Als wij ’s morgens wakker worden, hebben wij geluk dat er water uit de kranen loopt want dat gebeurt meestal niet, naar het schijnt. Een neger komt aangereden. Hij zou willen een taxidienst naar Beni inrichten en komt nu om raad vragen aan onze Limburgse broeder. Op weg naar Beni haalt ons zeer snel een witte Mercedes in. Wij zetten ons opzij van de baan om hem door te laten. Hij zit vol fijn geklede heren : mannen van de partij.
Beni is een stad. Wij houden even halt om op de inlandse markt enkele pakjes sigaretten te kopen. Kleine jongens bestormen ons met hun waren. De sigaretten zijn niet duur: 4 frank voor een pakje Belga (die naam is nog niet veranderd) van 20, verpakt in cellofaan. De sigaretten worden ook per stuk verkocht. Onder een afdak zitten jonge meisjes koffie te sorteren. Wanneer ik ze wil fotograferen stuiven ze giechelend uiteen. Wij rijden nu het bos in. Hier begint het oerwoud, de wegen worden smaller. In de missiepost van Mbau maken wij even halt. Een pater van de orde van Kapelle heeft er zijn papegaai “Walen buiten” leren zeggen. Dit omdat zijn medepater, een Waal, pas uit het land gezet was omdat hij nog negers gedoopt had onder een christelijke naam, hetgeen door Mobutu verboden is. Er is ook een broeder, een Brusselaar, met 40 jaar Kongo achter de rug. Uren in het rond zijn zij de enige blanken. Men komt naar hen voor alles. Als een bevalling wat moeilijk gaat, moet de pater met de landrover ambulancier spelen. Zo heeft hij tijdens de afgelopen week drie bevallingen in zijn jeep gehad. Wanneer wij verder rijden zitten wij midden in het oerwoud. De mensen zijn primitiever, minder gekleed. Overal langs de baan bieden ze inlandse vruchten, matjes en een soort eigengemaakte gitaar te koop aan. Wij kopen elk zo’n gitaar voor nauwelijks 10 makuta. Plots kunnen wij niet verder. Een zware camion staat midden in de weg. Men is druk bezig het dekzeil terug op te binden. Die auto was gisteren van de baan geraakt en in het slijk naast de weg blijven steken. De nacht had men dan maar ter plaatse doorgebracht bij een vuurtje, en ’s morgens was men begonnen de wagen uit te graven met de hulp van enkele bosnegers die er met pijl en boog rondliepen. Wat een geluk dat wij gisteren niet langs deze baan gekomen waren, anders hadden wij ook nog de nacht in het oerwoud moeten doorbrengen. Het opbinden van het zeil duurt en blijft duren. Die camion moet nog naar Kisangani, 700 km verder. René vraagt aan de chauffeur wanneer hij denkt aan te komen. “Dat weet God alleen,” is het antwoord. Boven op het dekzeil worden nu nog trossen bananen opgebonden, dat is een apartje voor hem, zijn handeltje. U ziet, overal ter wereld zijn de vrachtvoerders dezelfde. Met dit oponthoud zijn wij al ver over de middag en van ergens eten vinden zal er niets in huis komen. We stillen onze honger dan maar met bananen en inlandse pruimen. Wanneer wij stoppen om die te kopen bestormen de mensen ons en voor enkele makuta gieten ze bassins vol pruimen vanachter tussen onze valiezen. Dagen later zullen wij nog steeds van die pruimen tussen onze spullen vinden. In de vroege avond bereiken wij dan de Mont Hoyo met zijn hotel, opgericht door de Borgmansen, die wij reeds eerder in Rwanda ontmoet hebben. Het hotel ligt boven op de berg, het is een soort Zwitsers Chalet, opgericht in hout. Om toeristen te lokken heeft Borgmans een stam pygmeeën uit het oerwoud laten overkomen. Voor 20 Zaïre (800 fr) voeren die dan beschilderd een dans op in een nabijgelegen grot. “Dat is goed voor Amerikanen,” zegt René, “wij gaan morgen het bos in om de pygmeeën te zien zoals zij zijn”. Tegen de avond aan wandelen wij nog even langs een riviertje overdekt met slingerplanten en komen plots voor een waterval. Van grote hoogte stort het water zich over een reeks trappen van rots naar beneden : ’t Escalier de Vénus. Als we terugkomen is een neger druk hout aan het stoken onder een vat water dat op een verhoogje staat buiten onze kamer : warm water uit een Afrikaanse boiler. Het eten is prima klaargemaakt door een inlandse kok en smaakt. Toch laten de pruimen reeds hun nadelige invloed op ons spijsverteringsstelsel gevoelen. We liggen vroeg in ons bed.
Woensdag 11 juli 1973
René gaat de mis lezen, buiten op het terras van het hotel. Van overal in de omtrek zijn negers aangekomen. Zij hebben het onder mekaar voortgezegd dat de pater er was. René hoort eerst nog biecht in de hal van het hotel. Bijna allen gaan eerst te biechten, ze doen het ingetogen en bidden, kaarsrecht op hun knieën hun penitentie. Een catechist is in het dorp beneden de berg het misboek in de inlandse taal gaan halen. Hij komt hijgend terug. De mis wordt in geloof meegevierd. Zouden wij toch iets te leren hebben van de Zaïrese kerk ?
In de voormiddag gaan wij dan het oerwoud in op zoek naar Pygmeeën. Vanuit een dorp op de rand van het bos gaan de chef en enkele gidsen mee. Op een rijtje, de éne na de andere, zoeken wij onze weg. Hoewel de zon niet door het gebladerte door kan is het toch drukkend heet. Overal geraakt men verstrikt in de slingerplanten. En zo heeft Stanley 158 dagen in de groene hel gezeten ! De Pygmeeën zijn niet te vinden en nu beginnen onze gidsen luidkeels op hen te roepen. Geen antwoord en wij gaan maar verder het woud in. De sigaretten in mijn zak worden door de verpakking doornat van het zweet. Weer geroep en dan antwoord uit de verte. Eindelijk komen wij bij de Pygmeeën aan : een dertigtal op een open plek. Hier staan wij tussen de meest primitieve mensen, half zo groot als een normaal mens, half naakt, leven ze in kleine ronde hutten bedekt met bananenbladeren. Wij ervaren een schok ! Op een lange boomstam zitten ze tegen elkaar aangeleund, de kinderen op de schoot, de kleintjes aan de borst. Een vuurtje smeult, er liggen wat bananen. De mannen tonen fier hun bogen en pijlen : de jacht houdt hen immers in leven. Ze kijken ons starend aan. Wij delen sigaretten uit, ze roken ze omgekeerd, met het vuur in de mond. René geeft hen geld : er volgt een lang palaber wat ze ermee zullen doen en hoe ze het zullen verdelen. Enkelen zullen met ons mee terug gaan om ons over de kortste weg uit het bos te loodsen. Als wij weggaan geven wij hun de hand. In het hotel zijn er nu gasten : een jong Duits koppel dat rond Afrika reist en vertelt over de Sahel en een andere Amerikaan die al jaren in Zaïre Engels onderwijst maar nog geen convenabel Frans kent. Zijn vrouw, overdadig geschminkt, loopt er bij in een lang hippiekleed. De negers moeten toch ook soms over ons een eigenaardig gedacht hebben. Na de middag vertrekken wij naar Badia, dat is de missiepost waar René 17 jaar lang geleefd heeft. In Maraboe rijden wij een moskee voorbij : die is er gezet door de Arabieren die daar, midden Afrika, de handel in handen hebben. Wij komen in Wrumu, een administratief centrum op de kruising van enkele voorname wegen. Aan een school houden wij halt. Bij de opstand van de Simba’s in 1964 heeft René hier 11 dagen gevangen gezeten, samen met nog een andere pater. Van daaruit trokken elke dag de Simba’s naar het front tegen de huurlingen, daar kwamen ze ook elke avond terug met hun gekwetsten en doden. En telkens moesten die twee paters het dan ontgelden. Een beetje verder rijden wij over een brug over de Rwaza. Daar heeft het Zaïrese leger de Simba’s tegengehouden. Daar zijn duizenden Simba’s, jonge mannen die zo gedrogeerd waren dat zij meenden onsterfelijk te zijn, gevallen onder de kogels van de mitrailleurs. Wanneer er geen kogels meer waren is het Zaïrees leger gaan lopen en zijn de Simba’s plunderend en moordend verder getrokken. René vertelt niet gaarne over deze periode, maar wanneer wij op de missie in Badia ’s avonds op de barza zitten bij het licht van een petroleumlamp (de motor die de elektriciteit moet leveren is immers stuk) zal hij toch, samen met zijn confrater Michel De Meyer, hun belevenissen vertellen. Het is een lang, triestig verhaal van moord en waanzin, van schrik en ontbering. Wij staren zwijgend naar de vele vreemde insecten die rond de lamp komen dwarrelen.
Vervolgt.
Foto’s : -In Beni sorteren jonge meisjes koffie in een huis naast de weg. -Onze ontmoeting met de Pygmeeën maakt diepe indruk. Nauwelijks een week in Afrika, geeft het ons een nieuwe cultuurschok.
Het luiden van de klok maakt me wakker. Voor de kerkdeur staat de pater de parochianen, die van overal uit de brousse naar de mis komen, op te wachten. Hij drukt hen allen de hand. Ik sta er naast en deel in de ceremonie. De vrouwen en de kinderen zitten links, de mannen zitten rechts in de kerk. Elders in de wereld zijn er nog streken waar dit zo gebeurt. Het wordt onze eerste zondagmis. De kleinste kinderen hangen op moeders rug gebonden, soms weent er wel eentje of is maar gewoon maar wat aan het fezelen. Als er eentje honger krijgt haalt de moeder het met een elegant gebaar vanachter haar rug om hem de borst te geven. De mis duurt lang, méér dan een uur. De missie heeft een grote middelbare school. Een Nederlandse broeder is er nog volop aan het bijbouwen : de Nederlandse regering heeft hem 14 miljoen geschonken ! Twee ruiten zijn kapot in de klas : dat heeft een leerling moedwillig gedaan omdat hij ontevreden was over zijn uitslag. De paters hebben er een inlandse chef bijgehaald en nu zit de vlegel opgesloten. Een jonge-zuster-verpleegster-vroedvrouw uit Dendermonde leidt er het moederhuis. Wanneer wij om 10 uur afscheid nemen, zit de Hollandse broeder op zijn kamer naar oud-vaderlandse gewoonte aan een borrel te nippen. “Dit is mijn zondag” zegt hij.
Wij verlaten nu Jomba, dat op nauwelijks 7 km van de Oegandese grens ligt. Amin heeft echter zijn grens gesloten en wij kunnen er dus geen kijkje gaan nemen. Wij rijden nu langs de Rutshuru, een rivier die een van de bronnen van de Nijl is. Aan een prachtige waterval houden wij halt. De boorden zijn begroeid met een dichte tropische plantengroei, men is midden in de jungle. Wij zijn nu in het vroegere Albertpark dat nu in Virunga park is herdoopt. Wij hebben de bergen verlaten en rijden in de vlakte, de plaine. Voor de eerste maal hebben wij het zeer warm. Wij komen aan de ma-ja-moto : de warmwaterbronnen. Wij stoppen. Kokend water loopt in kleine beekjes. Wij lopen een honderd meter verder, de grond is warm aan onze voeten en het ruikt naar solfer. Uit de grond borrelt het kokend water. De streek is er zeer verlaten. In de vochtige aarde staan grote sporen van dieren afgedrukt.
Wij rijden verder, urenlang, zonder iemand te zien, door dorre grasvlakten met hier en daar een schrale boom. In de verte aan de rand van de vlakte staan de bergketens. René geeft uitleg : in de oertijd is Afrika middendoor gebroken. Links en rechts zijn er bergketens gekomen en middenin , de vlakte en de meren op een rijtje: het Tanganica, het Kivu, het Edward en het Albertmeer. Tegen de middag komen wij in het kamp van de Rwindi aan : een prachtig hotel en een veertigtal chalets in de vorm van een ronde hut. Voor nauwelijks 80 fr eten wij er een middagmaal met 3 gangen, tafeltjes met een tafelkleed, mooie couverts, gemakkelijke clubs en een garcon per tafel. Het dessert wordt opgediend uit een rijdend frigokarretje en de koffie wordt genomen in de bar.
’s Namiddags doen wij een safaripiste. Wij krijgen een gids mee in de wagen die gretig van mijn sigaretten meerookt. Troepen buffels, olifanten, antilopen kruisen onze weg. In een poel liggen tientallen nijlpaarden -tonnen vlees- te proesten. Een jakhals is op jacht en steekt spits zijn kop uit boven het gras. Langs de weg ligt het karkas van een buffel, half opgevreten. ’s Avonds komen wij terug in het hotel. Een koud buffet staat uitgestald op een lange frigotafel. Elk gaat er langs met zijn bord. U kunt kiezen tussen gekende en minder gekende spijzen. Ik neem het veilige hoewel René me aanspoort van dit en van dat eens te proeven. Een twintigtal toeristen zitten aan tafel. Wanneer wij opstaan om de koffie in de prachtig verlichte tuin te gaan nemen, komt een oudere heer bij ons. Hij is een Gentenaar. Hij is ontgoocheld over de mensen en komt daar genieten van de natuur en de negritude. Het is een wonderlijk man, wij kunnen zijn redenering niet steeds begrijpen. Toch doet hij wel een typisch verhaal : “Ik had kennis aangeknoopt met een van de garçons en had gezien dat hij slechte schoenen had. Ik beloofde hem een paar nieuwe te kopen en samen gingen we naar een soort winkeltje voor de inlanders hier achter het hotel. Op de duur had ik door dat de garçon het op een akkoordje wou gooien met de verkoper en mij voor elk van beiden een paar schoenen wou laten betalen. Ge moet die mannen hier in de gaten houden,” zegt hij in mooi Gents. Wij logeren elk in één van die ronde chalets. Een mooie slaapkamer van De Coene rechtstreeks met het vliegtuig uit België overgevlogen. In elk chalet is ook een badkamer met Italiaanse faiënce-steentjes tot boven. De kranen van het sanitair zijn sierlijk bewerkt. Enkele jaren geleden is onze Koning hier op bezoek geweest, daarvoor heeft Mobutu het hier allemaal zo luxueus laten inrichten. Midden in de brousse, honderden kilometer van de bewoonde wereld. Aan de deur hangt een bericht : het is verboden etensresten in de auto achter te laten, de olifanten komen er op af en zouden wel eens hun log gewicht tegen uw wagentje durven zetten. Alle berichtjes en foldertjes beginnen met de aanspreektitel : “au voyageur” en eindigen steeds met een beroep op “goodwil” : “als iets niet volledig is neem het ons niet kwalijk want wij doen hard ons best”. Daar is wel iets van waar want de eerste jaren na de onafhankelijkheid was het park totaal vervallen. Nu nog is trouwens een Belgische geleerde de grote chef van het park. Het is mijn eerste nacht dat ik zonder dekens sliep. Het is een echte tropennacht. Een nijlpaard komt tot onder het venster van René’s hut. Dan breekt een onweer los. Onder de morgen staan twee olifanten vlak bij mijn hut, hun getromp maakte me wakker.
Maandag 9 juli
Om vijf uur staan wij op. Wij hebben immers met onze gids afgesproken om te 6 uur, wanneer het licht wordt, te vertrekken op zoek naar leeuwen. Wie niet te vinden is, is onze gids. Om 7 uur komt hij er door : samen met andere gidsen was hij een morgendcrossje gaan lopen. Wij stoppen hem gauw in onze auto waar hij dan zit uit te zweten van de gedane inspanningen. Een ganse troep apen -wel honderd- zit op de baan te spelen. Als wij dichterbij komen, stuiven ze uiteen. De kleintjes op de rug van de wijfjes. Enkele negers zitten te wijzen naar de verte en roepen opgewonden “simba” -leeuw-. Wij rijden er heen. Als wij naderen richt de leeuw zich lui op en rent dan plots in volle vaart weg. Even later hebben wij meer geluk. Aan de rand van een bosje zitten twee leeuwen een antiloop op te peuzelen. Wij kunnen heel dicht naderen omdat ze hun morgendmaal zo maar voor ons niet in de steek willen laten. Als alles op is, en enkel nog de poten van de antiloop overblijven, gaan beide leeuwen lui verder. Enkele honderden meters verder staan nog twee antilopen, van de kudde afgezonderd, door de nachtelijke jachtpartij van de leeuwen. Zij kijken schichtig, kop hoog op. Wij blijven in spanning alles gadeslaan. De leeuwen komen van achter enkele struiken, zien de antilopen. Gaan ze aanvallen ? De antilopen blijven roerloos staan. De leeuwen lopen lui door, ze hebben genoeg gegeten.
Wij komen in het vissersdorp Vitshumbe aan het Edwardmeer : het is er juist markt, de vis wordt er aangeboden onder al zijn vormen : vers, rot, gedroogd. Vliegen zwermen er om heen. Het stinkt er. Visarenden en maraboes houden zich in de omgeving om zich op de visresten te storten. Wij gaan naar het kleine haventje : ijzeren boten van een tiental meter liggen aangemeerd : ze zitten vol negers, netten en vis. De vissers hebben een coöperatieve gesticht. Er zijn enkele stenen loodsen waar de vis wordt gekuist en behandeld voor verkoop. Enkele negers lopen er rond met een notaboekje en een bic vast gestoken boven op hun hoofd in hun krulhaar. Zij zijn de bedienden en staan dan ook veel hoger op de maatschappelijke ladder.
Wij rijden nu verder door de vlakte in de richting van de bergen. Die moeten wij over. De baan wordt slechter naargelang wij hoger komen. Er is geen enkele plantengroei meer, enkel nog rotsen en zand. De vlakte van Midden-Afrika verdwijnt onder ons in de nevel. Na uren rijden beginnen wij terug te dalen en komen wij terug in de bewoonde wereld. Het is al over de middag wanneer wij stoppen om onze meegenomen pic-nic langs de weg op te eten. In de verte zien wij een vrouw aankomen : groot pak op het hoofd, een kindje op de rug gebonden. Zij stopt wanneer zij nog geen vijftig meter van ons is. “Kijk,” zegt René, “dat is van schrik, die is nu aan het overdenken of ze ons voorbij zal durven gaan. Zo achterdochtig zijn ze hier.” De vrouw blijft staan. Wij eten verder. Plots komt ze toch door. René spreekt ze aan en zo vernemen we dat haar kind ziek is, dat ze op weg is naar een dispensarium en dat ze zich moet haasten om er voor de avond aan te komen. Kilometers ver zal ze gaan, kind op de rug en een zwaar pak op het hoofd. Haar man zit wellicht ergens te palaberen en te drinken met de andere mannen van het dorp.
Er staat ons nog een lange weg voor de boeg. René rijdt hard door : 30 à 40 km per uur. Valiezen en passagiers schokken meedogenloos doorheen in de V.W. En wat gebeuren moest, gebeurt : platte band, juist bij Lubero. Maar daarop is men voorzien in Zaïre. René heeft naast de reserve buitenband nog drie reserve binnenbanden en een voetpomp. Het wordt avond, het heeft geregend, het is mistig en het is koud. Wij doen onze trui aan. Met verenigde krachten wordt er een nieuwe band gestoken. De negers staan op afstand te kijken. Langs de baan staan twee stenen huizen. Hier hebben vroeger de blanke administrateurs gewoond en gewerkt. Van daaruit beheerden ze de streek, van daaruit trokken ze drie weken per maand de brousse in om recht te spreken, zieken te verzorgen, de veeteelt te bevorderen. Ver van huis hebben enkele blanken hier jaren geleefd onder de negers. Ook dat was kolonialisme.
Wij rijden nog geen vijf minuten verder of twee policiers staan midden de baan en doen ons stoppen. Onmiddellijk troept een ganse bende negers rond onze wagen. De policiers willen onze papieren zien, willen weten vanwaar wij komen, naar waar wij gaan, enz. Hun ogen staan wild en hun adem stinkt naar de drank. Ze spreken zeer moeilijk enkele woorden Frans. Wanneer dit spelletje een tijdje geduurd heeft schiet René in een Zaïrese koleire en we vertrekken. Och ja, als bij ons een onbekende door het dorp gaat, dan weten wij ook gaarne wie dat is en wat die komt doen. Laten wij maar aannemen dat die policiers -glaasje op- ook gaarne met ons kennis maakten. Na al dat oponthoud zullen we Beni, waar we wilden overnachten, niet meer bereiken.
Wij rijden over de evenaar, een klein plakkaatje op een boom langs de weg zegt het ons : “Equateur”. Het is bijna donker en dit belet ons de traditionele foto te nemen. Wij zitten alle drie met koude voeten in de wagen. “Dat zal thuis wel niemand willen geloven, met koude voeten over de evenaar”. Het is al donker als wij in de volgende stad, Butembo, aankomen. Wij besluiten maar niet verder te rijden en op zoek te gaan waar wij kunnen overnachten. Er is een missie van de paters van Kapelle-op-den-Bos. Wij rijden door de Cité : overal branden er vuren voor de hutten en lopen negers spookachtig om het schijnsel van de vlammen. Van overal horen wij gezang en geroep. En de reuk. Uiteindelijk hebben wij de goede weg gevonden en komen op de missie aan : een inlandse priester en twee blanke broeders, een Waal en een Vlaming. Na het eten blijven wij praten met de Vlaamse broeder : Maurits uit Schalkhoven-Limburg, een man van een jaar of veertig. Hij is de garagist en heeft de zorg voor 128 voertuigen van de verschillende posten. En dat wil wat zeggen hier, gezien de staat van de wegen en de afwezigheid van wisselstukken. Hij spreekt ook over zijn dorp waar hij uit weggegroeid is, over zijn familie die hij niet meer kent en over de kerk in België en de priesters die uittreden. Allemaal problemen die zouden veronderstellen dat het een triestig gesprek was. Maar het tegendeel is waar, die man spreekt levendig, hij lacht, vertelt anekdoten, heeft geloof, zit vol enthousiasme. Na het eten blijven wij praten met de Vlaamse broeder. Als hij wou kon hij ginder zelf een garage uitbaten. Dan was hij een rijk man. Nu is hij maar “een broeder, een jongen van de Limburgse buiten”. Maar voor mij is hij een van de schoonste mensen die ik in Zaïre heb ontmoet.
Vervolgt.
Foto’s : - Een avondfoto. Wij trekken door de “plaine”, de laagvlakte die Afrika middendoor snijdt met de bergen in de verte. -In het Virungapark : een lodge per persoon, grote luxe midden in de brousse. -Onze gids bracht ons naar een vijver vol nijlpaarden. -Deze leeuwen waren blijkbaar weinig geïnteresseerd in onze aanwezigheid. -Vissers in Vitshumbe aan het Edwardmeer, geflankeerd door maraboes.