Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?
Deze psalm is een psalm van David. Hij heeft de psalm gemaakt in een tijd van zware beproevingen en nood. Waarschijnlijk toen hij moest vluchten voor koning Saul. Ongetwijfeld heeft hij deze psalm opgeschreven onder de leiding van de heilige Geest. Veel dingen die hier genoemd worden, zijn niet rechtstreeks van toepassing op David zelf. Het blijkt duidelijk dat we in deze psalm een profetische beschrijving vinden van het lijden van de Heer Jezus aan het kruis. Verschillende teksten uit deze psalm worden in het Nieuwe Testament aangehaald. Ze werden vervuld tijdens het lijden van de Heer Jezus aan het kruis. De woorden waarmee de psalm begint: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?' zijn door de Heer Jezus uitgesproken toen Hij in de drie uren van duisternis door God verlaten was. In de psalm wordt deze vraag van de Heer Jezus niet beantwoord, maar tijdens zijn kruislijden gaf God Hem ook geen antwoord. Waarom moest de Heer Jezus, de man die het lijden kende, zo lijden op het kruis? Zijn lichamelijk lijden moet al enorm zijn geweest. De woorden uit de psalm laten daar iets van zien: 'Als water ben Ik uitgegoten' en 'mijn gebeente valt uiteen' en 'mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf'. Maar dat Hij door God verlaten werd, in de drie uren van duisternis, was nog erger voor Hem. Aan het kruis is de Heer Jezus voor ons één gemaakt met de zonde en heeft Hij onze zonden in zijn lichaam gedragen. Hij kreeg de straf die wij verdiend hadden. God kan de zonde niet verdragen. Daarom moest God Hem op het kruis alleen laten. Hij is nu niet meer alleen. Vandaag wil Hij bij zijn broeders en zusters zijn om samen met hen God te eren: 'Ik zal U loven in de kring van mijn volk.
1 Voor de koorleider. Op de wijs van De hinde van de dageraad. Een psalm van David.
2 Mijn God, mijn God,
waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.
3 ‘Mijn God!’ roep ik
overdag, en u antwoordt niet,
’s nachts, en ik vind geen rust.
4 U bent de Heilige,
die op Israëls lofzangen troont.
5 Op u hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd en u verloste hen,
6 tot u geroepen en zij ontkwamen,
op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.
7 Maar ik ben een worm en geen mens,
door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
8 Allen die mij zien, bespotten mij,
ze schudden meewarig het hoofd:
9 ‘Wend je tot de HEER! Laat hij je verlossen,
laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’
10 U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald,
mij aan haar borsten toevertrouwd,
11 bij mijn geboorte vingen uw handen mij op,
van de moederschoot af bent u mijn God.
12 Blijf dan niet ver van mij,
want de nood is nabij
en er is niemand die helpt.
13 Een troep stieren staat om mij heen,
buffels van Basan omsingelen mij,
14 roofzuchtige, brullende leeuwen
sperren hun muil naar mij open.
15 Als water ben ik uitgegoten,
mijn gebeente valt uiteen,
mijn hart is als was,
het smelt in mijn lijf.
16 Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.
17 Honden staan om mij heen,
een woeste bende sluit mij in,
zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
18 Ik kan al mijn beenderen tellen.
Zij kijken vol leedvermaak toe,
19 verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.
20 HEER, houd u niet ver van mij,
mijn sterkte, snel mij te hulp.
21 Bevrijd mijn ziel van het zwaard,
mijn leven uit de greep van die honden.
22 Red mij uit de muil van de leeuw,
bescherm mij tegen de horens van de wilde stier.
U geeft mij antwoord.
Ps.22:1-22