Uit het eerste boek Koningen
Uit het eerste boek Koningen
18, 20-39
Koning Achab stuurde boden naar alle stammen van Israël en liet
ook alle profeten bij de Karmel bijeenkomen.
Daar sprak Elia het volk als volgt toe: ‘Hoe lang blijft u nog op twee
gedachten hinken? Als de Heer God is, volg Hem dan; is Baäl het, volg dan hem.’
De Israëlieten zeiden niets.
Toen zei Elia: ‘Ik ben de enige profeet van de Heer die nog over is. De
profeten van Baäl zijn met vierhonderdvijftig man. Breng ons twee stieren. Zij
mogen als eersten een stier uitkiezen. Laten ze die in stukken snijden en op
een brandstapel leggen, maar ze mogen het hout niet aansteken. Ik zal de andere
stier gereedmaken en op een brandstapel leggen, maar ik zal het hout niet
aansteken. U moet de naam van uw god aanroepen, en ik zal de naam van de Heer
aanroepen. De god die antwoordt met vuur, is de ware God.’
Heel het volk stemde met dit voorstel in.
‘Begint u maar, u bent met velen’, zei Elia tegen de profeten van Baäl. ‘Kies
maar een dier en maak het gereed voor het offer. Roep dan de naam van uw god
aan, maar steek het hout niet in brand.’
De profeten namen een van de twee beschikbare stieren en maakten die voor het
offer gereed. De hele morgen lang riepen ze Baäl aan: ‘Baäl, geef ons antwoord!’
Maar het bleef stil en niemand gaf antwoord, hoe ze ook dansten en sprongen
rond het altaar dat daar was opgericht.
Toen het middaguur aanbrak, begon Elia hen te honen: ‘Roep zo hard u kunt! Hij
is toch een god? Hij heeft zeker iets anders te doen. Ik denk dat hij zich even
moest afzonderen. Is hij soms op reis gegaan? Misschien slaapt hij, en moet u
hem wekken!’
De profeten riepen uit alle macht en brachten zichzelf, zoals hun gewoonte was,
met zwaarden en lansen verwondingen toe tot het bloed over hun lijf stroomde.
In vervoering bleven ze schreeuwen, maar ook toen het middaguur allang voorbij
was en het uur voor het graanoffer aanbrak, was er nog steeds geen enkele
reactie gekomen: het bleef stil, niemand gaf antwoord.
Elia zei tegen de Israëlieten dat ze naar hem toe moesten komen. Toen ze bij
hem waren komen staan, bouwde hij het verwoeste altaar van de Heer weer op. Hij
nam twaalf stenen, evenveel als het aantal stammen van Israël, de nakomelingen
van de zonen van Jakob, tot wie de Heer had gezegd: ‘Israël is je nieuwe naam.’
Met die twaalf stenen maakte hij een altaar ter ere van de Heer, en daaromheen
liet hij een geul graven met een lengte van tweehonderd el. Hij stapelde het
brandhout op, sneed de stier in stukken en legde die op de brandstapel. Toen
zei hij: ‘Vul vier kruiken met water en giet die over het offer en het
brandhout uit.’ Toen dat gebeurd was, liet hij het nog een tweede en een derde
keer doen. Het water liep over het altaar heen en de geul eromheen kwam vol
water te staan.
Toen het uur voor het graanoffer was aangebroken, trad de profeet Elia op het
altaar toe en zei: ‘Heer, God van Abraham, Isaak en Israël, vandaag zal blijken
dat U in Israël God bent, en dat ik U dien en dit alles in uw opdracht gedaan
heb. Geef mij antwoord, Heer, geef antwoord. Dan zal dit volk beseffen dat U,
Heer, God bent en dat U het bent die hen tot inkeer brengt.’
Het vuur van de Heer sloeg in en verteerde het brandoffer met brandhout,
stenen, as en al; zelfs het water in de geul likte het op.
Alle Israëlieten zagen het, en allen vielen op hun knieën en riepen: ‘De Heer
is God, de Heer is God!’
Een krachtproef tussen Elia de profeet van de éne, ware God, en de profeten van Baäl laat ons zien hoe wij moeten volhouden te geloven. De goden die wij onszelf maken kunnen niets en zijn slechts schijngoden.





