mijn kruis
Mijn kruis is daar waar de wil van God en mijn eigen wil elkaar ontmoeten.
WAT JE AAN JEZUS GEEFT,BEN JE NIET KWIJT
mijn kruisMijn kruis is daar waar de wil van God en mijn eigen wil elkaar ontmoeten.
MIEKE MANTEL
Mieke MANTEL
Wie is die koning vol majesteit?Wie is die koning vol majesteit?
De psalm begint met de Heer te introduceren als degene die recht heeft op de aarde en alle levende wezens daarop. Dat recht heeft Hij als de schepper van deze wereld. In Hem is haar bestaan verankerd.
Die grote God heeft destijds één berg speciaal uitgekozen om daar zijn heiligdom te laten bouwen: de berg Sion in de stad Jeruzalem. Die plek, waar de Heer woont, kun je niet zomaar betreden, niet iedereen kan zijn tempel binnengaan. Wie dan wel? Het antwoord heeft te maken met wat we doen met onze handen, wat we bedenken met ons hart en wat er uit onze mond komt. Reine handen en een zuiver hart zijn nodig. Voor zo iemand zijn er rijke beloften. God zal hem zegenen en hem recht verschaffen. Maar ja, voor wie geldt dat dan, van wie kan dat gezegd worden? Antwoord 1: van niemand. Er is niemand met reine handen, waar nooit iets onzuivers mee gedaan is, en een zuiver hart, dat nooit een verkeerde gedachte gehad heeft. Antwoord 2: ja, er is één persoon die daaraan voldoet: Jezus Christus. Van Hem wordt getuigd dat Hij geen enkele zonde beging en dat er over zijn lippen geen leugen kwam. Antwoord 3: ieder die bij Jezus zijn heil zoekt. Of, zoals de psalm zegt, wie Hem zoekt en zich tot Hem wendt. Dan is het alsof we ons van de tempel omdraaien naar de poorten van de stad: daar staat iemand voor de deur die wil binnenkomen. De koning die daar staat is de Heer zelf. En als Hij dichterbij komt, ontwaren we de trekken van Hem die een heldhaftige strijd heeft geleverd, op een kruis. De mens Jezus is de Heer zelf. Hij is de koning vol majesteit. En in zijn gevolg mogen wij dan meetrekken de tempel in, tot vlak bij God, in zijn nabijheid.
CHRISTENEN AAN DE ZWARTE ZEE .CHRISTENEN AAN DE ZWARTE ZEE .
Toen Paulus en Silas eens vanuit Mysië naar het aan de Zwarte Zee gelegen Bithynië probeerden te gaan, liet de Geest van Jezus het hun niet toe (Hand. 16:7). Spoedig bleek dat het de bedoeling was dat ze naar Europa overstaken, en wel naar Macedonië. Een intrigerende vraag blijft waarom de beide predikers niet naar Bithynië mochten gaan. Op die vraag zullen we het antwoord vergeefs in de Bijbel zoeken. Toch zien we in 1 Petr. 1:1 dat zich daar later wel degelijk christenen bevonden. Kennelijk heeft de Here anderen ingeschakeld om in Bithynië het evangelie te prediken. Ook in de aangrenzende streek Pontus blijken zich christenen te bevinden. Misschien is daar gepredikt door Joden die het Pinksterwonder in Jeruzalem hebben meegemaakt en tot bekering gekomen zijn, want in Hand. 2:9 zien we dat daar ook mensen uit Pontus aanwezig waren. Deze streek wordt ook genoemd als de geboorteplaats van de Jood Aquila, een tentenmaker die samen met zijn vrouw Priscilla met de apostel Paulus heeft samengewerkt. Maar wat is er verder bekend over de christenen aan de Zwarte Zee? Bithynië en Pontus waren door de Romeinen samengevoegd tot één grote provincie. In de jaren 111-113 werd deze provincie bestuurd door de stadhouder Plinius. Deze Plinius heeft over allerlei aangelegenheden gecorrespondeerd met zijn baas in Rome, keizer Trajanus. Van deze correspondentie interesseert ons vooral de brief die Plinius aan Trajanus schreef over de door hem in Bithynië en Pontus aangetroffen christenen. Deze brief is het oudste heidense document over de verspreiding van het christendom dat we bezitten. Plinius raadpleegt zijn baas omdat hij niet goed weet wat hij met de christenen in zijn provincie moet. Ook het antwoord van Trajanus is bewaard gebleven.
Uit Plinius' beschrijving blijkt dat het aantal christenen zo groot is, dat hij bang is voor consequenties vanuit Rome als hij een beoordelingsfout zou maken. Moet hij het loutere feit dat iemand een christen is, strafbaar stellen? Moet hij onderscheid maken naar geslacht en leeftijd? Moeten christenen de gelegenheid krijgen hun geloof af te zweren?
Stadhouder Plinius schrijft zijn baas Trajanus dat hij, ondanks de vragen die hij heeft, christenen heeft laten terechtstellen. Hij heeft ze persoonlijk gevraagd of ze christenen waren. Wanneer ze dat erkenden, heeft hij zijn vraag een tweede en een derde keer herhaald, onder dreiging met de doodstraf. We kunnen bewondering opbrengen voor de moed van deze christenen, die met de dood voor ogen trouw bleven aan de Here. Plinius meldt ook dat hem onlangs anoniem een lijst met namen is bezorgd van mensen die christenen zouden zijn. Opmerkelijk is de manier waarop Plinius degenen die ontkenden dat zij christen waren, aan een onderzoek onderwierp. Het was hem namelijk bekend dat sommigen die hun christen-zijn bij een verhoor ontkenden, wel degelijk christen waren. Hij liet ze de Romeinse goden aanroepen, hij liet ze aan de goden en aan de keizer offeren, en hij liet ze Christus vervloeken. Dit laatste was iets waarvan hij gehoord had dat echte christenen daartoe niet kunnen worden gedwongen. Staan ook wij, christenen van 20 eeuwen later, zo bij onze medemensen bekend? Op zichzelf is het triest dat Plinius juist door mensen die zeiden dat ze nooit echte christenen waren geweest - die daardoor zonder mankeren door zijn test heen gekomen waren - het best geïnformeerd is over het christelijk Aan het eind van zijn brief motiveert Plinius nogmaals waarom hij zich tot de keizer wendt. Wat voor hem zorgwekkend was, is in onze ogen juist heel positief: ondanks de vervolging groeide het aantal christenen explosief, niet alleen in de steden en de dorpen, maar ook op het platteland - dat laatste is inderdaad opmerkelijk, want het platteland bleef doorgaans het langst heidens. Toch ziet Plinius een lichtpuntje: zijn aanpak lijkt succesvol, want er wordt weer meer offervlees verkocht en de tempels worden weer bezocht. Inderdaad, waar God een geopende deur geeft, zijn veel tegenstanders. Trajanus' korte antwoord gaat inhoudelijk niet op het christendom in. Behalve een complimentje krijgt Plinius slechts te horen dat hij geen actief opsporingsbeleid moet voeren, en niet moet ingaan op anoniem voorgelegde beschuldigingen. Dat, schreef Trajanus, zou een zeer slecht voorbeeld zijn, en is niet iets van onze tijd. Inderdaad! Maar het beste voorbeeld werd niet door Plinius, maar door de vervolgde christenen gegeven. We mogen, terwijl we het einde van hun wandel beschouwen, hun geloof navolgen.gemeenteleven in Bithynië en Pontus. Zij verklaarden dat de christenen daar de gewoonte hadden 'op een vaste dag vóór zonsopgang samen te komen en beurtelings ter ere van Christus als voor een god een lied te zingen.' Ook meldden zij dat de christenen later weer samenkwamen voor een gemeenschappelijke en eenvoudige maaltijd, en dat ze gewend waren niet te stelen of te roven, geen echtbreuk of woordbreuk pleegden, en in bewaring gegeven goederen op verzoek prompt teruggaven - allemaal zaken waarin de christenen zich van de niet-christenen onderscheidden. Plinius meldt ook dat hij conform een keizerlijke richtlijn een verbod op vereniging en vergadering had uitgebracht, en dat de christenen zich daaraan hadden gehouden. Helaas was Plinius' mening over het christelijk geloof negatief: hij vond het een verderfelijk bijgeloof, een besmettelijke ziekte.
HET LAATSTE BIERTJEHET LAATSTE BIERTJE
Volgepropt met medicijnen, tussen slangen en katheters, aangesloten aan in totaal dertien leidingen, ligt Josef Brüschweiler in het ziekenhuis. Hij heeft een acute ontsteking van de alvleesklier, van de longen en het longvlies, en een maagbloeding. Zijn familie is gekomen om afscheid van hem te nemen - voorgoed. De artsen hebben de dertigjarige man opgegeven, nadat ze al driekwart van zijn maag hebben weggesneden en de milt hebben moeten verwijderen. 'God, als U echt bestaat, help me dan,' bidt hij op zijn sterfbed. En drie weken later, in november 1978, wordt Brüschweiler uit het ziekenhuis ontslagen.
Maar hij heeft niets geleerd. De heerschappij van de sterke drank is sterker dan de werking van het wonder waardoor hij er nog een keer goed van af is gekomen. De alcoholist drinkt weer en zegt tegen zichzelf: 'Liever kort en hevig een leven van plezier.' Elke paar maanden is hij daarom op de spoedhulp te vinden. Desondanks gaat hij wat zijn werk betreft vooruit: in 1980 opent de banketbakker samen met zijn vrouw Marlise een groothandel in Dietekon bij Zurich. Maar door zijn drankmisbruik raakt het huwelijk in een crisis. Zijn vrouw scheidt van hem en zijn beide dochters gaan met haar mee. Josef zoekt een psychiater, is al gauw verslaafd aan de psychofarmaca die hem worden voorgeschreven. Na veel bidden en smeken komt zijn gezin toch weer bij hem terug.
Op 19 juni 1985 is het weer eens zover: Marlise belt de huisarts. Ze is zelf al 37 kilo afgevallen en leidt het bedrijf alleen. Maar niet zij gaat naar het ziekenhuis, maar haar man - voor de zoveelste keer. Nauwelijks is hij daar aangekomen, of hij zit alweer in het nabijgelegen restaurant in plaats van in de wachtkamer. Maar dan - met het bier al binnen handbereik - hoort de verslaafde opeens een stem: 'Dit is de laatste alcohol die je drinkt!'Bij de tweede keer gaat Brüschweiler naar een ander café. Maar ook daar kan hij die woorden niet ontlopen. Langzaam dringt het tot hem door: 'God, als dat uw stem is, help me dan,' zegt hij. Op de vraag van een echtpaar of hij met zichzelf zit te praten, antwoordt hij verrassend: 'Nee, Jezus Christus heeft met me gesproken en me zojuist van de alcohol bevrijd.' Daar wordt hartelijk om gelachen, want de bekende stamgast wordt door niemand meer serieus genomen. Maar de volgende morgen heeft de doodzieke man geen medicijnen meer nodig, zelfs in de bloedspiegel zijn geen alcoholsporen meer te vinden. De artsen zijn sprakeloos. Na zes alvleesklierontstekingen, vier zware operaties, vijftien maagonderzoeken en meerdere maagbloedingen is de Zwitser eindelijk zover om christen te worden. Tijdens een korte therapie krijgt hij zeven weken rust en die tijd gebruikt hij om de Bijbel te lezen.
Kort daarop maakt hij onder Gods bescherming een nieuw begin met Marlise. Zijn huwelijk wordt helemaal nieuw. Zelfs het roken kan de ex-verslaafde zonder ontwenningsverschijnselen laten, terwijl hij daarvoor meer dan veertig sigaretten per dag nodig had. Tegenwoordig werkt de achtenvijftigjarige fulltime voor het actiecomité voor vervolgde christenen. Hij is bezig met het werven van fondsen, leidt projecten in de Balkanlanden en China. Hij houdt seminars, leidt Bijbelweken en doet nog veel meer. Vroeger reed hij zelf nog dagelijks met de vrachtwagen, verdeelde hulpgoederen en evangeliseerde 's avonds. Op zijn talrijke reizen ervoer hij Gods bewaring in netelige situaties. Zijn grootste drijfveer is het om duidelijk te maken dat juist christenen zich het lot van verslaafden moeten aantrekken. 'Als wij het niet doen, dan doet de duivel het.' Maar er is moed voor nodig om eens iemand uit te nodigen die misschien op je tapijt in de huiskamer gaat overgeven.
(Uit: Idea)
VERKIEZINGEN.
|
| |||
|
Zondag 7 juni is het zover: VERKIEZINGEN. | |||
| |||
|
België telt ruim 200.000 evangelische gelovigen.
Dit is een REUS en een REUSACHTIG potentieel.
Waar je een vacuüm laat zal iets anders het invullen ...
Neem deze boodschap niet op als een veroordeling, nee het is Dat verleden is niet dood, Ik geloof niet dat wij Belgen en christenen
Het eerste wat je nodig hebt is de hartsbeslissing om iets te doen.
Het kan en het is er ! Er zijn nu al verschillende christelijke politieke initiatieven waar je makkelijk achter kan staan en waar je direct – en zelfs zonder veel moeite – iets mee en kan voor doen. Wie doet er wat? Er is een christelijke beweging in ons land die C'axent heet. Kris Vleugels is daarvan het boegbeeld en bij veel mensen al bekend. C'xent heeft een vragenlijst ontwikkeld die ze hebben voorgelegd aan alle kandidaten. | |||
|
http://www.caxent.be/opinie/vl
DE RESULTATEN en het STEMADVIES VAN C'AXENT: | |||
|
| |||
|
| |||
|
|
HIJ PAKTE MIJN HANDHIJ PAKTE MIJN HAND
Hij kwam mij tegemoet
in een blinkend gewaad
het licht van zijn koninkrijk
bescheen zijn gelaat,
Hij pakte mijn hand
en praatte met mij;
de sfeer van de hemel
omgaf ons allebei.
Ik vroeg: Jeshoea*,
waar gaan wij naar toe,
de weg is zo lang,
ik ben zo moe.
Toen hief Hij mij op,
hoog boven mijn zorgen
en ik ging rustig voort,
in Hem geborgen.
(*Jezus)
Hannah Maltha
WAAROM AL HET LIJDEN?WAAROM AL HET LIJDEN?
Zelfs Luther worstelde met de vraag hoe hij Christus kon zien als zijn beste vriend. Hij schreef eens: 'Ik verwacht meer van mijn vrouw, van Philip Melanchthon en van andere vrienden dan van mijn lieve en gezegende Redder Jezus Christus; en toch weet ik zeker dat geen persoon op deze aarde voor mij kan of zal lijden zoals Hij heeft geleden; waarom zou ik dan bang voor Hem zijn! Deze dwaze zwakheid van mij betreur ik enorm.'
In zijn onmiskenbare stijl vervolgde Luther: 'We moeten ons schamen voor onze ongelovige harten, dat we bang zouden moeten zijn voor deze Man die liefdevoller, vriendelijker en zachtmoediger is en meer begaan met ons dan onze geestverwante broeders en zusters; ja, dan ouders zijn met hun kinderen.'
Dan voegt hij een gedachte toe die voor moderne oren onjuist klinkt: 'Zijn genade en goedheid voor ons is zo immens groot, dat ze zonder grote moeilijkheden en beproevingen niet kan worden begrepen.'
Van nature denken we niet zo. Het is logisch te veronderstellen dat we makkelijker Gods immense goedheid zouden waarderen als we die konden afmeten aan minder beproevingen en meer zegeningen. Goede vrienden maken ons leven makkelijker, niet moeilijker. Zo denken we.
Maar God houdt vol dat Hij door ons lijden iets goeds in ons bewerkt, iets beters dan ons te verlossen van ons lijden. Hij houdt nooit op ons goed te doen (Jeremia 32:40). Het probleem is ons begrip van goedheid - gebaseerd op zegen en gericht op geluk. Dat is te bekrompen. En met ons bekrompen idee van goedheid dromen we mindere dromen, en mindere dromen leiden tot mindere gebeden.
We zullen Christus pas zien als onze beste Vriend, als de Bron van alle werkelijke goedheid, als de Ene die zorgt voor de hoogste vreugde voor onze zielen, als we onszelf aan Hem overgeven. En tot volledige overgave, echt vertrouwen, komt het zelden als we niet God ontmoeten tijdens gebroken dromen, en in onze gebrokenheid Hem als het enige en overvloedige juiste antwoord zien op de diepste schreeuw van onze ziel.
Uit: Gebroken dromen, door Larry Crabb
De Geest van de waarheid zal Mij eren.De Geest van de waarheid zal Mij eren.
EERSTE PINKSTERDAG
We kennen de mijlpalen in Gods heilsplan wel: de geboorte, kruisiging, opstanding en hemelvaart van onze Heer Jezus Christus. Maar ook de uitstorting van de heilige Geest met Pinksteren in Jeruzalem hoort bij de hoogtepunten in Gods heilsgeschiedenis. Wanneer de heilige Geest niet was gekomen, zou het evangelie niet over de hele wereld verspreid zijn. Voor ons zou er geen nieuw leven uit God zijn. We zouden geen kinderen van God kunnen zijn en niet kunnen ervaren dat de heilige Geest ons leidt. Ook de Gemeente van God zou niet zijn geboren. Bovendien maakt de heilige Geest de Zoon van God groot. 'Door jullie bekend te maken wat Hij van Mij heeft, zal Hij Mij eren.'
goud

FLANDERS GOSPEL CHOIR BIJBELDAG ANTWERPEN 2009
BIJBELDAG ANTWERPEN 2009
FLANDERS GOSPEL CHOIR MEIGEM
FLANDERS GOSPEL CHOIR MEIGEM
FLANDERS GOSPEL CHOIR

SatanSatan heeft twee glazen om de mensen hun zonden te laten zien.
Allereerst een verkleinglas, dat hij voor de ogen houdt van geruste zondaars, waarin de zonden klein blijken te zijn.
Ten tweede een vergrootglas, dat hij voor de ogen houdt van een overtuigde zondaar.
GELOOFGELOOF
Geloof is niet een aarz'lend tasten,
geen worstelen om zekerheid,
geen lijdelijk passief verlangen,
geen zoeken naar een hand die leidt.
't Geloof is niet een hopend wachten,
geen weifelend uitzien naar wat komt,
geen eind'loos bidden en versmachten,
geen last waaronder men zich kromt.
't Is geen krampachtig zich onthouden
van alle blijheid, elke vreugd,
geen weg van wetten en geboden,
of streven naar volmaakte deugd.
't Geloof is dankend, blij aanvaarden
wat God in Christus aan ons gaf,
niet bij het kruishout blijven wenen,
maar juichen bij het lege graf.
Margreet van den Heuvel
'SCHIL 'M MAAR!''SCHIL 'M MAAR!'
Een moeder liep met haar vierjarig dochtertje over de markt. Toen het kind staarde naar een grote berg sinaasappels, pakte de aardige koopman er één af en gaf die aan haar.
'Wat zeg je nou?' vroeg de moeder aan haar dochter. Het kleine meisje keek naar de sinaasappel en gooide hem toen naar de koopman en riep: 'Schil 'm maar!'
Dankbaarheid is iets waarin we vaak tekortschieten. Wat we vergoelijken bij een kind van vier, zou ondankbaar zijn bij een ouder kind.
Ja, hoe gauw kunnen we zelfs lauw reageren op Gods zegeningen door te denken: Dit is wel aardig, maar ik zou eigenlijk graag wat meer willen hebben.
Een houding van dankbaarheid tegenover God is een kenmerk van geestelijke rijpheid. Paulus schrijft aan de gelovigen in Efeze: 'Dankt te allen tijde in de Naam van onze Here Jezus Christus God, de Vader, voor alles' (Ef. 5:20).
Laten we vandaag dankbaar zijn, in plaats van te klagen over wat we niet hebben en meer te willen hebben.
ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.
HEMELVAARTSDAG
De elf discipelen gingen naar Galilea, want daar zouden zij de Heer zien. Eenvoudig gehoorzaam doen wat Hij zegt, brengt ons bij Hem. Dan wil Hij ons zijn heerlijkheid laten zien. Dat leidt tot aanbidding. Bij twijfelaars komt Hij naderbij, opdat zij goed zullen zien dat de gekruisigde Meester echt de Levende is, aan Wie alle macht is gegeven. Later lezen wij van de apostelen dat zij met grote kracht getuigenis gaven van de opstanding van de Heer Jezus (Hand. 4:33). Als wij op Hem zien en alles van Hem verwachten, hebben wij moed en kracht. 'Welzalig hij, wiens verwachting is op de Here' (Ps. 146:5).
De opdracht van de Heer is immens groot: Hij wil dat alle volken tot zijn discipelen gemaakt zullen worden, dat zij gedoopt zullen worden en dat hun geleerd wordt om naar zijn Woord te leven. Het is duidelijk dat deze opdracht ook nu nog van kracht is. En elke christen heeft daarin een grotere of kleinere taak. Beseffen we dat en functioneren we zoals de Heer dat wil? Misschien hebben we wel eens gedacht: wat jammer dat de Heer Jezus niet meer op aarde is om ons te helpen. Het is opmerkelijk dat in dit Evangelie geen woord staat over de hemelvaart van onze Heer. Mattheüs stond erbij toen Jezus ten hemel voer, terwijl zijn handen zegenend over de zijnen waren uitgebreid. Wij mogen vandaag en alle dagen denken aan die prachtige belofte waarmee Mattheüs zijn Evangelie afsluit: 'En zie, Ik ben met u alle dagen.' Onze Heiland blijft bij ons. Lichamelijk is Hij in de hemel. Daar bidt Hij voor ons. Door de Heilige Geest is Hij in ons. Zijn liefde en zorg gaan onverminderd naar ons uit. Hij wil zo graag dat wij iedere dag tot Hem opzien en vol vertrouwen alles van Hem verwachten. Christus is niet ver weg, Hij is en blijft ons elke dag heel dicht nabij.
Hij zei tegen haar: 'Dat hebt u goed gezegd.'Hij zei tegen haar: 'Dat hebt u goed gezegd.'
Je zult maar een kind hebben dat ernstig ziek is. Dag in, dag uit zorgen en moeite. De vrouw hier heeft zo'n zorg, maar hoort niet bij Gods volk. Jezus maakt Hij haar op niet mis te verstane wijze duidelijk dat ze niet bij Gods volk hoort. Ze heeft geen enkel recht van spreken. Maar wat ze wel heeft, is lef: ze geeft eerlijk toe dat ze geen aanspraak kan maken op Jezus' hulp. Maar ze laat het er niet zomaar bij zitten. Ze weet dat ze alleen kan vertrouwen op zijn gunst en dat bij Hem alles mogelijk is. God luistert naar zulke mensen die beseffen dat ze nergens recht op hebben en tóch op zijn goedheid vertrouwen
24 Hij ging weg en vertrok naar de omgeving van Tyrus. Daar nam hij zijn intrek in een huis, en hoewel hij niet wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het hem niet onopgemerkt te blijven. 25 Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over hem gehoord had naar hem toe, en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had een dochter die door een onreine geest bezeten was. 26 Deze vrouw was van Syro-Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte hem om bij haar dochter de demon uit te drijven. 27 Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.’ 28 De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.’ 29 Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw dochter al verlaten.’ 30 En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn.
Mar.7:24-30
Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?
Deze psalm is een psalm van David. Hij heeft de psalm gemaakt in een tijd van zware beproevingen en nood. Waarschijnlijk toen hij moest vluchten voor koning Saul. Ongetwijfeld heeft hij deze psalm opgeschreven onder de leiding van de heilige Geest. Veel dingen die hier genoemd worden, zijn niet rechtstreeks van toepassing op David zelf. Het blijkt duidelijk dat we in deze psalm een profetische beschrijving vinden van het lijden van de Heer Jezus aan het kruis. Verschillende teksten uit deze psalm worden in het Nieuwe Testament aangehaald. Ze werden vervuld tijdens het lijden van de Heer Jezus aan het kruis. De woorden waarmee de psalm begint: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?' zijn door de Heer Jezus uitgesproken toen Hij in de drie uren van duisternis door God verlaten was. In de psalm wordt deze vraag van de Heer Jezus niet beantwoord, maar tijdens zijn kruislijden gaf God Hem ook geen antwoord. Waarom moest de Heer Jezus, de man die het lijden kende, zo lijden op het kruis? Zijn lichamelijk lijden moet al enorm zijn geweest. De woorden uit de psalm laten daar iets van zien: 'Als water ben Ik uitgegoten' en 'mijn gebeente valt uiteen' en 'mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf'. Maar dat Hij door God verlaten werd, in de drie uren van duisternis, was nog erger voor Hem. Aan het kruis is de Heer Jezus voor ons één gemaakt met de zonde en heeft Hij onze zonden in zijn lichaam gedragen. Hij kreeg de straf die wij verdiend hadden. God kan de zonde niet verdragen. Daarom moest God Hem op het kruis alleen laten. Hij is nu niet meer alleen. Vandaag wil Hij bij zijn broeders en zusters zijn om samen met hen God te eren: 'Ik zal U loven in de kring van mijn volk.
1 Voor de koorleider. Op de wijs van De hinde van de dageraad. Een psalm van David.
2 Mijn God, mijn God,
waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.
3 ‘Mijn God!’ roep ik
overdag, en u antwoordt niet,
’s nachts, en ik vind geen rust.
4 U bent de Heilige,
die op Israëls lofzangen troont.
5 Op u hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd en u verloste hen,
6 tot u geroepen en zij ontkwamen,
op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.
7 Maar ik ben een worm en geen mens,
door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
8 Allen die mij zien, bespotten mij,
ze schudden meewarig het hoofd:
9 ‘Wend je tot de HEER! Laat hij je verlossen,
laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’
10 U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald,
mij aan haar borsten toevertrouwd,
11 bij mijn geboorte vingen uw handen mij op,
van de moederschoot af bent u mijn God.
12 Blijf dan niet ver van mij,
want de nood is nabij
en er is niemand die helpt.
13 Een troep stieren staat om mij heen,
buffels van Basan omsingelen mij,
14 roofzuchtige, brullende leeuwen
sperren hun muil naar mij open.
15 Als water ben ik uitgegoten,
mijn gebeente valt uiteen,
mijn hart is als was,
het smelt in mijn lijf.
16 Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.
17 Honden staan om mij heen,
een woeste bende sluit mij in,
zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
18 Ik kan al mijn beenderen tellen.
Zij kijken vol leedvermaak toe,
19 verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.
20 HEER, houd u niet ver van mij,
mijn sterkte, snel mij te hulp.
21 Bevrijd mijn ziel van het zwaard,
mijn leven uit de greep van die honden.
22 Red mij uit de muil van de leeuw,
bescherm mij tegen de horens van de wilde stier.
U geeft mij antwoord.
Ps.22:1-22
WONDERLIJK .WONDERLIJK .
Verbaasd en stil blijf ik staan en kijk naar het piepkleine plantje tussen het grind. Ik buk me en ontdek tot mijn verrassing een minuscuul bloemknopje. Een compleet plantje van zo'n anderhalve centimeter breed. Maar het ís een plantje. Tussen het grind, de meest onmogelijke plek op mijn hele erf. Verwonderd glijd ik met mijn vinger langs de blaadjes. Wonderlijk... zo veel levenskracht, zo veel wil om te overleven, zo veel energie. Een maand of twee geleden was het plantje net zo klein. Ook toen al verbaasde ik me over de plek waar het stond. Een zaadje door de wind meegevoerd, terechtgekomen tussen de kiezels. Houvast voor de wortels was er nauwelijks te vinden. Ik dacht aan de gelijkenis van de zaaier: 'En een ander deel (van het zaad) viel op de rotsbodem en toen het opkwam, verdorde het, omdat het geen vochtigheid had.'
Dit zaadje was ook op een 'rotsbodem' terechtgekomen. En het kwam op. Maar... het verdorde níét. Het groeide en bloeide en was mooier dan alle andere viooltjes in mijn tuin. Heel kleine bloemetjes had het, heldergeel van kleur. Een akkerviooltje, als ik mijn wilde-bloemen-boekje goed begrepen heb.
Alles zat dit viooltje tegen. Water kreeg het niet, want het regende amper. Bovendien stond het midden in de bocht die we altijd namen met de fiets. Zelf besloot ik op staande voet die bocht ruimer te nemen, maar ik was niet de enige fietser. Toch bleef het overeind.
'Heb je dat mooie plantje gezien, mam?' riepen de kinderen stuk voor stuk, en zonder dat ik iets hoefde te zeggen, fietsten ook zij om het plantje heen. Het deed me goed te merken dat ik iets van het respect voor de natuur heb kunnen overbrengen aan de volgende generatie. Dagelijks genoot ik van dat kleine plantje.
Tot er iemand met de auto juist hier wilde keren. Vooruit-achteruit-vooruit-en-weer-achteruit. Ik zag het gebeuren, maar wat kon ik nog doen? Het viooltje werd vermorzeld, verdorde alsnog en dat was het dan. Dacht ik. Tot ik dus vandaag opeens dat piepkleine plantje zie.
Ondanks alle ellende is het weer opgekomen en vertoont zelfs al een knop. Verwonderd kijk ik ernaar - verwonderd en verbaasd. Het plantje spreekt de gelijkenis tegen. Maar tegelijkertijd bewijst het de kracht van de natuur. Zonder regen, zonder houvast voor de wortels, verpletterd door autobanden - het leeft! Het bewijst de kracht die in de schepping zit, de mogelijkheid om te overleven die in de natuur geschapen is. Voor mij bewijst het, dat God bestaat, ondanks alle narigheid in de wereld. Want wie anders dan Hij is tot zoiets groots in staat? En ik voel me gelukkig met dit fantastische wondertje zo vlak naast mijn huis.