De HEER heb ik lief, Hij hoort mijn stem, mijn smeken.
In de Psalmen vinden we de ervaringen van mensen die op God (proberen te) vertrouwen. Velen hebben ervaren wat de psalmdichter schrijft: diepe nood, wanhopig roepen en dan een wonderlijke uitredding. Natuurlijk is er dan dankbaarheid, is er een liefdesverklaring. Deze psalm is een getuigenis van wat de Heer heeft gedaan, een verwondering over hoeveel pijn Hij blijkbaar heeft als zijn gunstgenoten in moeilijkheden komen. Maar de schrijver gewaagt ook van een voornemen: hij wil er wat mee doen dat zijn leven gespaard is. Het oog van de Heer is immers op hem! Daarom wil hij Hem loven en Hem voortaan dienen.
1 De HEER heb ik lief, hij hoort
mijn stem, mijn smeken,
2 hij luistert naar mij,
ik roep hem aan, mijn leven lang.
3 Banden van de dood omknelden mij,
angsten van het dodenrijk grepen mij aan,
ik voelde angst en pijn.
4 Toen riep ik de naam van de HEER:
‘HEER, red toch mijn leven!’
5 De HEER is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
6 de HEER beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.
7 Kom weer tot rust, mijn ziel,
de HEER is je te hulp gekomen.
8 Ja, u hebt mijn leven ontrukt aan de dood,
mijn ogen gedroogd van tranen,
mijn voeten voor struikelen behoed.
9 Ik mag wandelen in het land van de levenden
onder het oog van de HEER.
10 Ik bleef vertrouwen, ook al zei ik:
‘Ik ben diep ongelukkig.’
11 Al te snel dacht ik:
Geen mens die zijn woord houdt.
12 Hoe kan ik de HEER vergoeden
wat hij voor mij heeft gedaan?
13 Ik zal de beker van bevrijding heffen,
de naam aanroepen van de HEER
14 en mijn geloften aan de HEER inlossen
in het bijzijn van heel zijn volk.
15 Met pijn ziet de HEER
de dood van zijn getrouwen.
16 Ach, HEER, ik ben uw dienaar,
uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares:
u hebt mijn boeien verbroken.
17 U wil ik een dankoffer brengen.
Ik zal de naam aanroepen van de HEER
18 en mijn geloften aan de HEER inlossen
in het bijzijn van heel zijn volk,
19 in de voorhoven van het huis van de HEER,
binnen uw muren, Jeruzalem.
Halleluja!
Ps.116
Dit is de vierde psalm van het groot Hallel: de lofzang die bij het Pascha gezongen werd. Ook de Heer Jezus hief in de laatste nacht met zijn discipelen deze lofzang aan. Als geen ander wist Hij dat God luistert naar de stem van ieder die roept. In de hemel had Hij zelf geluisterd en gebeden verhoord als van deze psalmdichter. Als mens op aarde ervoer Hij het van de andere kant - tot het moment dat God niet kon antwoorden vanwege onze zonden die op Hem gelegd waren. Op weg naar dat moment heeft Hij de beker van de bevrijding opgeheven - terwijl Hijzelf de drinkbeker van God helemaal leeg zou moeten drinken. Hij heeft beseft dat zijn dood als mens aan het kruis heel veel betekende voor God: de NBV gebruikt het woord 'pijn', andere vertalingen spreken van 'kostbaar'. Niets ging er dieper dan dat sterven van de Heer. Maar Hij is niet in de dood gebleven, ook Hij is daaruit verlost - al moest Hij wel door de diepste diepten heen. Daarom kon Hij deze psalm meezingen die avond voor zijn lijden: Hij zou erdoorheen komen en zou daarmee tegelijk de vervulling van deze psalm voor ons mogelijk maken.