gelukkig

Mieke MantelWAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
gelukkig
Mieke Mantel
Uit het boek DaniëlUit het boek Daniël
7, 2-14
In die dagen sprak Daniël:
'Vier grote dieren rezen op uit de zee, elk met een andere gestalte.
Het eerste dier leek op een leeuw, maar dan met adelaarsvleugels. Ik zag hoe
zijn vleugels werden uitgerukt, hoe het dier werd opgetild, op twee voeten
overeind werd gezet als een mens en ook het hart van een mens kreeg.
Toen verscheen er een tweede dier; het leek op een beer en het had zich half
opgericht. Het hield drie ribben tussen de tanden van zijn muil, en het dier
werd aangespoord met de woorden: “Sta op, eet veel vlees.”
Daarna zag ik een ander dier; het leek op een panter, maar dan met vier
vogelvleugels op zijn rug, en het had ook vier koppen. Dit dier werd macht
toebedeeld.
Daarna zag ik in mijn nachtelijke visioenen een vierde dier, angstaanjagend,
afschrikwekkend en geweldig sterk, met grote ijzeren tanden. Het vrat en
vermaalde alles, en wat overbleef vertrapte het met zijn poten. Het verschilde
van alle dieren die daarvoor verschenen waren, en het had tien horens. Toen ik
naar de horens keek zag ik hoe een kleine, nieuwe horen tussen de andere
opkwam; drie van de oude horens werden uitgerukt om er plaats voor te maken. En
in die horen bevonden zich ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.
Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaatsnam. Zijn
kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond
uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur welde op en
stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal
tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend.
Ik zag hoe het dier werd gedood vanwege de grootspraak van de horen, ik zag hoe
zijn lichaam werd vernietigd en aan de vlammen werd prijsgegeven.
De andere dieren werd wel hun macht ontnomen, maar hun werd nog enige tijd van
leven gegund.
In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand
kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hem
geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en
naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een
eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit
te gronde gaan
Daniël ziet de Mensenzoon, die voor de troon van God geleid wordt. Deze mysterieuze persoon verzekert de eeuwige heerschappij van de Allerhoogste. Door Hem groeit een volk van geloofsgetuigen, die zullen delen in zijn heerlijkheid
Uit het evangelie volgens Lucas
21, 29-33
'Kijk
naar de vijgenboom en al de andere bomen. Als je ziet dat ze uitlopen, weet je
dat de zomer in aantocht is. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen
ziet gebeuren, dat het koninkrijk van God nabij is.
Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker niet verdwenen zijn wanneer dit
alles gebeurt.
Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.
Wij verwachten de opstanding van de doden en het leven van het komend Rijk. Op het einde der tijden zal het kwaad overwonnen zijn, de doden zullen opstaan en het wordt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar het Verbond tussen God en de mens zal vervuld zijn.
"Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen." Wat Jezus in het evangelie zegt met woorden, zien we in de eerste lezing voor ons met onze ogen. Het gaat over de hemel en de aarde. Eerst over de aarde, die beheerst wordt door beesten die met hun macht tot in de hemel schijnen te heersen. Als mensen moeten leven onder zulke tirannen, hebben ze inderdaad het gevoel dat die de hemel en de aarde de baas zijn. Daniël, de profeet die dit visioen of beter gezegd deze nachtmerrie heeft gehad, leefde onder koning Antiochus Epifanes. Deze koning wordt bedoeld met "Daarna zag ik in mijn nachtelijke visioenen een vierde dier, angstaanjagend, afschrikwekkend en geweldig sterk, met grote ijzeren tanden. Het vrat en vermaalde alles, en wat overbleef vertrapte het met zijn poten." Het beheerst heel de scène: aarde én hemel, er is niets anders meer, en dat schijnt ook altijd te duren.
In de geschiedenis neemt dat
steeds andere vormen aan. Ten tijde van de profeet Daniël was het deze koning
Antíochus Epifanes, tijdens het Romeinse Rijk was het Nero, later Attilla de
Hunnenkoning, Napoleon, sommige tsaren, waarvan één de Verschrikkelijke heette,
en in onze dagen Hitler, een man met een mond vol grootspraak, brallende
redevoeringen die massa's in vervoering bracht.
Maar ook in de kleine geschiedenis van je eigen hart kunnen er zulke situaties
zijn, krachten losbreken, blinde instincten, hartstochten, emoties, waarbij je
het gevoel hebt: er is gewoon niets anders, dat ben ik hélemaal. Maar in het
diepst van mijn hart, waar ik van de heilige Geest ben, wil ik het níet. En dát
zal er op een gegeven ogenblik weer uitkomen. "Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn
woorden zullen nooit verdwijnen." Dat Woord is vlees geworden
en in zichzelf heeft het diezelfde geschiedenis doorgemaakt. Let maar eens op
hoe het gaat in die geschiedenis: "Het
hof nam plaats en de boeken werden geopend." Het is net alsof
die schrikwekkende scène zich ontspant. Het gerechtshof, de eigenlijke
waarheid, het vierde beest gedood, de overige dieren beroofd van hun macht. De
krachten van de hemel en de aarde worden geschokt. Datgene wat alles en allen
leek te beheersen, is weg, "maar
mijn woorden zullen nooit verdwijnen."
"In mijn nachtelijke
visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als
een mens." In
een vorige vertaling staat 'Mensenzoon'. Mensenzoon is in de taal van de
profeet een individu en een heel volk tegelijk. Het is dat armzalige, door de
tiran onderdrukte, gefolterde, gemartelde volk en al die andere volkeren, zoals
bijvoorbeeld de Tsjetsjenen en de mensen van Oost Timor, de Joden, de
Armeniërs, enzovoort. "Hij
naderde (zij naderden) de oude wijze en werd (werden) voor hem geleid. Hem
werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke
taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige
heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te
gronde gaan." Dát is de echte, de uiteindelijke, de
definitieve werkelijkheid. Onder Gods koningschap zullen alle aardse machten,
of ze nu buiten jezelf zijn of binnenin jezelf, het tenslotte moeten verliezen.
Dat is de boodschap van de beide lezingen. Verschrikkingen zijn van tijdelijke
aard.
God is Heer en Meester van heel de geschiedenis en Hij is barmhartig.
dauw
Mieke Mantel
Uit het boek DaniëlUit
het boek Daniël
6, 12-28
In die
dagen deden mannen van koning Darius een inval in het huis van Daniël, waar zij
hem aantroffen terwijl hij smeekbeden richtte tot zijn God.
Ze gingen onmiddellijk naar de koning en wezen hem op het koninklijk besluit:
‘Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende
dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u,
majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?’
De koning antwoordde: ‘Die verordening ligt even vast als elke wet van de Meden
en de Perzen, ze kan niet worden herroepen.’
Toen zeiden ze tegen de koning: ‘Daniël, een van de Judese ballingen, slaat
geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten
stellen; driemaal daags verricht hij zijn gebed.’
De koning was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde, en hij zon op
middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn
macht lag om Daniël te beschermen.
Maar de mannen drongen bij de koning aan en zeiden: ‘Bedenk, majesteit, dat
geen verbod of besluit dat de koning heeft uitgevaardigd veranderd kan worden;
het is een wet van de Meden en de Perzen.’
Hierop gaf de koning bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen.
De koning zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!’
Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de
koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn
machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou
veranderen.
Daarna keerde de koning terug naar zijn paleis en bracht de nacht door zonder
iets te eten; hij kon de slaap niet vatten, maar liet niets ter afleiding
brengen.
Vroeg in de ochtend, toen het licht begon te worden, stond de koning op en
haastte zich naar de leeuwenkuil.
Zodra hij in de buurt van de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem toe:
‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient,
u van de leeuwen kunnen redden?’
En Daniël zei tegen de koning: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft
zijn engel gezonden en de leeuwenmuilen gesloten. Ze hebben mij geen kwaad
gedaan, omdat Hij mij onschuldig acht; maar ook u, majesteit, heb ik niets misdaan.’
De koning was bijzonder verheugd en hij beval Daniël uit de kuil te halen.
Daniël werd uit de kuil getrokken, en hij bleek ongedeerd te zijn, want hij had
op zijn God vertrouwd.
Toen gaf de koning bevel de mannen te brengen die Daniël hadden beschuldigd, en
hij liet hen samen met hun kinderen en hun vrouwen in de leeuwenkuil werpen. Ze
hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op
hen en vermorzelden al hun botten.
Daarop schreef koning Darius aan alle volken en naties, welke taal zij ook
spraken en waar ter wereld zij ook woonden: ‘Moge uw voorspoed groot zijn!
Hierbij beveel ik dat iedereen in het machtsgebied van mijn koninkrijk
eerbiedig ontzag moet tonen voor de God van Daniël. Want Hij is de levende God
die bestaat in eeuwigheid. Zijn koningschap gaat nooit te gronde en zijn
heerschappij is zonder einde. Hij redt en bevrijdt, geeft tekenen en doet
wonderen in de hemel en op aarde; Hij heeft Daniël uit de klauwen van de
leeuwen gered.’
Zo ging het Daniël voorspoedig onder het koningschap van Darius en onder het koningschap van Cyrus de Pers.
Het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil was een aanmoediging voor de Joden hun vetrouwen in God nooit op te geven. Hij is immers trouw en laat zijn getrouwen niet in de steek. Zelfs koning Darius was door deze wonderbare redding overtuigd van Gods almacht
EENVOUD
Mieke MANTEL
Uit het evangelie volgens LucasUit
het evangelie volgens Lucas
21, 12-19
Jezus sprak tot zijn leerlingen:
'Jullie zullen worden mishandeld en vervolgd en uitgeleverd aan de synagogen,
jullie zullen worden opgesloten in de gevangenis en worden voorgeleid aan
koningen en gouverneurs omwille van mijn naam. Dan zullen jullie moeten
getuigen. Bedenk wel dat jullie je verdediging niet moeten voorbereiden. Want
Ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders
kunnen worden weerstaan of weersproken.
Zelfs je ouders en broers, verwanten en vrienden zullen je uitleveren, sommigen
van jullie zullen worden terechtgesteld, en jullie zullen door iedereen worden
gehaat omwille van mijn naam.
Maar geen haar van je hoofd zal verloren gaan.
Red je leven door standvastigheid
Christenen die consequent leven naar hun geloof zullen de nodige tegenstand ondervinden. Zelfs binnen de kring van vrienden en verwanten zal onenigheid voorkomen. Soms zijn regelmatige vervolgingen hun deel. Toch zullen zij volhouden als zij blijven vertrouwen op Christus. Door standvastig te zijn zullen zij hun leven winnen.
Wanneer we ons op geloofsvlak bedreigd voelen, hebben we al vlug de neiging om
ons te gaan verdedigen, alsof de Heer zelf bedreigd wordt. Uit liefde willen we
het dan voor Hem opnemen. Willen 'we'... En daar gaan we dikwijls de fout in.
'We' willen het doen... En Jezus dan? Krijgt Hij nog ruimte om te spreken, te
handelen? We eigenen ons de verdediging toe, nemen het zelf in handen, eisen
zelfs het recht op.
Jezus is duidelijk: ‘Bedenk dat jullie je verdediging niet moeten voorbereiden. Want Ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken’.
De wijsheid waarover Jezus hier spreekt is de wijsheid van God, de
wijsheid van de Geest; een wijsheid als gave.
Wat moeten we ons bij deze gave voorstellen? Is het een soort geheim wapen van
de christen?
We moeten ons van dat wapen het tegenovergestelde voorstellen van de gewone
menselijke wapens. De wapens van de heilige Geest doden, maar niet de
tegenstander. Ze doden het eigen moordende 'ik' dat uit is op mogelijke
vergelding en wraak. Deze laatste wil zichzelf redden, wil zijn redding niet overlaten
aan God.
Laat ons spreken en handelen in de Geest, in de liefde en de barmhartigheid van de Heer.
bloemen
Mieke Mantel
Uit het evangelie volgens LucasUit
het evangelie volgens Lucas
21, 5-11
Toen er
gesproken werd over de tempel, over de mooie stenen en wijgeschenken waarmee
hij versierd was, zei Jezus: ‘Wat jullie hier zien, er zullen dagen komen
waarop geen steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’
Ze stelden Hem toen de vraag: ‘Meester, wanneer zal dat allemaal gebeuren en
aan welk teken kunnen we het herkennen?’
Jezus zei: ‘Let op, laat je niet misleiden. Want er zullen velen komen die mijn
naam gebruiken en zeggen: “Ik ben het, ”of: “De tijd is gekomen.” Volg hen
niet! Als jullie berichten horen over oorlog en opstand, raak dan niet in
paniek. Die dingen moeten eerst gebeuren, maar dat is nog niet meteen het
einde.’
Hij vervolgde: ‘Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het
ene koninkrijk zal de strijd aanbinden met het andere, er zullen zware
aardbevingen komen en hongersnoden en epidemieën alom, en er zullen aan de
hemel grote en verschrikkelijke tekenen verschijnen
De leerlingen stellen Jezus vragen over de tekens van de eindtijd en van de verwoesting van de tempel. Maar Hij antwoordt niet onmiddellijk. Om hun geloof niet teleur te stellen, waarschuwt Hij voor valse interpretaties en voor eigen oplossingen.
Herinner
je je nog elf september 2001, op die mooie zonnige nazomerdag. De wereld zal
nooit meer zijn wat ze voor die tijd was. Elke mens, waar ook ter wereld, is
sindsdien potentieel slachtoffer van het internationale terrorisme. De
wolkenloze, warme nazomerdag van de veiligheid, de welvaart, het onbewolkte
bestaan was weggevaagd.
Zo kan het gaan in het groot, maar zo kan het ook gaan in het klein. Bij het
verlies van een dierbare, bij het zich manifesteren van een ziekte, het
wegvallen van een contact, het zich openbaren van een ondeugd. Dan kan ook het
gevoel ontstaan: er valt een wereld in elkaar.
En uiteindelijk zullen alle mensen dit meemaken, want als wij sterven, zal voor
ieder van ons persoonlijk de wereld ten onder gaan.
Die wereldondergangen in het klein kunnen ons voorbereiden op de laatste wereldondergang. Het is allemaal nog niet het einde, het lijkt wel zo, maar het is nog niet zo. Je moet het allemaal zien in het licht van de laatste wereldondergang. "Als jullie berichten horen over oorlog en opstand, raak dan niet in paniek. Die dingen moeten eerst gebeuren, maar dat is nog niet meteen het einde." Deze perikoop is genomen uit het evangelie van Lucas. Bij Lucas begint zich heel duidelijk de tijd af te tekenen tegen het einde van de tijd, tegenover de jongste dag.
Hoe
is dat nu met het leven in de navolging van Christus? Het gewone leven moet
toch doorgaan?
Eigenlijk kan dat niet. Wij leven voortdurend in het gezicht van het einde, met
onze tekorten, zwakheden, de beperkingen van het menselijk bestaan: eten,
drinken. Hoe kun je dat nu volhouden?
Dat kan door telkens opnieuw je zwakheid, je grenzen, te aanvaarden, niet
teruggrijpen op jezelf, je niet vastgrijpen aan het hier en nu dat toch maar
voorlopig is, maar je in de beleving van die grenssituatie overgeven aan Hem
die staat aan de andere kant van de grens.
Wanneer je je overgeeft aan Hem, zal Hij met zijn kracht jouw zwakte aanvullen
arend
Mieke Mantel
Uit het evangelie volgens LucasUit
het evangelie volgens Lucas
21, 1-4
Toen Jezus opkeek, zag Hij hoe rijken hun
giften in de offerkist kwamen werpen.
Hij zag ook dat een arme weduwe er twee muntjes in gooide, en Hij zei: ‘Ik
verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer gegeven dan alle anderen. Want de
anderen hebben iets van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede
alles gegeven wat ze nodig had voor haar levensonderhoud.’
Christenen
mogen hun zekerheid niet zoeken in rijkdom, macht of prestige. De behoeftige
weduwe geeft hiervan een prachtig voorbeeld. Zij offert van wat zij nodig
heeft, zij geeft wat zij heeft. Wij geven vaak alleen maar van het overbodige. Dat
wat betreft geld of materiële goederen.
Maar hoe
staat het met ons 'zijn'... Zijn we bereid ons helemaal te geven aan God, of
krijgt Hij enkel maar een deeltje...
Christus is de Koning
Uit de profeet Ezechiël
34, 11-12 + 15-17
Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en zelf voor ze zorgen. Zoals een
herder naar zijn kudde op zoek gaat als zijn dieren verstrooid zijn geraakt, zo
zal Ik naar mijn schapen op zoek gaan en ze redden, uit alle plaatsen waarheen
ze zijn verdreven op een dag van dreigende, donkere wolken.
Ikzelf zal mijn schapen weiden en ze laten rusten – spreekt God, de Heer.
Ik zal naar verdwaalde dieren op zoek gaan, verjaagde dieren terughalen,
gewonde dieren verbinden, zieke dieren gezond maken; maar de vette en sterke
dieren zal Ik doden. Ik zal ze weiden zoals het moet.
Wat jullie betreft, mijn schapen, dit zegt God, de Heer: Ik zal rechtspreken
tussen het ene schaap en het andere, tussen rammen en bokken.
De profeet spant zich in om de ballingen in Babylon weer hoop te geven. Na de aanklacht tegen de slechte herders die de koningen van Israël dikwijls waren, belooft God alle verstrooide schapen, maar vooral de meest verwaarloosden, weer bijeen te brengen. Daartoe zal Hij een nieuwe David doen opstaan, een koning die zijn kudde zal weiden op wegen van gerechtigheid en liefde.
Psalm 23, 1 + 2 + 3 + 5 + 6
De Heer is mijn herder, het
ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water.
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn Naam.
U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de Heer
tot in lengte van dagen.
Uit de eerste brief van Paulus aan de
Korintiërs
15, 20 26 + 28
Broeders
en zusters,
Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen.
Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood
er gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door
Christus allen levend worden gemaakt.
Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer
hij komt, zij die hem toebehoren.
En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader,
nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft.
Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft
gelegd’.
De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood.
En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf
onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles
en allen zal regeren-
De koninklijke macht van Christus bestaat erin dat Hij de mensen over de dood heen naar het leven voert, de machten van het kwaad vernietigt en alle mensen samenbrengt in God
Uit
het evangelie volgens Matteüs
25, 31-46
'Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door
luister en in gezelschap van alle engelen, zal Hij plaatsnemen op zijn
glorierijke troon. Dan zullen alle volken voor Hem worden samengebracht en zal
Hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken
scheidt; de schapen zal Hij rechts van zich plaatsen, de bokken links.
Dan zal de koning tegen de groep rechts van zich zeggen: “Jullie zijn door mijn
Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de
grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want Ik had honger en jullie
gaven mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een
vreemdeling, en jullie namen mij op, Ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik
was ziek en jullie bezochten mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij
toe.”
Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U
hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer
hebben wij U als vreemdeling gezien en opgenomen, U naakt gezien en gekleed?
Wanneer hebben wij gezien dat U ziek was of in de gevangenis zat en zijn we
naar U toe gekomen?”
En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan
hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat
hebben jullie voor mij gedaan.”
Daarop zal Hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn
vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de
duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie gaven mij niet te eten, Ik
had dorst en jullie gaven me niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie
namen mij niet op, Ik was naakt en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en zat
in de gevangenis en jullie bezochten mij niet.”
Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of
dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet
voor U gezorgd?”
En Hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van
deze onaanzienlijke niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor mij niet
gedaan.”
Hun staat een eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het
eeuwige leven.’
De parabel beschrijft hoe de Koning en Herder de goeden zal scheiden van de kwaden. De wet van de liefde, de maatstaf voor het oordeel, zal erg veeleisend zijn omdat de rechter, Christus, zich zal vereenzelvigen met de misdeelden
Uit het evangelie volgens LucasUit het evangelie volgens Lucas
20, 27-40
Enkele Sadduceeën, die ontkennen dat er een
opstanding is, kwamen naar Jezus toe en vroegen Hem: ‘Meester, Mozes heeft ons
het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw
kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen
verwekken voor zijn broer. Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar
stierf kinderloos; daarna trouwde de tweede broer met de vrouw en vervolgens de
derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze
stierven. Ten slotte stierf ook de vrouw. Wiens vrouw is ze dan bij de
opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’
Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt,
maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de
opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. Zij kunnen ook
niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat
ze deel hebben aan de opstanding. Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook
Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt
over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob.
Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in
leven.’
Enkele schriftgeleerden zeiden: ‘Meester, wat U zegt is juist.’
En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen
De Sadduceeën
trachten Jezus' opvattingen over de verrijzenis belachelijk te maken door een
onwaarschijnlijk voorstel. Jezus antwoordt dat zij het probleem al te menselijk
en verkeerd stellen. De wereld van de verrijzenis is een gans andere. Als zij
Mozes goed begrijpen zullen zij verstaan dat God zijn verbond doortrekt over de
dood heen.
Wie leeft in de het licht van het eeuwig leven leeft innerlijk anders dan
iemand die leeft in de overtuiging dat er geen leven na de dood is. Waarmee
niet gezegd is dat iemand die niet gelooft in het eeuwig leven niet zou kunnen
beminnen. Dat kan hij heel zeker wel. Dus uiterlijk gezien kan een leven van
iemand die niet gelooft in het eeuwig leven hetzelfde zijn dan het leven van
iemand die wel gelooft in het hiernamaals.
Waar zit dan het verschil ?
Het verschil zit binnenin. De liefdesdaden van een gelovige hebben een
eeuwigheidswaarde. Hij weet (ook al zal hij dat niet voortdurend verstandelijk
redeneren) dat hij, wanneer hij ooit gestorven zal zijn, die daden zal kunnen
aanbieden aan God. Hij gelooft dat het hemels leven een zekere eeuwige
bekroning is van zijn liefdesleven hier op aarde. Wie in dit geloof bemint,
bemint in de diepte anders dan wanneer dit geloof niet aanwezig is.
Een ander fundamenteel verschil is dat een gelovige niet bemint vanuit zijn
allerindividueelste ikje. Hij bemint vanuit het bewustzijn dat God in hem woont
en de stuwende kracht is van zijn liefde. Meer: hij gelooft dat de Heer hem als
instrument gebruikt om te beminnen.
Een nieuwe hemel en een nieuwe aardeEen nieuwe hemel en een nieuwe aarde
1 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. 2 Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. 3 Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. 4 Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’
5 Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak ik nieuw!’ – Ik hoorde zeggen: ‘Schrijf het op, want wat hier wordt gezegd is betrouwbaar en waar.’ – 6 Toen zei hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft. 7 Wie overwint komen al deze dingen toe. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn. 8 Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood
Openbaring:21:1-8
liefde
Mieke Mantel
blijschap
Mieke Mantel
mieke mantel
mieke mantel
Uit het boek OpenbaringUit het boek Openbaring
3, 20
Ik sta voor de deur en klop aan.
Als iemand mijn stem hoort
en de deur opent,
zal Ik binnenkomen,
en we zullen samen eten,
Ik met hem en hij met mij
jacobus
mieke mantel
Uit het boek SpreukenUit
het boek Spreuken
31, 10-13 + 19-20 + 30-31
Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Zij is
meer waard dan edelstenen. Haar man vertrouwt op haar en zal daar rijkelijk bij
winnen.
Ze brengt hem voorspoed, geen ellende, alle dagen van haar leven. Haar handen
zijn voortdurend aan het spinrok, ze houdt altijd de weefspoel vast.
Haar handen strekt zij uit naar de behoeftigen, ze geeft de armen hulp.
Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat, maar een vrouw met ontzag voor de
Heer moet worden geprezen.
Moge zij de vruchten plukken van haar werk, mogen haar daden worden geprezen in
de poorten.
Deze tekst moet men verstaan vanuit de tijd waarin hij geschreven werd. Overigens, bij nader toezien, is hij niet zo voorbijgestreefd. Weigert de vrouw ook vandaag niet dat men haar uitsluitend op grond van haar schoonheid naar waarde zou schatten? Evengoed als de man, wenst zij haar plaats te vinden in de opbouw van de maatschappij. 'Schoonheid is vluchtig', zegt de Schrift. De echte waarde van de vrouw, zo goed als die van de man, hangt af van minder ijdele eigenschappen
het is geen geheim
Mieke Mantel