EEN FLUISTERING
EEN FLUISTERING
In mijn begintijd als zendeling werkte ik in India onder de mensen van Hariyan.
Deze mensen waren zeer arm en leefden eigenlijk zonder hoop. Geen enkele persoon van een hogere kaste zou ooit dicht bij hen komen, en zelfs hun schaduw mocht niemand aanraken.
Maar ik verlangde ernaar deze mensen in aanraking te brengen met de Heer Jezus.
Ik woonde in het dorpje Kampli en de meeste leden van mijn kleine gemeente waren van Hariyan afkomstig. Appaiya was de dorpspriester, een boer en een ontwikkeld man. Hij demonstreerde zijn toewijding aan de goden van het hindoeïsme door het lezen van godsdienstige boeken. Omdat ik een christen was, kwam ik nooit zijn huis binnen en had ik ook geen gelegenheid tot hem te spreken.
Maar op een morgen toen ik langs zijn huis kwam, hoorde ik gejammer en gehuil. Ik vernam dat zijn jongste zoon zojuist gestorven was: hij had zichzelf vergiftigd na een ruzie met zijn zuster. Er dromde een massa mensen samen bij de deur.
Het lukte me naar binnen te sluipen en ik fluisterde in het oor van de bedroefde vader: 'Moge de Heer Jezus u zijn vrede geven.' Rustig liep ik de deur weer uit met een gebed in het hart of God tegen deze hindoepriester wilde spreken. De volgende morgen kwam er een boodschapper aan mijn deur. 'Christenpriester, Appaiya vraagt of u bij hem wilt komen,' zei hij. Ik ging meteen naar zijn huis. De priester zat op de gewone manier, met gekruiste benen, op de grond. Maar zijn gezicht stond rustiger. Ik ging ook met gekruiste benen op de grond zitten. 'Gisteren fluisterde u mij uw "mantra" in mijn oor,' zei Appaiya. 'Er kwam een vreemd gevoel van vrede in mijn hart. Wilt u uw "mantra" weer in mijn oor fluisteren?'
'Ik zal hem influisteren,' zei ik. Ik deed het en ging rustig weg. De volgende morgen liet Appaiya me weer roepen. Dit keer nam ik enkele christen-broeders mee.
'Mogen we bidden en u wat uit de Bijbel voorlezen?' vroeg ik de oude priester. Hij knikte en we knielden neer om te bidden.
Toen vertelde ik hem de prachtige geschiedenis van de Heer Jezus. Hoe Hij, die God was, als mens naar deze aarde kwam, hoe Hij stierf om ons van onze zonden te bevrijden, hoe Hij weer opstond en ons eeuwig leven gegeven heeft. Appaiya luisterde aandachtig. Hij knikte met zijn hoofd en zijn ogen lichtten op. Vijf dagen achter elkaar ging ik met mijn broeders naar zijn huis, waar we zongen en baden en ik hem meer over de Heer Jezus vertelde.
Op zaterdag legde ik Appaiya uit dat we de volgende dag niet konden komen. 'Morgen is het zondag,' zei ik, 'en dan kan ik niet naar uw huis komen. We hebben een dienst in ons kleine kerkje.' De priester stemde ermee in en we vertrokken.
De volgende morgen waren de rugloze houten banken in ons eenvoudige kerkje gevuld met Hariyans.











