Johannes
Johannes
3, 16
Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem
die zijn leven voor ons gegeven heeft.
Daarom horen ook wij ons leven te geven
voor onze broeders en zusters.
WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
JohannesJohannes
3, 16
Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem
die zijn leven voor ons gegeven heeft.
Daarom horen ook wij ons leven te geven
voor onze broeders en zusters.
-- Psalmen 111:7-8Waarheid en recht zijn het werk van zijn handen, uit al zijn regels blijkt zijn trouw, ze zijn onwrikbaar, voor altijd en eeuwig, gemaakt volgens waarheid en recht. -- Psalmen 111:7-8
Johannes 13:20
LucasDe
schriftgeleerden en Farizeeën zeiden tegen Jezus: ‘De leerlingen van Johannes
vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de Farizeeën
doen, maar die van U eten en drinken maar.’
Jezus zei: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de
bruidegom bij hen is? Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt
weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’
Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe
mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de
nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past. En niemand giet jonge wijn in
oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de
wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan. Jonge wijn moet in nieuwe
zakken worden gedaan. Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge;
hij zegt immers: “De oude wijn is goed!”’
De opdracht en de zending van Jezus is een blijde boodschap. Ze steekt mensen in een nieuw kleed, dat inderdaad niet meer bij het oude past zoals destijds de schriftgeleerden het leerden aan de toenmalige Joden. Jezus' boodschap is een boodschap van jong bloed door het mensenhart, sprankelend en vurig als nieuwe wijn en totaal anders van smaak dan de oude. In goede en kwade dagen, voor eeuwig en voor goed, gaat God in Jezus een verbintenis met ons aan. Jezus is de bruidegom, het ja-woord van de Vader. Daarom vastten de leerlingen van Jezus toen niet. Jezus was met hen en ze gingen met Hem mee, zonder goed te beseffen wat er aan het gebeuren was.
Jezus liet de leerlingen immers van
de ene verwondering in de andere vallen. Ze zaten als op de eerste rij telkens
wanneer Jezus zieken genas, stormen bedaarde of broden vermenigvuldigde.
Maar evengoed moeten ze ervaren hebben dat het antwoord van Jezus aan de
schriftgeleerden een goed en een waar antwoord was, tot op de laatste letter en
het bittere einde.
Want hun vasten begon, zodra ze merkten dat Jezus zo volledig mens met ons wou
worden tot de rauwe en pijnlijke consequenties toe van verraad, lijden en dood.
Hun vasten begon, zodra ze begrepen dat hun weg met Jezus niet louter triomftocht maar ook kruisweg werd, zodra ze inzagen dat echte vrienden van de bruidegom moesten inleveren, moesten afsterven aan hun oppervlakkig ik, zodra ze met hun leven gelovig zouden moeten getuigen dat op het grote bruiloftsmaal van God met de mensen de eersten laatst zullen zijn en de kleinsten grootst.
LucasLucas
5, 1-11
Toen Jezus eens aan de
oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om Hem verdrong om
naar het woord van God te luisteren, zag Hij twee boten aan de oever van het
meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te
spoelen.
Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van
het land weg te varen; Hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de
boot.
Toen Hij was opgehouden met spreken, zei Hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water
en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’
Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets
gevangen. Maar als U het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’
En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten
dat die dreigden te scheuren. Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat
die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de
beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken.
Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga
weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’
Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme
hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; zo verging het ook Jakobus en Johannes,
de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten.
Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’
En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en
volgden Hem.
Geloven kunnen we
moeilijk wanneer we ons laten drijven op de wind van onze lust, op de stroming
van genot en eigenzin, door onze zeilen gewoon naar de wind te zetten.
We hebben iemand nodig die ons zegt: 'Vaar naar diep water'. Durf je netten
daar uit te werpen. Gooi het met je leven over een andere boeg. We hebben een
gids nodig, een loods, een kompas waar we gelovig op aansturen: Jezus.
Jezus koos als zijn eerste leerlingen mensen van de zee en van het strand, mensen zoals wij, met haken en ogen, met stormschade en met breekbare netten. Hij roept ons om te luisteren naar zijn Woord, om zijn Boodschap te beminnen, om ons te schenken aan Hem.
Laten we deze trein van genade niet missen.
Heer,
geef dat wij steeds mogen handelen naar uw woord,
opdat wat we doen gedragen en geleid mag zijn door U.
Trek ons in de brand van uw liefde,
en leer ons gehoor te geven aan U.
Altijd en overal.
Amen.
Psalmen 18:36-37
Jakobus 1:18
Psalm 98, 1 + 7-9Psalm 98, 1 + 7-9
Zing voor de Heer een nieuw lied:
wonderen heeft Hij verricht.
Zijn rechterhand heeft overwonnen,
zijn heilige arm heeft redding gebracht.
Laat bruisen de zee en alles wat daar leeft,
laat juichen de wereld met haar bewoners.
Laten de rivieren in de handen klappen
en samen met de bergen jubelen voor de Heer.
Want Hij is in aantocht als rechter van de aarde.
Rechtvaardig zal Hij de wereld berechten,
de volken oordelen naar recht en wet.
1 Petrus 1:13
Marcus 1:9-11
Psalmen
-- Filippenzen 2:2-4
1 Johannes 3:2
Johannes.1:45-51Johannes
1, 45-51
Filippus
kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes
in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon
van Jozef, uit Nazaret!’
‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’
‘Ga zelf maar kijken’, zei Filippus.
Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens
zonder bedrog.’
‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël.
Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder
de vijgenboom zat.’
‘Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!’ zei Natanaël.
Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat Ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag
zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’
‘Waarachtig, Ik verzeker jullie’ , voegde Hij eraan toe, ‘jullie zullen de
hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de
Mensenzoon.’
Nathanaël
zat onder de vijgenboom. Wellicht in Kana waar hij woonde.
Jezus zei: 'Ik had je al gezien vóórdat Filippus je riep, toen je onder de
vijgenboom zat', zo hoorden we vandaag.
Voor de vrome Jood was het een gebruikelijke plaats
om zich bezig te houden met de dingen van God. Met zijn laag neerhangende
takken kon je er ongestoord en ongezien je wijden aan de studie van de Schrift.
Het is een plek van vrede. Ongetwijfeld heeft Nathanaël daar onder de
vijgenboom zijn verlangen naar de Komende gevoed.
Hij heeft zijn verwachting levend gehouden. Hij heeft gebeden om de komst van
de Messias.
En dan wordt hij geroepen om de Messias te zien en te ontmoeten.
Het is goed voor ieder van ons om zo'n vijgenboom
te hebben. Om een plek van rust te hebben, een plek van overdenking en gebed.
Een plek waar je her-innerd wordt aan de vrede met God en waar je die vrede
kunt oefenen. Een plek ook waar je jezelf voorbereidt op zijn komen in jouw
leven.
Deze plek kan een gebedshoekje in huis zijn een plekje in de natuur; een plek
die ons even in de eenzaamheid brengt, waar geen verstrooïng is, waar we met de
Heer alleen kunnen zijn, waar we Hem kunnen ontmoeten, naar Hem kunnen kijken,
naar Hem kunnen luisteren, ook al zien of horen of voelen we Hem niet.
Deze plek is veel meer dan een plek in de ruimte. Deze plek moet bovenal in ons
hart zijn, een plaatsje waar niets of niemand tussen ons en de Heer kan komen,
een plaats waar we ongestoord kunnen drinken van de Bron die levend water
geeft: Jezus.
Laat ons die 'plek' koesteren als zéér belangrijk in ons leven.
De eerste leerlingen van Jezus trokken anderen aan. Maar beslissend voor de geloofsovergave blijft, zoals bij Natanaël, de ontmoeting met Jezus zelf. Hij ervaart doorheen de menselijke gestalte van Jezus iets diepers en wordt erdoor getroffen, zodat hij anders gaat denken en leven. Wie zich bekeert tot Jezus zal de hemel open zien en Gods glorie aanschouwen.
MatteüsMatteüs
22, 34-40
Nadat de Farizeeën hadden vernomen dat Jezus
de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen ze bij elkaar. Om Hem op de
proef te stellen vroeg een van hen, een wetgeleerde: ‘Meester, wat is het
grootste gebod in de Wet?’
Hij antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel
en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is
daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de
grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’
‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.’
Moest men de Bijbel in enkele bewoordingen moeten samenvatten, zou men dit antwoord van Jezus aan de Farizeeën kunnen aanhalen. Terecht zegt Jezus dan ook: 'Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat.'
Doch mogen we niet vergeten welke weg Jezus
hiervoor zelf gegaan is: de weg van het kruis, voor Hem heel letterlijk.
Wanneer Jezus spreekt over 'liefhebben', bedoelt Hij dat niet goedkoop. Hij
heeft het over een liefhebben tot het uiterste, een beminnen zonder grenzen,
een zich geven aan allen zonder voorkeuren. Niet goedkoop dus.
Hij is ons deze weg voorgegaan om ons te tonen wat de inhoud is van God
beminnen, je naaste en jezelf.
De kruis-weg van Jezus zou het hart moeten zijn van
ons beminnen. Niet enkel als voorbeeld, maar ook en vooràl als bron van diepe
genade.
Laten wij, wanneer wij bidden voor een kruisbeeld, vragen om Gods genade: dat
wij vanuit de inwoning van Jezus zijn liefde mogen belichamen in al ons doen en
laten.
Dat dit vooral geen theorie mag zijn, maar een blijde werkelijkheid opdat het
Pasen van de Heer meer en meer zichtbaar mag zijn in ons dagelijks leven.
Ezechiel 33:11
MatteüsMatteüs
19, 23-30
Jezus wendde zich tot
zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke
het koninkrijk van de hemel binnengaan. Ik zeg het jullie nog eens: het is
gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor
een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan.’
Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er
dan nog gered worden?’
Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij
God is alles mogelijk.’
Daarop vroeg Petrus: ‘Wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Waar
kunnen wij naar uitzien?’
Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles
vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit zal zetelen op zijn
troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op de twaalf tronen
en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël. En ieder die broers of
zusters, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten
omwille van mijn Naam, zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het
eeuwige leven. Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de
eersten.’
Vaak zijn mensen zo bezeten van hun bezit dat ze de eigenlijke waarden van het leven niet meer zien; zij gaan aan het echte leven en aan God voorbij.
De beroemde Russische schrijver Tolstoi vertelt over een arme
boer die denkt geluk te hebben. Want een rijke landeigenaar belooft hem zoveel
grond te geven als hij binnen een dag al lopend kan afleggen. Op één
voorwaarde: hij moet voor de zon ondergaat, terug zijn aan het beginpunt. De
boer gaat vol goede moed op weg.
Hoe harder hij loopt, des te meer land zal hij hebben. Dromend over zijn nieuwe
rijkdom stapt hij steeds sneller, en voortdurend kijkt hij naar de stand van de
zon, want hij moet terug zijn voordat die ondergaat. De kring die hij loopt,
wordt steeds groter: hier nog dit stuk land, daar nog om dat water heen, en
ginds dat bos nog. Wanneer het avond wordt, is hij bekaf, en hij moet rennen om
op tijd terug te zijn. Het lukt hem. Zwetend over zijn hele lijf, totaal
uitgeput en denkend hoe rijk hij nu is, valt hij neer en sterft ter plekke. Wat
hem aan grond overblijft, zijn de twee vierkante meter waarin hij begraven
wordt.
Het is een verhaal dat ons allemaal een beetje aangaat, ons,
rijke westerlingen, die met al onze overvloed, het zicht op de werkelijke
levenswaarden vaak kwijt zijn. Doe dat wat je bezit en gevangen houdt, weg,
zegt Jezus tegen alle rijke mensen.
Want de waarde van elke mens ligt niet in wat hij heeft, maar in wie hij is.
Niet in wat hij bezit, niet in zijn status, titel of inkomen. Er hebben in
concentratiekampen mensen gezeten aan wie alles ontnomen was, die totaal
ontluisterd leken, maar wier innerlijke waardigheid onaangetast bleef.
Veel dingen doen in onze dagen een aanslag op onze persoonlijkheid. Nogal wat mensen zijn zichzelf kwijt, en zijn aangeklede, rijk versierde poppen soms, zonder diepgang. Echte levenswijsheid is hun vreemd. En de schuld van zo'n leeg leven is dikwijls het geld.
'Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan'. Is Jezus tegen rijkdom en voor armoede? Nee, zeker niet. Maar Hij gunt de hongerigen brood, en de rijken honger naar gerechtigheid.
-- Jesaja 6:1-3
MatteüsMatteüs
19, 13-15
De mensen brachten kinderen bij Jezus, ze wilden dat Hij hun de
handen zou opleggen en zou bidden.
Toen de leerlingen hen berispten, zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet
ze niet bij Mij te komen, want het Koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie
is zoals zij.’
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok Hij weer verder.
Uit menselijke bezorgdheid zonden de leerlingen een groep kinderen weg. Jezus wijst hen terecht. Hun overdreven menselijke zorg maakt het Hem onmogelijk te tonen waartoe Hij gekomen is. Het Rijk der hemelen is er voor de eenvoudigen en de armen. De kleinsten zijn hiervan het mooiste symbool.
'Belet de kinderen niet bij mij te komen.'
Het kan cliché klinken, maar het blijft een waarheid als een koe: onze kinderen zijn onze toekomst. En daar dragen wij, volwassenen, een grote verantwoordelijkheid in.
Wanneer onze kinderen het ouderlijk huis verlaten, kennen ze dan
Jezus ?
Gaan ze die wegen waar ze Hem steeds dieper kunnen leren kennen ?
Hebben ze zijn Woord mogen horen in hun jonge jaren in kerk en huiskring ?
Hebben ze mogen proeven van christelijk gemeenschapsleven ?
Hebben ze voorbeelden gezien van evangelisch engagement ?
Hebben ze leren onderscheid maken tussen goed en kwaad in het licht van het
evangelie ?
Hebben ze het verschil leren zien tussen Kerk met een grote K en kerk met een
kleine k ?
Hebben ze leren bidden, alléén en met anderen ?
Hebben ze geleerd te leven in het licht van de eeuwigheid ?
Psalmen 98:1