Matteüs 7:15
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn.
WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
Matteüs 7:15Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn.
Spreuken 22:4Wie bescheiden
is en ontzag heeft voor de HEER,
wordt beloond met rijkdom, eer en een lang leven.
Psalmen 71:8Heel de dag is mijn mond
vervuld van uw lof en uw luister.
Johannes 10:10
Matteüs 24:44
1 Johannes 4:20
LucasLucas
16, 1-13
‘Er was eens een rijke man die een
rentmeester had en te horen kreeg dat de rentmeester zijn eigendommen
verkwistte. De rijke man riep de rentmeester bij zich en zei tegen hem: “Wat
hoor ik over jou? Leg verantwoording af van je beheer, want je kunt niet langer
rentmeester blijven.” Toen zei de rentmeester bij zichzelf: Wat moet ik doen nu
mijn heer mij het beheer afneemt? Werken op het land kan ik niet, en voor
bedelen schaam ik me. Maar ik weet al wat ik moet doen om ervoor te zorgen dat
de mensen, wanneer ik van mijn beheerderstaak ben ontheven, mij bij hen thuis
ontvangen. Een voor een riep hij de schuldenaars van zijn heer bij zich. De
eerste vroeg hij: “Hoeveel bent u mijn heer schuldig?” “Honderd vaten
olijfolie”, antwoordde de schuldenaar. De rentmeester zei tegen hem: “Hier is uw
schuldbewijs, ga zitten en maak er gauw vijftig van.” Daarna vroeg hij aan de
volgende schuldenaar: “En u, hoeveel bent u schuldig?” “Honderd balen graan”,
luidde het antwoord. De rentmeester zei: “Hier is uw schuldbewijs, maak er
tachtig van.” En de heer prees de oneerlijke rentmeester omdat hij slim had
gehandeld. De kinderen van deze wereld gaan immers slimmer met elkaar om dan de
kinderen van het licht.
Ook Ik zeg jullie: maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie
in de eeuwige tenten worden opgenomen wanneer de mammon er niet meer is.
Wie betrouwbaar is in het geringste, is ook betrouwbaar als het om veel gaat,
en wie oneerlijk is in het geringste is ook oneerlijk als het om veel gaat. Als
jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon, wie zal jullie
dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? En als jullie onbetrouwbaar
blijken met wat een ander toebehoort, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf
toekomt? Geen enkele knecht kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en
de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere
verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.’
Hetgeen wij verdiend hebben met inspanningen
en zwoegen, beschouwen wij heel spontaan en natuurlijk als volledig en totaal
onze eigendom. "Míjn loongeld, míjn auto, míjn huis! Al wat ik verdiend
heb, daar doe ik toch mee wat ik wil. Ik ben daarvoor niemand verantwoording
schuldig!"
Is dat wel waar? Wie heeft ons, om dat geld te verdienen, de kans gegeven, de
gezondheid, de gunstige omstandigheden, het vertrouwen? Als wij even dieper
nadenken dan moeten wij toegeven dat wij dikwijls en op vele domeinen meer
kansen hebben gekregen dan wij prestaties hebben geleverd.
Het evangelie heeft hierover een originele visie en zegt dat wij eigenlijk
rentmeesters zijn, geen eigenaars dus, maar beheerders van Gods schepping. De
goederen, de dingen die wij hebben, zijn eigenlijk niet onze eigendom, maar wij
hebben die in bruikleen gekregen.
Natuurlijk is het evangelie niet tegen het recht
op persoonlijk eigendom, want dit is een alom erkend middel om de waardigheid
van de mens te affirmeren. In landen waar uitbuiting en willekeur door
machtigen bestaat, zal het evangelie de eerste moeten zijn om dat recht op
eigendom te verdedigen.
Maar waar dat recht veroverd is en gerespecteerd wordt, daar waarschuwt het
evangelie ons tegen de excessen van een overdreven individualisme. De blijde
boodschap van Gods droom over de wereld leert ons het geld en het goed, dat wij
verwerven, bezitten en vermeerderen nooit te zien als een eigendom, waarover
wij willekeurig, hooghartig en zelfgenoegzaam zouden mogen beschikken, maar het
steeds te blijven erkennen als een geschenk, dat een verantwoordelijkheid
inhoudt. Geld en goed zijn gaven waarvoor wij dankbaar blijven en die wij mogen
gebruiken, maar nooit voor onszelf alleen, wel steeds volgens Gods bedoeling,
dit is in principe voor het hele mensdom, daar Hij de Vader van allen wil zijn.
In de visie van het Rijk Gods zijn wij dus rentmeesters. Als wij onze huidige wereld willen helpen groeien naar de wereld zoals God die droomt, dan gedragen wij ons niet als pretentieuze eigenaars van ónze rijkdommen, maar als dankbare beheerder van Gods schepping en weldaden.
En een rentmeester moet rekenschap geven over
zijn beheer. Velen leven zonder God, omdat zij baas willen zijn over hun eigen
leven, handel en wandel. Maar als gelovigen erkennen wij uit vrije wil dat er
Iemand is tegenover wie wij wel verantwoording af te leggen hebben. Daarbij
moeten wij niet onmiddellijk denken aan het oordeel bij onze dood, ná ons
leven. God vraagt eigenlijk rekenschap te midden van ons leven. Wij moeten
immers altijd klaar staan voor de komst van het Rijk Gods nu!
Het is goed dat wij regelmatig herinnerd worden aan wat onze keuze eigenlijk
zou moeten zijn. De parabel nodigt ons uit - vermits de tijd dringt - tot een
uiterst edelmoedige zet, zonder verder uitstel.
Op een cruciaal crisis-moment beslist de
rentmeester radicaal van handelwijze te veranderen. Het geld dat hem was
toevertrouwd gaat hij op dat moment niet meer aanwenden zoals een eigenaar
spontaan doet - geld bijwinnen, kleintjes laten krijgen, van de geldmacht
gebruik maken om interest en commissieloon te eisen - maar hij gaat het
gebruiken als een middel om zijn menselijke verhoudingen te verbeteren. Een
echte bekering dus. Een relatie van macht, woeker en oneerlijke winst, buigt
hij om tot een vriendschapsrelatie gebaseerd op strikte rechtvaardigheid.
Het evangelie zegt niet dat wij ons van alle geld moeten ontdoen - dat zou
onrealistisch zijn; geld is immers onmisbaar - maar wel dat wij het goed moeten
gebruiken. Het evangelie vraagt dat wij ons geld niet gebruiken als een macht
om onszelf te verrijken, maar als een middel om de relaties in Gods schepping
te verbeteren.
Maar Jezus voegt er vandaag waarschuwend aan
toe dat dit heel moeilijk is. Hij aarzelt niet het geld een bedrieglijke duivel
te noemen om aan te duiden dat de mens erdoor bezeten kan geraken.
Geld kan inderdaad een macht worden die - als wij niet scherp opletten -
ons spontaan doet overhellen naar één bepaalde kant: naar hebzucht,
individualisme, bedriegerij, onrechtvaardigheid, afgunst en verdeeldheid.
Hoeveel families vallen niet uiteen, alleen omwille van het geld? Hoeveel
religieuze gemeenschappen geraken niet uitgeblust, juist omwille van de
rijkdom?
Geld is een voortdurende bedreiging omdat het de mens spontaan ertoe brengt met
die macht voor zichzelf steeds meer rechten op te eisen, die heel vlug
onredelijk en onrechtvaardig worden.
Dat kan ook bij ons gebeuren vooral als het leven ons eens in een crisis stort,
waarbij wij ons laten gaan, waarbij wij ons zwak voelen, kwetsbaar of eenzaam.
Als mensen dan geld hebben, dan gebeuren er ravages.
En toch is geld inderdaad onmisbaar en kan het goed aangewend worden. Juist omdat wij vrije en verloste mensen zijn, kunnen wij van het geld in plaats van een "machtsgod" een "rechtsmiddel" maken, een middel om rechtvaardigheid te bevorderen. Maar dat zal een voortdurende aandacht en strijd vragen tegen onze eigen zelfzucht.
Het evangelie van vandaag wil ons uitnodigen tot dit kordaat besluit: Ons niet te gedragen als hooghartige eigenaars die de geldduivel en onze eigen zelfzucht dienen, maar als dankbare rentmeesters die geld en goed beheren volgens Gods bedoeling, d.w.z. in dienst van de rechtvaardigheid.
LucasLucas
8, 1-3
Kort daarop begon Jezus
rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over
het koninkrijk van God te verkondigen.
De twaalf vergezelden Hem, en ook enkele vrouwen die van boze geesten en
ziekten genezen waren: Maria uit Magdala, bij wie zeven demonen waren
uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en
Susanna–en nog tal van anderen, die uit hun eigen middelen voor hen zorgden.
we mogen gerust ook zeggen dat het een soort lofzang is op een al te vaak vergeten groep. Vaak hebben we de indruk dat het evangelie een zaak van mannen is. Vrouwen komen er nauwelijks of slechts terloops aan te pas. Een zieke vrouw wordt wel eens genezen. Een vrouw wast de voeten van Jezus. Vrouwen volgen Hem en zijn vrienden en zorgen voor hen uit eigen middelen. Vrouwen staan onder het kruis. Ze staan overal achter of onder, maar zelden of nooit op het voorplan.
Grote rollen worden door mannen bezet. Apostelen en schriftgeleerden, een honderdman, een barmhartige Samaritaan of een goede herder. Dat Annas en Kàjafas, Herodes, Judas of Pilatus ook mannen waren, is hier helemaal geen troost. Maar zo ziet Jezus het niet. Op geen enkel moment. Want het evangelie is geen 'Guiness-book of records', waarin het om de grootste, de sterkste of de beste gaat, waarbij alleen prestatie of kwantiteit telt. Het is een levensboek waar geloof en vertrouwen, waar geduld en liefde, inzet en overgave, de echte kwaliteit en de ware talenten vormen.
En daar spelen vrouwen onvervreemd en onvervangbaar een glansrol. Een rol, waarbij veel mannen tot debutanten verbleken. Lucas begint er zijn evangelie al mee. De eerste persoon die we ontmoeten is Zacharias, een man, een priester. Stomweg valt hij al meteen door zijn rol. "Ge zult zwijgen en niet in staat zijn te spreken, omdat ge mijn woorden niet geloofd hebt."
Meteen daarop treden twee vrouwen op, Maria en Elisabet. In een feilloos duet, in een magnificat van puur geloof en zuivere overgave, brengen ze onze heilsgeschiedenis daadwerkelijk en definitief op gang. Ook wanneer het doek over het openbaar leven van Jezus opengaat en Hij nog even in de coulissen wilt blijven, opdat Hij zijn uur nog niet gekomen acht, is het weer een vrouw, die, onweerstaanbaar zoals alleen moeders dat kunnen, Jezus tot handelen aanzet. "Doe maar wat Hij u zeggen zal." Zo maakte Jezus een begin met zijn tekenen.
Van het penninkje van de weduwe tot de kostelijke nadusbalsem van Maria te Betanië, van die onbevangen eerlijkheid van de vrouw aan de put van Jakob in Samaria tot het vindingrijk geloof van de Kananese met de kruimels die van tafel vallen, het is een rode draad doorheen het leven van Jezus van vrouwelijke gebaren en gaven van geloof, liefde en toewijding.
En toen zijn uur echt gekomen was, een uur waarop ontrouw en verraad, waarop verloochening en vaandelvlucht ineens puur mannelijke begrippen werden, stond er ook weer die krans van vrouwelijke trouw, van meevoelen en meegaan ten einde toe. Een krans van vrouwen die Jezus vanaf Galilea waren gevolgd en Hem hadden gediend. Echte, levende en zuivere godsdienst van een al te vaak vergeten groep.
1 Korintiërs 13:2
Johannes 3:18
Jakobus 3:2
Galaten 6:9Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. -- Galaten 6:9
JohannesJohannes
3, 13-17
'Er is nooit
iemand opgestegen naar de hemel behalve degene die uit de hemel is neergedaald:
de Mensenzoon.
Deze moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang
omhooggeheven heeft, opdat iedereen die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft.
Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat
iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te
vellen, maar om de wereld door Hem te redden.'
Vandaag mogen we naar het kruis kijken. En God weet welke gedachten er dan door ons hoofd gaan, welke gevoelens er dan in ons hart spelen, welke vraagtekens we misschien plaatsen bij dit grote teken waarover de Bijbel vier maar verhaalt.
Laten we rustig het kruis
aanschouwen; het kruis, én de gekruisigde. En laat ons bidden om genade dat
alles rustig mag worden in ons hart, opdat we de genade van deze liefde tot
het uiterste mogen welkom heten.
Het schouwen van het kruis, in de liefde van Gods Geest, draagt de genade in
zich, te mogen groeien in die liefde. Meer: te mogen delen in die liefde.
Christus geeft van op het kruis. Hij geeft geloof en kracht, moed en vertrouwen. Bovenal schenkt Hij de genade ons door Hem te laten leiden, en wel op de weg van het liefhebben tot het uiterste.
Laat ons knielen voor dit groot mysterie van leven.
LucasLucas
6, 27-38
'Tot
jullie die naar Mij luisteren zeg Ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie
jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht
behandelen. Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang
aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. Geef
aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je
afneemt. Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen.
Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de
zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. En is het een verdienste als
je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars
handelen zo. En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie
jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de
verwachting alles terug te krijgen.
Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug
te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie
kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook Hij is goed voor wie ondankbaar en
kwaadwillig is. Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.
Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan
zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. Geef, dan
zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en
overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen
gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’
'Heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt.'
Jezus heeft het hier niet over beter, groter of mooier voor te doen dan anderen. Het gaat zelfs eerder de andere kant op, de richting van Jezus uit. Zich gedragen, optreden op de manier van Jezus, op de wijze van Hem, die eerste was en zich niet schaamde om laatste en minste te worden, op de manier van Hem, die Heer was en toch dienaar wou zijn, die God was en ook mens werd.
Het gaat hier niet over een prestige-kwestie. We bouwen er geen status mee op. Het zal eerder puin ruimen worden. Want we moeten door muren heen die we anders spontaan laten staan of omzeilen. Het vraagt heel wat verbouwingswerk en het vergt een hele verhuis binnen in ons. We moeten met onze liefde en genegenheid verder dan onze vriendenkring. Het lijstje van onze 'personae non gratae' moet van de koelruimte naar de warmte van ons hart. De deuren naar de bergkamers van ons bezit, ons vermogen of onze tijd moeten we groter en toegankelijker maken. De spreekkamer van onze talenten moet vergroot en de gerechtszaal van ons oordeel verkleind worden.
In onze bibliotheek mag het wetboek van 'oog om oog, tand om tand', vervangen worden door de wet en het woord van Jezus. En laat ons dan meteen ook onze ramen vergroten om de zon van God door te laten. Zij laat het licht van zijn goedheid schijnen over 'ondankbaren en slechten'. Het zal ons huis en ons leven lichter en warmer maken. Want de zon van onze liefde is vaak een winterzon. Gewoonlijk staat ze heel laat op en gaat heel vroeg onder.
Met andere woorden: 'Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.
Jesaja 11:1-1Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei. De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER. -- Jesaja 11:1-1
Handelingen 1:8
JohannesJohannes
3, 16
Wat liefde is, hebben we geleerd van Hem
die zijn leven voor ons gegeven heeft.
Daarom horen ook wij ons leven te geven
voor onze broeders en zusters.
-- Psalmen 111:7-8Waarheid en recht zijn het werk van zijn handen, uit al zijn regels blijkt zijn trouw, ze zijn onwrikbaar, voor altijd en eeuwig, gemaakt volgens waarheid en recht. -- Psalmen 111:7-8
Johannes 13:20
LucasDe
schriftgeleerden en Farizeeën zeiden tegen Jezus: ‘De leerlingen van Johannes
vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de Farizeeën
doen, maar die van U eten en drinken maar.’
Jezus zei: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de
bruidegom bij hen is? Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt
weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’
Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe
mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de
nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past. En niemand giet jonge wijn in
oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de
wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan. Jonge wijn moet in nieuwe
zakken worden gedaan. Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge;
hij zegt immers: “De oude wijn is goed!”’
De opdracht en de zending van Jezus is een blijde boodschap. Ze steekt mensen in een nieuw kleed, dat inderdaad niet meer bij het oude past zoals destijds de schriftgeleerden het leerden aan de toenmalige Joden. Jezus' boodschap is een boodschap van jong bloed door het mensenhart, sprankelend en vurig als nieuwe wijn en totaal anders van smaak dan de oude. In goede en kwade dagen, voor eeuwig en voor goed, gaat God in Jezus een verbintenis met ons aan. Jezus is de bruidegom, het ja-woord van de Vader. Daarom vastten de leerlingen van Jezus toen niet. Jezus was met hen en ze gingen met Hem mee, zonder goed te beseffen wat er aan het gebeuren was.
Jezus liet de leerlingen immers van
de ene verwondering in de andere vallen. Ze zaten als op de eerste rij telkens
wanneer Jezus zieken genas, stormen bedaarde of broden vermenigvuldigde.
Maar evengoed moeten ze ervaren hebben dat het antwoord van Jezus aan de
schriftgeleerden een goed en een waar antwoord was, tot op de laatste letter en
het bittere einde.
Want hun vasten begon, zodra ze merkten dat Jezus zo volledig mens met ons wou
worden tot de rauwe en pijnlijke consequenties toe van verraad, lijden en dood.
Hun vasten begon, zodra ze begrepen dat hun weg met Jezus niet louter triomftocht maar ook kruisweg werd, zodra ze inzagen dat echte vrienden van de bruidegom moesten inleveren, moesten afsterven aan hun oppervlakkig ik, zodra ze met hun leven gelovig zouden moeten getuigen dat op het grote bruiloftsmaal van God met de mensen de eersten laatst zullen zijn en de kleinsten grootst.