Uit het evangelie volgens Johannes
Uit het tweede boek Koningen
4, 42-44
Op een keer
kwam iemand uit Baäl-Salisa Elisa opzoeken. Hij bracht twintig gerstebroden
voor de godsman mee, gebakken van meel uit de nieuwe oogst, en een zakje vers
graan.
Elisa droeg zijn bediende op dit als maal aan de profeten voor te zetten. Toen
de bediende protesteerde dat het beslist niet genoeg was voor honderd personen,
zei Elisa nogmaals: ‘Zet het de profeten voor, ze zullen er een maaltijd aan
hebben. Want dit zegt de Heer: Ze zullen ervan eten en nog overhouden ook.’
Toen zette zijn bediende het de profeten voor, en zij aten ervan en hielden nog
over, zoals de Heer had gezegd.
Het mirakel dat door Elia wordt verricht, heeft een drievoudige betekenis: God vertrouwt aan de mens zijn eigen meesterschap over de wereld toe; de armen moeten te eten krijgen; en wat de mens eigenmachtig voortbrengt is slechts een aankondiging van de overvloed van de eindtijd.
Uit het evangelie volgens Johannes
6, 1-15
Jezus ging
naar de overkant van het Meer van Galilea, bij Tiberias. Een grote menigte
mensen volgde Hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen Hij bij zieken
deed.
Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten. Het was kort
voor het Joodse pesachfeest. Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die
menigte naar Hem toe kwam, vroeg Hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen
om deze mensen te eten te geven?’ Hij vroeg dat om Filippus op de proef te
stellen, want zelf wist Hij al wat hij zou gaan doen.
Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om
iedereen een klein stukje brood te geven.’
Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei: ‘Er is hier wel
een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan
voor zoveel mensen?’
Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’
Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend
mannen. Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood
onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden.
Toen iedereen volop gegeten had zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de
overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’
Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf
gerstebroden die men had gegeten.
Toen de mensen het wonderteken dat Hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet
wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’
Jezus begreep dat ze Hem wilden dwingen om mee te gaan en Hem dan tot koning
zouden uitroepen. Daarom trok Hij zich terug op de berg, alleen.
Zoals Mozes in de woestijn, en later de profeet Elisa, heeft ook Jezus
door een broodvermenigvuldiging kunnen zorgen voor het volk dat 'honger' had.
Hier in het
Johannesevangelie wordt de broodvermenigvuldiging ook verteld als een
voorafbeelding van de Eucharistie, waardoor de gelovigen met Gods genade in één
gemeenschap verbonden worden.






