Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Galaten 6:9
Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. -- Galaten 6:9
Johannes
Johannes
3, 13-17
'Er is nooit
iemand opgestegen naar de hemel behalve degene die uit de hemel is neergedaald:
de Mensenzoon.
Deze moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang
omhooggeheven heeft, opdat iedereen die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft.
Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat
iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te
vellen, maar om de wereld door Hem te redden.'
Vandaag mogen we naar het kruis kijken. En God weet welke gedachten er dan door ons hoofd gaan, welke gevoelens er dan in ons hart spelen, welke vraagtekens we misschien plaatsen bij dit grote teken waarover de Bijbel vier maar verhaalt.
Laten we rustig het kruis
aanschouwen; het kruis, én de gekruisigde. En laat ons bidden om genade dat
alles rustig mag worden in ons hart, opdat we de genade van deze liefde tot
het uiterste mogen welkom heten.
Het schouwen van het kruis, in de liefde van Gods Geest, draagt de genade in
zich, te mogen groeien in die liefde. Meer: te mogen delen in die liefde.
Christus geeft van op het kruis. Hij geeft geloof en kracht, moed en vertrouwen. Bovenal schenkt Hij de genade ons door Hem te laten leiden, en wel op de weg van het liefhebben tot het uiterste.
Laat ons knielen voor dit groot mysterie van leven.
Lucas
Lucas
6, 27-38
'Tot
jullie die naar Mij luisteren zeg Ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie
jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht
behandelen. Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang
aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. Geef
aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je
afneemt. Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen.
Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de
zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. En is het een verdienste als
je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars
handelen zo. En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie
jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de
verwachting alles terug te krijgen.
Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug
te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie
kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook Hij is goed voor wie ondankbaar en
kwaadwillig is. Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.
Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan
zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. Geef, dan
zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en
overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen
gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’
'Heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt.'
Jezus heeft het hier niet over beter, groter of mooier voor te doen dan anderen. Het gaat zelfs eerder de andere kant op, de richting van Jezus uit. Zich gedragen, optreden op de manier van Jezus, op de wijze van Hem, die eerste was en zich niet schaamde om laatste en minste te worden, op de manier van Hem, die Heer was en toch dienaar wou zijn, die God was en ook mens werd.
Het gaat hier niet over een prestige-kwestie. We bouwen er geen status mee op. Het zal eerder puin ruimen worden. Want we moeten door muren heen die we anders spontaan laten staan of omzeilen. Het vraagt heel wat verbouwingswerk en het vergt een hele verhuis binnen in ons. We moeten met onze liefde en genegenheid verder dan onze vriendenkring. Het lijstje van onze 'personae non gratae' moet van de koelruimte naar de warmte van ons hart. De deuren naar de bergkamers van ons bezit, ons vermogen of onze tijd moeten we groter en toegankelijker maken. De spreekkamer van onze talenten moet vergroot en de gerechtszaal van ons oordeel verkleind worden.
In onze bibliotheek mag het wetboek van 'oog om oog, tand om tand', vervangen worden door de wet en het woord van Jezus. En laat ons dan meteen ook onze ramen vergroten om de zon van God door te laten. Zij laat het licht van zijn goedheid schijnen over 'ondankbaren en slechten'. Het zal ons huis en ons leven lichter en warmer maken. Want de zon van onze liefde is vaak een winterzon. Gewoonlijk staat ze heel laat op en gaat heel vroeg onder.
Met andere woorden: 'Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.
Jesaja 11:1-1
Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei. De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER. -- Jesaja 11:1-1
Handelingen 1:8
Johannes
Johannes
3, 16
Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem
die zijn leven voor ons gegeven heeft.
Daarom horen ook wij ons leven te geven
voor onze broeders en zusters.
-- Psalmen 111:7-8
Waarheid en recht zijn het werk van zijn handen, uit al zijn regels blijkt zijn trouw, ze zijn onwrikbaar, voor altijd en eeuwig, gemaakt volgens waarheid en recht. -- Psalmen 111:7-8
Johannes 13:20
Lucas
De
schriftgeleerden en Farizeeën zeiden tegen Jezus: ‘De leerlingen van Johannes
vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de Farizeeën
doen, maar die van U eten en drinken maar.’
Jezus zei: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de
bruidegom bij hen is? Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt
weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’
Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe
mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de
nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past. En niemand giet jonge wijn in
oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de
wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan. Jonge wijn moet in nieuwe
zakken worden gedaan. Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge;
hij zegt immers: “De oude wijn is goed!”’
De opdracht en de zending van Jezus is een blijde boodschap. Ze steekt mensen in een nieuw kleed, dat inderdaad niet meer bij het oude past zoals destijds de schriftgeleerden het leerden aan de toenmalige Joden. Jezus' boodschap is een boodschap van jong bloed door het mensenhart, sprankelend en vurig als nieuwe wijn en totaal anders van smaak dan de oude. In goede en kwade dagen, voor eeuwig en voor goed, gaat God in Jezus een verbintenis met ons aan. Jezus is de bruidegom, het ja-woord van de Vader. Daarom vastten de leerlingen van Jezus toen niet. Jezus was met hen en ze gingen met Hem mee, zonder goed te beseffen wat er aan het gebeuren was.
Jezus liet de leerlingen immers van
de ene verwondering in de andere vallen. Ze zaten als op de eerste rij telkens
wanneer Jezus zieken genas, stormen bedaarde of broden vermenigvuldigde.
Maar evengoed moeten ze ervaren hebben dat het antwoord van Jezus aan de
schriftgeleerden een goed en een waar antwoord was, tot op de laatste letter en
het bittere einde.
Want hun vasten begon, zodra ze merkten dat Jezus zo volledig mens met ons wou
worden tot de rauwe en pijnlijke consequenties toe van verraad, lijden en dood.
Hun vasten begon, zodra ze begrepen dat hun weg met Jezus niet louter triomftocht maar ook kruisweg werd, zodra ze inzagen dat echte vrienden van de bruidegom moesten inleveren, moesten afsterven aan hun oppervlakkig ik, zodra ze met hun leven gelovig zouden moeten getuigen dat op het grote bruiloftsmaal van God met de mensen de eersten laatst zullen zijn en de kleinsten grootst.
Lucas
Lucas
5, 1-11
Toen Jezus eens aan de
oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om Hem verdrong om
naar het woord van God te luisteren, zag Hij twee boten aan de oever van het
meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te
spoelen.
Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van
het land weg te varen; Hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de
boot.
Toen Hij was opgehouden met spreken, zei Hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water
en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’
Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets
gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’
En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten
dat die dreigden te scheuren. Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat
die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de
beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken.
Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga
weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’
Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme
hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; zo verging het ook Jakobus en Johannes,
de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten.
Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’
En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en
volgden Hem.
Geloven kunnen we
moeilijk wanneer we ons laten drijven op de wind van onze lust, op de stroming
van genot en eigenzin, door onze zeilen gewoon naar de wind te zetten.
We hebben iemand nodig die ons zegt: 'Vaar naar diep water'. Durf je netten
daar uit te werpen. Gooi het met je leven over een andere boeg. We hebben een
gids nodig, een loods, een kompas waar we gelovig op aansturen: Jezus.
Jezus koos als zijn eerste leerlingen mensen van de zee en van het strand, mensen zoals wij, met haken en ogen, met stormschade en met breekbare netten. Hij roept ons om te luisteren naar zijn Woord, om zijn Boodschap te beminnen, om ons te schenken aan Hem.
Laten we deze trein van genade niet missen.
Heer,
geef dat wij steeds mogen handelen naar uw woord,
opdat wat we doen gedragen en geleid mag zijn door U.
Trek ons in de brand van uw liefde,
en leer ons gehoor te geven aan U.
Altijd en overal.
Amen.
Psalmen 18:36-37
uw rechterhand ondersteunde mij,
uw woord maakte mij sterk,
u baande de weg voor mijn voeten,
ik wankelde niet.
Jakobus 1:18
Psalm 98, 1 + 7-9
Psalm 98, 1 + 7-9
Zing voor de Heer een nieuw lied:
wonderen heeft Hij verricht.
Zijn rechterhand heeft overwonnen,
zijn heilige arm heeft redding gebracht.
Laat bruisen de zee en alles wat daar leeft,
laat juichen de wereld met haar bewoners.
Laten de rivieren in de handen klappen
en samen met de bergen jubelen voor de Heer.
Want Hij is in aantocht als rechter van de aarde.
Rechtvaardig zal Hij de wereld berechten,
de volken oordelen naar recht en wet.
1 Petrus 1:13
Marcus 1:9-11
Psalmen
-- Filippenzen 2:2-4
1 Johannes 3:2
Johannes.1:45-51
Johannes
1, 45-51
Filippus
kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes
in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon
van Jozef, uit Nazaret!’
‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’
‘Ga zelf maar kijken’, zei Filippus.
Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens
zonder bedrog.’
‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël.
Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder
de vijgenboom zat.’
‘Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!’ zei Natanaël.
Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat Ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag
zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’
‘Waarachtig, Ik verzeker jullie’ , voegde Hij eraan toe, ‘jullie zullen de
hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de
Mensenzoon.’
Nathanaël
zat onder de vijgenboom. Wellicht in Kana waar hij woonde.
Jezus zei: 'Ik had je al gezien vóórdat Filippus je riep, toen je onder de
vijgenboom zat', zo hoorden we vandaag.
Voor de vrome Jood was het een gebruikelijke plaats
om zich bezig te houden met de dingen van God. Met zijn laag neerhangende
takken kon je er ongestoord en ongezien je wijden aan de studie van de Schrift.
Het is een plek van vrede. Ongetwijfeld heeft Nathanaël daar onder de
vijgenboom zijn verlangen naar de Komende gevoed.
Hij heeft zijn verwachting levend gehouden. Hij heeft gebeden om de komst van
de Messias.
En dan wordt hij geroepen om de Messias te zien en te ontmoeten.
Het is goed voor ieder van ons om zo'n vijgenboom
te hebben. Om een plek van rust te hebben, een plek van overdenking en gebed.
Een plek waar je her-innerd wordt aan de vrede met God en waar je die vrede
kunt oefenen. Een plek ook waar je jezelf voorbereidt op zijn komen in jouw
leven.
Deze plek kan een gebedshoekje in huis zijn een plekje in de natuur; een plek
die ons even in de eenzaamheid brengt, waar geen verstrooïng is, waar we met de
Heer alleen kunnen zijn, waar we Hem kunnen ontmoeten, naar Hem kunnen kijken,
naar Hem kunnen luisteren, ook al zien of horen of voelen we Hem niet.
Deze plek is veel meer dan een plek in de ruimte. Deze plek moet bovenal in ons
hart zijn, een plaatsje waar niets of niemand tussen ons en de Heer kan komen,
een plaats waar we ongestoord kunnen drinken van de Bron die levend water
geeft: Jezus.
Laat ons die 'plek' koesteren als zéér belangrijk in ons leven.
De eerste leerlingen van Jezus trokken anderen aan. Maar beslissend voor de geloofsovergave blijft, zoals bij Natanaël, de ontmoeting met Jezus zelf. Hij ervaart doorheen de menselijke gestalte van Jezus iets diepers en wordt erdoor getroffen, zodat hij anders gaat denken en leven. Wie zich bekeert tot Jezus zal de hemel open zien en Gods glorie aanschouwen.


