorspronkelijk 62 meter diep. In het begin van de 19de eeuw was het metselwerk grotendeels ingestort en drong een herstelling zich op. Die was in 1819 afgerond en men moest niet meer naar Zichem om water te halen. Tot 1910 betaalde de bevolking voor het water dat al trappend in een wiel van 3 m diameter werd opgehaald. Voor water, dat men niet zelf putte, moest uiteraard meer betaald worden.
Het waterputgebouw is opgenomen in het beschermd landschap van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek en omgeving maar tegenwoordig wordt er geen water meer bovengehaald.
Vervolgt met “De Kompagnie van Scherpenheuvel” uit Leest.
Foto’s :
-De basiliek. -De oratoriaan Philippus Neri. -Het beeld uit 1587. -In 2011 kreeg het Mariabeeld van paus Benedictus XVI een Gouden Roos. Dat is één van de belangrijkste onderscheidingen binnen de katholieke kerk, die slechts uitzonderlijk wordt toegekend. Het is de eerste maal dat een Belgisch bedevaartsoord er een kreeg. -De waterput.