Hij zag het en geloofde.
EERSTE PAASDAG
Vele namen van theologen en dominees - te veel om op te noemen - zouden vermeld kunnen worden, die absoluut niet geloven dat Christus' graf leeg was, en die tot hun laatste snik zullen blijven ontkennen wat Johannes ons hier vertelt. Hij schrijft hier met eigen hand over zichzelf dat hij het zag én geloofde. Wát zag hij? Dat de doeken waarin het lichaam van de Meester gewikkeld was geweest in het graf lagen, maar dat de Heer er niet meer was. Het graf was helemaal leeg! En apart van die doeken lag de doek die om Jezus' hoofd gebonden was geweest. Nu kennelijk in alle rust opgerold en netjes neergelegd door de opgestane Heer.
Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2 Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3 Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4 Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5 Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6 Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7 en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8 Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9 Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10 De leerlingen gingen terug naar huis.
11 Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13 ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14 Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15 ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16 Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17 ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18 Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.
Joh.20:1-18
Petrus en Johannes dachten eerst allebei dat, zoals Maria hun vertelde, de Heer uit het graf was weggenomen. We kunnen ons hun verbazing voorstellen dat de doeken er wel lagen. Wat moesten zij daarvan denken? Want, zo lazen wij: ze hadden uit de Schrift nog (steeds) niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan. Johannes geloofde vanaf dat moment dat de Heer was opgestaan! Maria bleef huilend bij het graf achter. Ze ruilde haar rouwkleed al gauw in voor een vreugdedans, want vooroverbuigend in het graf zag ze daar twee engelen zitten in witte kleren die haar vroegen waarom ze huilde. Toen ze de reden van haar verdriet had verteld en omkeek, meende zij de tuinman te zien, niet wetende dat hij de opgestane Heer was. Eerst toen Hij haar naam uitsprak: 'Maria', herkende zij Hem, draaide zich om en zei 'Rabboenie' (Grote Meester).
Jammer dat Petrus en Johannes zo'n haast hadden om thuis te komen. Doe als Maria, buig je voorover, luister naar Gods boodschappers, keer je om naar Christus, de Opgestane, die ook jou bij je naam roept.