Mussen

Mieke MantelWAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
Mussen
Mieke Mantel
zoek de Here
Mieke Mantel
Uit de brief van Paulus aan de EfeziërsUit de brief
van Paulus aan de Efeziërs
2, 19-22
U bent gebouwd op het fundament van de apostelen en de profeten.
Broeders en
zusters,
u bent geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en
huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met
Christus Jezus zelf als de hoeksteen. Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen
voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u
samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest
Het koninkrijk Gods groeit ongemerkt, stil maar onweerstaanbaar als kiemend zaad. Zo'n groei merk je ook in de mentaliteit van Simon en Judas. Toen zij zich bij Jezus aansloten waren hun motieven wellicht niet zo zuiver religieus. Simon was zelfs een gekend lid van de ondergrondse beweging die de Romeinse overheersing wilde wegwerken. Ook Judas Thadeüs zag in Jezus een toekomstig staatshoofd. Jezus was een man die aan hun politieke aspiraties beantwoordde, maar wel op zijn manier. Het wonder dat aan hen gebeurde, was dat zij Jezus met volle overgave en met een diep geloof bleven volgen, ook wanneer zij merkten dat zijn rijk niet van deze wereld was
Uit het evangelie volgens LucasUit het evangelie volgens Lucas
13, 22-30
Op weg naar
Jeruzalem trok Jezus verder langs steden en dorpen, terwijl Hij onderricht gaf.
Iemand vroeg Hem: ‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’
Hij antwoordde: ‘Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan,
want velen, zeg Ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in
slagen. Als de heer des huizes eenmaal is opgestaan en de deur heeft gesloten,
en jullie staan buiten op de deur te kloppen en roepen: “Heer, doe open voor
ons!”, dan zal Hij antwoorden: “Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan?”
Jullie zullen zeggen: “We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken en U hebt
in onze straten onderricht gegeven.”
Maar Hij zal tegen jullie zeggen: “Ik ken jullie niet, waar komen jullie
vandaan? Weg met jullie, rechtsverkrachters!”
Dan zullen jullie jammeren en knarsetanden wanneer je Abraham, Isaak en Jakob
en al de profeten in het Koninkrijk van God ziet, maar zelf buitengesloten
wordt.
Uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden zullen ze komen,
en ze zullen aan tafel genodigd worden in het Koninkrijk van God.
En bedenk wel: er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten
die de laatsten zullen zijn.
Lucas geeft drie korte parabels bij de opgang van Jezus naar Jeruzalem. Ee parabel van de nauwe poort, de parabel van de gesloten deur en de parabel over het toegelaten worden tot het Koninkrijk. Hij wil beroep doen op onze persoonlijke inzet, want er komt een tijd dat het te laat
‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’ Al bekennen we het zelf niet vlug, toch zijn we af en toe ook bezig met deze vraag. We zouden graag willen weten of we op de wachtlijst naar de hemel staan.
Jezus ziet deze vraag een beetje als een kinderlijke vraag, naief en niet zo verstandig. Want Hij antwoordt erop als een vader tot zijn kind, geduldig maar toch vermanend: 'Begin alvast maar je best te doen en dan zullen we verder wel zien'. 'Doe alle moeite... ' Jezus antwoordt naar de maat van onze vraag. God is een verstandige Vader. Hij kent zijn kinderen. Hij weet, dat wij, als gelovigen, vaak te laat komen, als de deur gesloten is.
Toch heeft Hij het ons anders geleerd. We zouden er als eersten bij moeten zijn om de wil te doen van de Vader in de hemel en om de nood te lenigen van de mensen op aarde. Vaak zijn we echter de eersten om onze eigen wil en zin door te drijven, en de laatste om zijn wil te laten geschieden. Zo uitgebreid zijn we dikwijls met onszelf bezig dat de nauwe deur waarover sprake is in het evangelie voor ons een flessenhals wordt waarin we onherroepelijk vastlopen. '...want velen, zeg Ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.'
God is een Vader met doorzicht. Hij is onze excuses voor. Hij kent de argumenten en doorziet de uitvluchten waarmee we voor de dag komen om onze fouten wit te wassen. Hij verklaart ze bij voorbaat ongeldig. Weer is zijn antwoord: 'Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan? Weg met jullie'.
Geloof wordt ongeloof als wij het met God op een koopje willen gooien. Op zondag aanzitten aan de tafel van de Heer verschaft ons niet automatisch een visum voor de eeuwigheid. Want het Lichaam dat wij nuttigen, en het Bloed dat wij drinken, is werkelijke goddelijke vitamine. Het moet leven en vrucht dragen als wij van de tafel van de Heer worden weggezonden naar het leven van iedere dag. Zijn onderricht is nutteloos als het geen vlees en bloed wordt in ons dagelijks doen en laten.
Uit het evangelie volgens LucasUit het evangelie
volgens Lucas
13, 10-17
Jezus gaf op sabbat
onderricht in een synagoge.
Er was daar ook een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die
haar ziek maakte. Ze was helemaal krom en kon met geen mogelijkheid rechtop
staan. Toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij zich en zei tegen haar: ‘U bent
verlost van uw ziekte,’ en Hij legde haar de handen op. Meteen ging ze rechtop
staan en loofde God.
Maar de leider van de synagoge werd boos omdat Jezus op sabbat genas en zei
tegen de menigte: ‘Er zijn zes dagen om te werken. Kom dus op die dagen om u te
laten genezen en niet als het sabbat is!’
Maar de Heer zei: ‘Huichelaars! Maakt niet ieder van jullie op sabbat zijn os
of ezel los van de voederbak om hem te laten drinken? Mocht deze vrouw, die een
dochter is van Abraham en al achttien jaar door Satan geboeid werd gehouden, mocht
zij op sabbat niet uit deze boeien worden losgemaakt?’
Toen Hij dat zei, stonden al zijn tegenstanders beschaamd, maar de hele menigte
was verheugd over de machtige daden die door Hem werden verricht.
Voor goedheid zonder maat staat iedereen perpleks. De genezing van een vrouw die reeds achttien jaar ziek was, is zo een blijk van Jezus goedheid zonder maat. Jezus doorbreekt alle hindernissen van de wet op de Sabbat. Alleen goedheid telt
Een vrouw komt bij Jezus. Ze is bezeten door een boze geest, achttien jaar lang is zij al ziek en krom gebogen. Er zijn met deze vrouw twee dingen aan de hand: ze is geboeid, onvrij, zichzelf niet meester, én ze is krom, naar de aarde gebogen.
Dat is nu precies wat de boze geest met ons allemaal doet: iemand onvrij maken, in de greep van zijn gevoelens houden, van zijn hartstochten, van zijn neigingen, van zijn iets niet kunnen, of van zijn iets per se moeten, én hij houdt iemands blik op de aarde gericht, neergebogen, depressief, moedeloos, dé zielsziekte van deze tijd. Dat heet troosteloosheid. 'Troosteloosheid', zegt Ignatius, 'is duisternis en verwarring in de ziel, een beweging naar wat laag en aards is' - gebogen naar de aarde, - én 'onrust vanwege verschillende beroeringen en bekoringen. Dit brengt tot wantrouwen, zonder hoop, zonder liefde, waarbij zij zich helemaal in luiheid, lauwheid en droefheid bevindt, als het ware gescheiden van haar Schepper en Heer' (GO 317). Naar de aarde toegebogen betekent dus ook van de hemel, van God, onze Schepper en Heer, afgewend.
Deze vrouw in het evangelie is als het ware een verpersoonlijking van de troosteloosheid, een lichaam geworden troosteloosheid. De mens is namelijk geschapen en bestemd om opgericht te zijn, alleen al zijn lichaamshouding wijst daarop. Hij is het enige viervoetige wezen dat op twee benen loopt, het hoofd omhoog, opgericht naar de hemel.
Hoe lopen wij erbij? Hoe is
het met onze ziel gesteld?
Kunnen wij de Heer zo welkom heten dat Hij ons weer kan doen rechtstaan, ons
kan optillen, kijkend naar de Vader, de Schepper van het leven, ook van ons
leven. Of zien we de uitgestrekte hand van de Heer niet, en blijven we naar de
aarde gebogen, ons richtend op allerlei dingen die ons van de Vader weerhouden.
En hoe kijken wij naar hen
die krom gebogen door het leven gaan? Als we hen al willen zien, willen we hen
dan ook ontmoeten, of doen we onze oogkleppen aan en zien hen liever niet
bezig…
Het evangelie nodigt uit de Heer te volgen, ook in de genezingen die Hij doet.
Zijn wij bereid broederschap aan te gaan met hen die kromgebogen lopen, met hen
die niet de moed hebben naar de hemel te kijken, met hen die twijfelen, die
niet meer kunnen geloven. Zijn we bereid die vriendschap aan te bieden die de
Heer zo genegen was en een rode draad vormt doorheen heel het evangelie.
mieke mantel
Mieke Mantel
mieke mantel
Mieke Mantel
Uit het evangelie volgens
Lucas
13, 1-9
Er
waren enkele mensen aanwezig die Jezus vertelden over de Galileeërs van wie
Pilatus het bloed vermengd had met hun offers.
Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan
alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? Zeker niet, zeg Ik
jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde
wijze omkomen. Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel.
Denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem
wonen? Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je
allemaal net zo sterven als zij.’
Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard
geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. Hij
zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom
vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en
put alleen de grond uit.”
Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik
de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, misschien zal hij dan
het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’
Zoals een boom krijgt ieder de nodige verzoeningstermijn om tot vruchten te komen
Het evangelie van vandaag wil ons tonen dat de barmhartigheid van God heerst boven het kwaad. Daarom eindigt het evangelie dan ook met de parabel van de vijgenboom zonder vrucht. Eigenlijk moet hij omgehakt worden, maar Jezus roept op tot geduld en barmhartigheid.
Er zijn twee categorieën mensen waarmee wij in ons dagelijks leven moeten omgaan: de medemens en onszelf.
Wat de medemens betreft: dragen wij, wanneer wij
een mens zien zondigen, het geduld van Jezus in ons. Gunnen wij die mens de
tijd en de mogelijkhei van bekering. Of plaatsen we hem in een vakje,
veroordeeld geven tot bekering is de dag van vandaag niet populair. De
schandpaalpolitiek is dikwijls meer geliefd dan de weg gaan van mogelijkheid
scheppen tot bekering, verzoening.
Deze tweede weg bewandelen is nogthans de weg waartoe het evangelie oproept:
niet veroordelen, maar mogelijkheden scheppen van verzoening met God en
medemens. Dat vraagt inspanning van ons. We moeten naar de zondaar durven
toegaan, de zonde veroordelend, niet de zondaar. We moeten naar hem toegaan met
en vanuit de barmhartigheid van de Heer: Hij met ons, in ons, door ons. We
zullen de genade ontvangen de zondaar te mogen aanraken met de liefde van de
Heer, net zoals de Heer zovele zieken aanraakte en genas in het evangelie.
Het wordt hoogtijd dat wij christenen uit onze catacomben komen, dat we de
wereld durven ingaan, om broederschap aan te bieden aan allen die daarvoor
openstaan. En als men er niet voor openstaat: laat ons dan bidden, met een diep
en sterk geloof, dat God de harten voor Hem mag openen.
Wat onszelf betreft: zo dikwijls straffen we
onszelf omdat we onszelf veroordelen. Wie zichzelf veroordeelt zet zich vast.
Hij laat geen ruimte meer vrij voor de barmhartigheid van God.
Wie gezondigd heeft moet eenvoudigweg op z'n knieën gaan zitten, berouw tonen,
z'n spijt uitdrukken tegenover God, en om vergeving vragen. Als dit zuiver
gebeurt zal God z'n genade niet weigeren.
de brief van Paulus aan de christenen van RomeUit de brief van Paulus
aan de christenen van Rome
7, 18-25a
Broeders en zusters,
ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl
het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het
goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.
Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet zelf de
oorzaak van, maar de zonde die in mij heerst. Ik ontdek in mij de wetmatigheid
dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen.
Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe
zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn
verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in
mij leeft.
Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de
dood? God zij gedankt, door Jezus Christus, onze Heer.
Paulus drukt in deze lezing een diep menselijke ervaring uit. Dikwijls lukken wij niet in het goede dat we willen terwijl het kwade - dat we niet willen - steeds weer opduikt. Paulus biedt hiervoor een oplossing: Jezus Christus, onze Heer. God zij gedankt !
Uit het evangelie volgens LucasUit het evangelie volgens Lucas
12, 49-53
Jezus sprak:
'Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou Ik graag willen
dat het al brandde! Ik moet een doop ondergaan, en Ik word hevig gekweld zolang
die niet volbracht is.
Denken jullie dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Geenszins, zeg
Ik jullie, Ik kom verdeeldheid brengen. Vanaf heden zullen vijf in één huis
verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. De vader zal tegenover zijn
zoon staan en de zoon tegenover zijn vader, de moeder tegenover haar dochter en
de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter
en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.
Christus' zending is zo veeleisend dat niet iedereen haar onverdeeld aanvaardt. Zelfs onder vrienden en verwanten kan ze zodoende verdeeldheid teweegbrengen. Voor Hem zelf bracht ze mee dat Hij als het ware erin gedompeld werd. Eenmaal door lijden en dood heen, doopt Hij ook de christenen op deze weg. Maar Hij verzekert hen zijn Geest.
dat vuur dat Jezus op aarde is komen brengen, is niet een uitwendig vuur, zoals dat vuur dat Jakobus en Johannes van de hemel wilden afroepen om de Samaritanen te verdelgen, omdat zij Jezus en de leerlingen niet wilden ontvangen omdat Jeruzalem het doel van hun reis was. Dat was een uitwendig vuur. 'Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen?' … 'Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht' (Lc 9,54-55). Dat vuur is een verslindend, vernietigend vuur, maar Jezus is een ander vuur komen brengen, het vuur van de liefde, het inwendige vuur, het vuur van de heilige Geest. De heilige Geest die zich in tongen van vuur neerzette op de hoofden van de apostelen, dat wil zeggen: de heilige Geest is de ziel van de christen, de liefde is de ziel van de christen, de liefde van God, van binnenuit.
Inwendig is ook de vrede waar Jezus het over heeft. Jezus zegt: Ik ben niet de vrede komen brengen, de uitwendige vrede, een leven zonder conflicten. Nee, Hij is een andere vrede komen brengen, de vrede tussen God en de mensen. Die heeft natuurlijk ook wel een uitwendig aspect, maar die begint in het hart. Dat de hemel, God, Zich verzoent met de aarde, met de mens. 'Vrede op aarde onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft', die Hij liefheeft (Lc 2,14). Het is een inwendige vrede, een vrede van het hart. Díe vrede is Jezus komen brengen, en dat vraagt Hij ook van zijn leerlingen. 'Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: vrede aan dit huis!' (Lc 10,5). En ook het eerste woord van de Verrezene aan zijn leerlingen was: “Vrede zij u" (Joh 20,20).
Maar die vrede is niet onbelemmerd, die vrede wordt aangevochten in haar loop, en zo verdeelt zich de wereld in twee rijken met elk een eigen vrede: een hemels Rijk met een hemelse vrede en een duivels rijk met een valse vrede, een diplomatieke vrede, of een koude vrede, een valse rust.
Ons geloof is een geloof in God, die we niet zien, en het is een geloof in de gaven en krachten van God die we ook niet zien, maar die in al het zichtbare doordringt en van binnenuit bezielt, die een nieuwe loop, een restauratie van binnenuit tot stand kan brengen. Een Nieuw Verbond! Dat horen we dan ook altijd bij de consecratie: 'Dit is mijn Bloed van het Nieuwe Verbond, tot vergiffenis van de zonde.' Herstel van binnenuit, van God uit, die hart en nieren doorgrondt.
Dit is een waar gebeurd verhaal

(Dit is een waar gebeurd verhaal en je kunt meer informatie vinden door te Googlen op Herman Rosenblat. Hij werd Bar Mitzvah op de leeftijd van 75)
Augustus 1942. Piotrków, Polen.
Die ochtend was de lucht dreigend toen we angstig stonden te wachten.
Alle mannen, vrouwen en kinderen van het Joodse getto in Piotrków waren op een plein bij elkaar gedreven.
We hadden gehoord dat we verplaatst zouden worden. Mijn vader was pas onlangs overleden aan tyfus, die zich snel verspreid had in het overvolle getto. Mijn grootste angst was dat onze
familie zou worden gescheiden.
'Wat je ook doet,' fluisterde Isidore, mijn oudste broer, ‘vertel ze niet hoe oud je bent. Zeg dat je zestien bent.’
Ik was lang voor een jongen van 11, dus ik kon het proberen. Op die manier was ik misschien wel waardevol om te werken.
Een SS-er kwam naar me toe, zijn laarzen klikten tegen de kasseien.
Hij bekeek me van top tot teen en vroeg toen naar mijn leeftijd.
'Zestien,' zei ik. Hij stuurde mij naar links, waar mijn drie broers al stonden
met andere gezonde jonge mannen.
Mijn moeder kreeg een gebaar om naar rechts te gaan bij andere vrouwen, kinderen, zieken en ouderen.
Ik fluisterde Isidore, 'Waarom?'
Hij gaf geen antwoord.
Ik rende naar de andere kant, naar Mama en zei dat ik bij haar wilde blijven.
'Nee,' zei ze streng. 'Ga weg. Wees niet vervelend. Ga met je broers mee.’
Ze had voor die tijd nog nooit zo hard gesproken. Maar ik begreep het:
ze wilde mij beschermen. Ze hield zo veel van mij, dat ze, alleen deze keer,
deed alsof het niet zo was. Het was het laatste wat ik van haar gezien heb…
Mijn broers en ik werden vervoerd in een veewagen naar Duitsland ...
Een nacht later kwamen we aan bij het concentratiekamp Buchenwald
en we werden in een overvolle barak gebracht. De volgende dag werden er uniformen en identificatienummers uitgegeven.
Noem me geen Herman meer,' zei ik tegen mijn broers. Ik ben nu 94983.'
Ik werd te werk gesteld in het crematorium van het kamp. Ik moest de doden opladen
in een met de hand bediende lift. Ik voelde mijzelf ook dood. Ik werd hard, ik was een nummer.
Spoedig daarna werden mijn broers en ik overgebracht naar Schlieben, een kamp dat hoorde onder Buchenwald in de buurt van Berlijn ..
Op een ochtend leek het of ik de stem van mijn moeder hoorde.
'Zoon,' zei ze zacht maar duidelijk, ‘ik zal je een engel sturen. '
Toen werd ik wakker. Het was net een droom. Een mooie droom.
Maar in deze plaats konden er geen engelen zijn. Er was alleen werk. En honger. En angst.
Een paar dagen later liep ik rond in het kamp, om de barakken heen, vlakbij het hek van prikkeldraad waar de bewakers je niet gemakkelijk konden zien. Ik was alleen.
Aan de andere kant van het hek zag ik iemand: een klein meisje met helblonde,
bijna lichtgevende krullen. Ze stond half verborgen achter een berk.
Ik keek rond om er zeker van te zijn dat niemand me zag. Ik riep haar zachtjes in het Duits. 'Heb je iets te eten?' Ze begreep het niet.
Ik schoof dichter naar het hek toe en herhaalde de vraag in het Pools.
Ze stapte naar voren. Ik was dun en mager, met lappen om mijn voeten gewikkeld, maar het meisje leek er niet bang voor te zijn. In haar ogen zag ik het leven.
Ze trok een appel uit haar wollen jasje en gooide hem over het hek.
Ik greep de vrucht en toen ik begon weg te lopen, hoorde ik haar zachtjes zeggen:
'Ik zie je morgen weer.'
Iedere dag op hetzelfde tijdstip keerde ik terug naar dezelfde plek bij het hek.
Ze was er altijd met iets voor mij om te eten - een homp brood of, beter nog, een appel.
We durfden niet te spreken of te blijven hangen. Gesnapt worden zou voor ons beiden de dood betekenen.
Ik wist niets over haar, dat soort boerenmeisje, behalve dat ze Pools verstond. Hoe heette ze? Waarom riskeerde ze haar leven voor mij?
Hoop was een beetje steun en dit meisje aan de andere kant van het hek
gaf me die, door mij brood en appels te eten te geven.
Bijna zeven maanden later werden mijn broers en ik in een
kolenwagon gepropt en vervoerd naar Theresienstadt, een kamp in Tsjecho-Slowakije.
‘Kom niet meer terug,' zei ik tegen het meisje die dag. ‘We gaan hier weg. '
Ik draaide me om naar de barakken en keek niet achterom. Ik heb niet eens afscheid genomen van het kleine meisje, van wie ik de naam niet wist, het meisje met de appels.
Drie maanden lang waren we in Theresienstadt. De oorlog liep op het eind
en de Geallieerde troepen waren dichtbij, maar mijn lot leek bezegeld.
Op 10 mei 1945 stond ik op de lijst om te sterven in de gaskamer om 10.00 uur.
In de rust van de dageraad probeerde ik me erop voor te bereiden. Zo vaak scheen de dood
klaar om me op te eisen, maar op de een of andere had ik het steeds overleefd. Nu was alles voorbij.
Ik dacht aan mijn ouders. Tenminste, ik dacht, dat we weer verenigd zouden worden.
Maar om 8 uur ‘s ochtends was er grote opschudding. Ik hoorde geschreeuw en zag mensen naar alle kanten door het kamp rennen. Ik werd met mijn broers opgevangen door
Russische troepen die het kamp hadden bevrijd! De poort zwaaide open. Iedereen rende weg, ik ook. Verbazingwekkend, al mijn broers hadden het overleefd - ik weet niet hoe. Maar ik wist zeker dat het meisje met de appels de sleutel was voor mijn overleving.
Op een plek waar het kwaad leek te overwinnen, had de goedheid van die ene persoon mijn leven gered, had mij hoop gegeven op een plaats waar die niet was.
Mijn moeder had mij een engel beloofd en de engel was gekomen.
Uiteindelijk kwam ik terecht in Engeland, waar ik werd geholpen door een
Joods liefdadigheidsfonds. In een herstellingsoord knapte ik op, samen met andere jongens die de Holocaust hadden overleefd en ik kreeg een opleiding in de elektronica.
Daarna ging ik naar Amerika, waar mijn broer Sam ook al was. Ik nam dienst in het Amerikaanse leger tijdens de Korea-Oorlog en keerde twee jaar later terug naar New York City.
Omstreeks augustus 1957 opende ik mijn eigen bedrijf voor reparatie van elektrische apparaten. Ik begon weer een toekomst op te bouwen.
Op een dag kreeg ik een telefoontje van mijn vriend Sid die ik in Engeland had leren kennen.
'Ik heb een afspraakje met een meisje. Ze heeft een Poolse vriendin. Zullen we samen gaan? '
Een ‘blind date’? Nee, dat was niets voor mij.
Maar Sid bleef aandringen en een paar dagen later gingen we naar de
Bronx om zijn afspraak op te halen en haar vriendin Roma.
Ik moest toegeven, voor een ‘blind date’ was dit niet slecht. Roma was verpleegster
in een ziekenhuis in de Bronx. Ze was aardig en bijdehand. Ook mooi, met zwierige
bruine krullen en groene, amandelvormige ogen die levenslustig schitterden.
Met ons vieren reden we naar Coney Island. Roma was prettig om mee te praten
en prettig gezelschap.
Het bleek dat zij ook op haar hoede was voor een afspraak met iemand die ze niet kende!
We deden dit beiden voor het plezier van onze vrienden.
We maakten een wandeling over de promenade, genoten van de zilte zeebries, en vervolgens hebben we gegeten aan de kust. Ik kon me geen betere tijd herinneren.
We persten ons weer in de auto van Sid. Roma en ik zaten samen op de achterbank.
Als Europese joden die de oorlog overleefd hadden, waren we ons ervan bewust dat veel nog niet gezegd was tussen ons. Zij sneed het onderwerp aan.
'Waar was jij,’ vroeg ze zacht, ‘ tijdens de oorlog?'
‘In de kampen,' zei ik. De verschrikkelijke herinneringen waren nog steeds levendig, het verlies onherstelbaar.
Ik had geprobeerd om het te vergeten. Maar je kunt dit nooit vergeten.
Ze knikte. 'Mijn familie was ondergedoken op een boerderij in Duitsland,
niet ver van Berlijn, ' vertelde ze me. "Mijn vader kende een priester,
en hij heeft ons papieren gegeven dat we niet-joods waren. '
Ik stelde me voor hoe ze ook moest hebben geleden, met angst, de vaste metgezel.
En toch hier hadden we het beiden overleefd en waren we hier in een nieuwe wereld.
'Er was een kamp naast de boerderij,' ging Roma verder. 'Ik zag daar een jongen
en ik gooide elke dag appels naar hem. '
Wat een verbazingwekkend toeval, dat zij een andere jongen had geholpen.
‘Hoe zag hij eruit?’ vroeg ik.
'Hij was lang, mager en had honger. Ik moet hem zes maand lang elke dag hebben gezien. '
Mijn hart ging tekeer. Ik kon het niet geloven. Dit kon niet waar zijn.
'Heeft hij je op een dag verteld dat je niet terug moest komen, omdat hij zou vertrekken Schlieben?' Roma keek me verbaasd aan. 'Ja!'
'Dat was ik!'
Ik zou haast barsten van blijdschap en ontzag, overspoeld door emoties.
Ik kon het niet geloven! Mijn engel!
'Ik laat je niet meer gaan.' zei ik tegen Roma. En achterin de auto
van die ‘blind date’ vroeg ik haar ten huwelijk. Ik wilde niet langer wachten.
'Je bent gek!' zei ze. Maar ze nodigde me wel uit om haar ouders te ontmoeten voor het
Shabbatsdiner van de volgende week.
Ik verlangde ernaar om Roma nog veel beter te leren kennen, maar de belangrijkste dingen wist ik al: haar standvastigheid, haar goedheid. Gedurende vele maanden was ze in de slechtste omstandigheden naar de omheining gekomen en had mij hoop gegeven.
Nu had ik haar weer had gevonden en ik zou haar nooit meer laten gaan.
Die dag zei ze ja. En ik hield mijn woord. Na een huwelijk van bijna 50 jaar,
met twee kinderen en drie kleinkinderen, heb ik haar nooit laten gaan.
Herman Rosenblat van Miami Beach, Florida
Naschrift:
Over dit verhaal wordt een film gemaakt met de titel “The Fence”.
God is altijd onlineGod is altijd online
God is altijd online
Op het wereldwijde web
Bij Hem is nooit een storing
En Zijn server is nooit bezet.
Met God chatten is altijd mogelijk
Het contact is levensecht
De verbinding is gelukkig draadloos
Ook zonder computer kun je bij Hem terecht.
Hackers kunnen niet storen
Gods firewall werkt altijd correct
Je zult hem wel zelf moeten installeren
Dan is jouw verbinding perfect.
Gods computer zoekt heel het net af
Om te verbinden met jou en mij
We mogen gratis downloaden
En virussen zijn er niet bij.
De beste programma's kun je bij Hem krijgen
Dan loopt je computer als een trein
En mocht je harde schijf toch crashen
Dan is God voor jou altijd online.
Hij heeft geen wachttijd en geeft goede adviezen
Hij heeft zelfs een Handleiding gemaakt
Als je die gebruikt als leidraad voor je leven
Dan wordt jou (levens)computer nooit meer gekraakt.
myplaceofpeace.com
godGod heeft de tijd om met ons te spreken, als wij maar de tijd hebben naar Hem te luisteren.
het evangelie volgens Lucashet evangelie volgens Lucas
8, 1-3
Kort daarop begon hij rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden hem, 2 en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria uit Magdala, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, 3 Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna – en nog tal van anderen, die uit hun eigen middelen voor hen zorgden.
Vanaf het begin van het christendom hebben ook vrouwen een taak. Hun aanwezigheid wordt hier door Lucas uitdrukkelijk aangehaald. Zij maakten Christus en zijn godsdienst menselijker en warmer.
Kort daarop begon Jezus rond te trekken van stad tot
stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het koninkrijk van God te
verkondigen.
De twaalf vergezelden Hem, en ook enkele vrouwen die van boze geesten en
ziekten genezen waren: Maria uit Magdala, bij wie zeven demonen waren
uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en
Susanna–en nog tal van anderen, die uit hun eigen middelen voor hen zorgden.
Het evangelie van vandaag is een echte parel. En we mogen gerust ook zeggen dat het een soort lofzang is op een al te vaak vergeten groep. Vaak hebben we de indruk dat het evangelie een zaak van mannen is. Vrouwen komen er nauwelijks of slechts terloops aan te pas. Een zieke vrouw wordt wel eens genezen. Een vrouw wast de voeten van Jezus. Vrouwen volgen Hem en zijn vrienden en zorgen voor hen uit eigen middelen. Vrouwen staan onder het kruis. Ze staan overal achter of onder, maar zelden of nooit op het voorplan.
Grote rollen worden door mannen bezet. Apostelen en schriftgeleerden, een honderdman, een barmhartige Samaritaan of een goede herder. Dat Annas en Kàjafas, Herodes, Judas of Pilatus ook mannen waren, is hier helemaal geen troost. Maar zo ziet Jezus het niet. Op geen enkel moment. Want het evangelie is geen 'Guiness-book of records', waarin het om de grootste, de sterkste of de beste gaat, waarbij alleen prestatie of kwantiteit telt. Het is een levensboek waar geloof en vertrouwen, waar geduld en liefde, inzet en overgave, de echte kwaliteit en de ware talenten vormen.
En daar spelen vrouwen onvervreemd en onvervangbaar een glansrol. Een rol, waarbij veel mannen tot debutanten verbleken. Lucas begint er zijn evangelie al mee. De eerste persoon die we ontmoeten is Zacharias, een man, een priester. Stomweg valt hij al meteen door zijn rol. "Ge zult zwijgen en niet in staat zijn te spreken, omdat ge mijn woorden niet geloofd hebt."
Meteen daarop treden twee vrouwen op, Maria en Elisabet. In een feilloos duet, in een magnificat van puur geloof en zuivere overgave, brengen ze onze heilsgeschiedenis daadwerkelijk en definitief op gang. Ook wanneer het doek over het openbaar leven van Jezus opengaat en Hij nog even in de coulissen wilt blijven, opdat Hij zijn uur nog niet gekomen acht, is het weer een vrouw, die, onweerstaanbaar zoals alleen moeders dat kunnen, Jezus tot handelen aanzet. "Doe maar wat Hij u zeggen zal." Zo maakte Jezus een begin met zijn tekenen.
Van het penninkje van de weduwe tot de kostelijke nadusbalsem van Maria te Betanië, van die onbevangen eerlijkheid van de vrouw aan de put van Jakob in Samaria tot het vindingrijk geloof van de Kananese met de kruimels die van tafel vallen, kunnen we, heel het leven van Jezus door, parel na parel opsteken tot een krans van vrouwelijke gebaren en gaven van geloof, liefde en toewijding.
En toen zijn uur echt gekomen was, een uur waarop ontrouw en verraad, waarop verloochening en vaandelvlucht ineens puur mannelijke begrippen werden, stond er ook weer die krans van vrouwelijke trouw, van meevoelen en meegaan ten einde toe. Een krans van vrouwen die Jezus vanaf Galilea waren gevolgd en Hem hadden gediend. Echte, levende en zuivere godsdienst van een al te vaak vergeten groep.


mieke mantel

Mieke Mantel

Mieke Mantel
hart
Mieke Mantel
DE REGENWORMDE REGENWORM
Een man had zichzelf ingebeeld dat hij een regenworm was. Dat zorgde voor
veel problemen, want voortaan ging hij voor iedere kip op de loop en liep hij
opvallend graag buiten als het regende.
Tenslotte ging hij maar eens naar de psychiater. Die zou hem wel van zijn
dwangvoorstellingen bevrijden.
En ja hoor, na een aantal consulten was de man zover dat hij het wist: hij was
geen regenworm. Opgelucht vertrok hij naar huis.
Omdat de psychiater zich sterk bij de kwestie betrokken had gevoeld, ging hij
een week of wat later eens informeren hoe het ermee stond. Toen hij de tuin van
zijn ex-patiënt binnenliep, viel zijn mond open. De man zat vol angst in een
boom.
‘Wat doe je nou?’ riep de dokter omhoog.
‘Mij schuilhouden. Op het erf loopt een kip!’
‘Maar man, je weet toch dat je geen regenworm bent!’
‘Ja, dat weet ík wel, maar dat weet die kip niet.’
Vreemd verschijnsel, dat de mensen soms geloven dat ze geloven, of dat ze
zichzelf wijsgemaakt hebben dat ze niet geloven.
Toen voor het eerst na bijna tweeduizend jaar de sjofar weer werd geblazen
bij de ‘Klaagmuur’, ontdekte een Israëlische officier, dat hij een diepgelovig
mens was en niet de atheïst voor wie hij zichzelf altijd had gehouden.
Omgekeerd zijn er veel gelovigen die denken, dat ze geloven.
Betrappen we onszelf daar ook niet vaak op?
Stanley Jones vertelt van een gezin, waarin een jongetje door een ongeluk
om het leven was gekomen.
Een vreselijk gebeuren, dat de omgeving diep schokte. Maar de ouders geloofden
met hun hele hart dat hun kind naar de hemel was gegaan. Als gevolg daarvan
kreeg de begrafenis het karakter van een feest.
Een vriendje van het kind, dat bij de begrafenis was geweest, zei op de
terugweg tegen zijn moeder: ‘Ze geloven dat Johnny in de hemel is.’
‘Natuurlijk,’ zei de moeder. ‘Dat geloven wij toch ook?’
‘Ja,’ zei zoonlief, ‘maar zij geloven het écht!
De nederigheid, woonstede van de naastenliefdeDe nederigheid, woonstede van de naastenliefde
Gods
boodschap van liefde is tot ons gekomen door de vernedering van Zijn Zoon. De
nederigheid is een basiskenmerk, een van de fundamenten van een echt
christelijk leven, omdat zij de woning van de liefde is. Augustinus zegt: «Als jullie me vragen wat het
meest wezenlijk is in de godsdienst en in de leer van Jezus Christus, zal ik
jullie antwoorden: het eerste is de nederigheid, het tweede: de nederigheid, en
het derde: de nederigheid». [4] In de nederigheid van het mensgeworden Woord
wordt ons niet alleen de diepte van de liefde van God voor ons getoond, maar
ook de koninklijke weg die tot de volheid van deze liefde leidt