Matteüs
Matteüs
22, 34-40
Nadat de Farizeeën hadden vernomen dat Jezus
de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar. Om Hem op de
proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde: ‘Meester, wat is het
grootste gebod in de Wet?’
Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel
en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is
daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de
grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’
‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’
Moest men de Bijbel in enkele bewoordingen moeten samenvatten, zou men dit antwoord van Jezus aan de Farizeeën kunnen aanhalen. Terecht zegt Jezus dan ook: 'Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.'
Doch mogen we niet vergeten welke weg Jezus
hiervoor zelf gegaan is: de weg van het kruis, voor Hem heel letterlijk.
Wanneer Jezus spreekt over 'liefhebben', bedoelt Hij dat niet goedkoop. Hij
heeft het over een liefhebben tot het uiterste, een beminnen zonder grenzen,
een zich geven aan allen zonder voorkeuren. Niet goedkoop dus.
Hij is ons deze weg voorgegaan om ons te tonen wat de inhoud is van God
beminnen, je naaste en jezelf.
De kruis-weg van Jezus zou het hart moeten zijn van
ons beminnen. Niet enkel als voorbeeld, maar ook en vooràl als bron van diepe
genade.
Laten wij, wanneer wij bidden voor een kruisbeeld, vragen om Gods genade: dat
wij vanuit de inwoning van Jezus zijn liefde mogen belichamen in al ons doen en
laten.
Dat dit vooral geen theorie mag zijn, maar een blijde werkelijkheid opdat het
Pasen van de Heer meer en meer zichtbaar mag zijn in ons dagelijks leven.


