EEN LIED VAN OVERWINNING
EEN LIED VAN OVERWINNING
Niemand weet waarom keizer Nero de eerste christenen in Rome zo haatte. Hij had alle macht over het leven en de dood van zijn onderdanen en ze waren doodsbang voor hem. Maar de christenen kenden die angst niet, want zij waren hun angst voor de dood kwijtgeraakt. Zij wisten dat de dood hen niet zou kunnen scheiden van de liefde van God en voor hen betekende doodgaan dat ze naar Jezus zouden gaan en dat was fijn. Velen van hen zongen wanneer ze ter dood gebracht werden. Zij wisten dat Nero hun lichamen dood kon maken, maar dat hij hun geest niet kon verbreken, en misschien was dat wel de reden waarom hij hen haatte.
De hele zomer had Nero zichzelf en de bevolking van Rome vermaakt in het Colosseum, het grootste openluchttheater dat ooit gebouwd was, door te kijken naar christenen die voor de wilde beesten werden gegooid. Maar toen de koude Romeinse winter begon, werd het Colosseum gesloten. Wat moest er nu gebeuren, zo vroeg Nero zich af, met de groep van veertig christenen die ontdekt en gearresteerd waren en die zich nu konden voorbereiden op het pleziertje van de keizer? 'Laat ze doodvriezen!' snauwde Nero, terwijl hij uitkeek over het winterlandschap. Hij liet de kapitein van zijn huisbewakers komen om de veertig gevangenen naar een klein bevroren meer te brengen. Daar zouden ze zich moeten uitkleden en het ijs op worden gestuurd om te sterven of om hun beslissing om Jezus te volgen te herroepen. De kapitein en zijn mannen moesten op de oever een groot vuur aanleggen en daar blijven tot de laatste veroordeelde verrader dood was of was teruggelopen naar het vuur om zijn geloof te ontkennen.
Zo luidden de bevelen van Nero, dus de veertig mannen stonden midden op het bevroren meer in de maanverlichte nacht. Zo nu en dan klonk er boven het knetteren van het vuur en het sissen van het geroosterde vlees, een roep op naar de twinkelende sterren: 'Veertig strijders, strijdend voor U, o Jezus, voor U behalen wij de overwinning, voor U eisen wij de kroon op.'
De kapitein luisterde stil en bedroefd, want ook hij kende de weg van Jezus. Hij geloofde dat deze weg naar het eeuwige leven leidde, maar hij had nog nooit de moed gehad om dat te belijden. Hij had al zo veel christenen zien lijden. Hoe kon hij dragen wat zij moesten verdragen? Plotseling werd iedereen stil en alle gezichten keerden zich naar het meer. Een wankelende figuur liep terug naar de oever, zijn hoofd in schaamte gebogen. De heftige pijn van de kou en het zien van het vuur kon hij niet langer verdragen. De soldaten barstten uit in spottend gelach, sleepten hem op de kant, trokken hem kleren aan, gaven hem iets te eten en minachtten hem van binnen.
Op het ijs was het lied van de overwinning verstomd. De groep stond in diepbedroefde stilte en het zingen was opgehouden.
Maar toen werd de grappenmakende groep bij het vuur opnieuw verrast en het lachen hield op. Hun kapitein was gaan staan, had zijn warme kleren uitgegooid en liep nu het ijs op, bleek en vastberaden. De groep verwelkomde hem met blijdschap en opnieuw steeg het lied op naar de hemel, wel met zwakker wordende stemmen.
'Veertig strijders strijdend voor U, o Jezus, voor U behalen wij de overwinning, voor U eisen wij de kroon op.'










