Ik ben … Jhon Clare
Ik ben ; maar wat , wie die het vraagt , of weet ?
Verloren heugnis , ként geen vriend mij meer .
Ik ben de alleen verbruiker van mijn leed .
’t Verrijst , ’t verdwijnt , een dwaalzieke schaduw-hier ,
In liefde en doods vergetelheid teloor.
En toch , ik ben , en leef in schimmen door ,
In ’t niets geslingerd van rumoer en smaad ,
De branding in van schijngedroom bij dag ,
Waar noch gevoel van zijn , noch vreugd bestaat ,
Maar schipbreuk leed àl wat ik ’t liefste zag ;
En zelfs het dierste – wat ik ‘t meest en ’t best
Liefhad – vreemd is , ja vreemder dan de rest .
Ik haak naar landen waar geen man ooit liep ,
Geen vrouw ooit heeft geglimlacht of geschreid :
Om daar met God te wonen die mij schiep ,
Te slapen , zacht , als in mijn kindertijd :
Waar ik neerlig , niet gestoord , niet storend zelf ,
Onder mij ’t gras – omhoog het lucht – gewelf .
















