Ik herinner mij dat wanneer ik
ongeveer een drie a vier jaar oud was, wij een grote brede witte kachel hadden.
Het zou natuurlijk kunnen dat hij in mijn herinnering en gezien met mijn
kinderogen groter lijkt dan hij werkelijk was, maar toch, hij nam behoorlijk
wat plaats in.
Op die kachel werd het eten gekookt, maar werd ook de was afgekookt en het
badwater op verwarmd. Er waren ook verschillende openingen op de kookplaat. Met
een ijzeren haak die steeds omwonden was met een dikke doek als remedie tegen
het verbranden van de handen, kon je die gaten openmaken. Dat ging in trapjes,
er was het deksel dat een klein ijzeren staafje had in het midden waar de haak
onderdoor kon worden geschoven om zo het deksel op te heffen. Maar daar rond
waren ook nog ijzeren ringen. Hoe meer ringen je eraf nam, hoe groter de
openingen werden. Er werd ook vaak in 'gekeutert' met die haak, en dan sloegen
de vlammen tot hoog boven de kachel uit.
In de kachel werden 'eierbollen' gestookt, een kolensoort in de vorm van een
ei.
Ik weet nog perfect hoe men zulke 'stoof' want zo noemde men dat toen, moest
aanmaken.
Eerst werd er krantenpapier in gedaan, dat moest losjes ineen gefrommeld
worden. Vervolgens gingen er dunne latjes hout bovenop, die werden ook gekocht
in een zak, net als de kolen.
Dan werd op verschillende plaatsen de krant aangestoken met een lucifer. Eerst
had je altijd veel rook, kwam doordat het hout niet droog genoeg was hoewel het
steevast naast de kachel stond, net als de 'kolenbus.' Je moest dan met een
stevig karton in de hand, gezeten voor de kacheldeur veel wind maken tot alles goed
in de vlam stond. Dan werden de kolen erop gegooid en op hoop van zegen bleef
hij branden, zoniet kon je alles uitladen en opnieuw beginnen.
De kachel had verschillende deuren, grote en kleine, en allemaal met een
nikkelen handgreep.
Eén grote deur werd gebruikt om de pantoffels in te warmen en daar stonden ook
de ijzeren strijkijzers in waarmee voor het slapen gaan de lakens werden warm
gestreken.
Er was ook een lade in de kachel, dat was de asla, en die moest regelmatig
worden leeggegooid, anders ging de kachel uit. Wanneer het gesneeuwd had, of
wanneer het glad was, dan werd die as op de straat gekieperd, anders ging hij
gewoon in vuilnisbak, of in de tuin als je die had.
In het midden van de kachel had je
een soortement spionnetje. Wanneer je dat opzij schoof, dan kon je de vlammen
zien, het luikje viel vanzelf terug op zijn plaats wanneer je het losliet.
Ik was uitermate gefascineerd door de vlammen die ik kon zien door dat luikje,
en ik opende het dan ook heel vaak. Natuurlijk kreeg ik een tik op mijn handen
daarvoor wanneer mijn pleegmoeder mij snapte want het was gloeiend heet en je
kon je lelijk branden.
Maar vindingrijk en handig als ik was gebruikte ik de ijzeren haak om dat
luikje open te houden, en zo zat ik dan naar mijn gevoel, uren naar die vlammen
te turen.
Op een dag kreeg ik het lumineus
idee om door dat luikje de dunne latjes hout door te steken.
En hoe meer hout ik door dat luikje stak, hoe hoger de vlammen laaiden. De kookplaat
zag rood van de hete gloed, en ik vond dat prachtig. Metershoge vlammen maakte
ik en ik genoot, tot mijn pleegmoeder mij betrapte.
Nu was het net dat tijdstip dat de kleuterjuf het verhaal verteld had van Hans
en Grietje, en dat boekje had ik thuis ook. Al honderden keren had men het me
voorgelezen, maar ik kreeg er niet genoeg van.
Mijn pleegmoeder, die natuurlijk het gevaar van mijn capriolen besefte, wilde
mij een pandoering geven, maar klein en vinnig als ik toen was liep ik rond en
onder de tafel door zodat ze mij niet te pakken kreeg.
Dat maakte haar natuurlijk enkel maar woedender, en toen ze me uiteindelijk
toch kon vatten, pakte ze me op en zei met een boze heksenstem dat ze mij door
dat luikje in de kachel zou steken, net zoals de heks dat met Hans en Grietje
had gedaan.
Geloof me vrij, ik ben nooit meer aan dat luikje geweest, de schrik zat er goed
in.
Wat later kochten ze een kookvuur
op gas, en kwam er een andere kachel.
Dit keer een kleinere en bruin van kleur. Hij had één grote deur aan de
voorkant met venstertjes van plastiek alwaar je de vlammetjes ook kon doorzien,
tenminste als ze niet zwart van de rook zagen.
Maar ik heb het nooit meer geavontuurd om die deur te openen.
Ik heb later nog ontelbare keren in mijn leven zo rond een tafel gelopen met
een razende en tierende pleegmoeder achter me aan. Soms kreeg ze me te pakken,
vaak ook niet.
Vaak liep ik naar buiten en als het avond was had ik dikke pech, want dan duurde
het uren voor ik weer naar binnen mocht, en in het donker lijkt alles veel
akeliger als je kind bent.
Maar zelfs wanneer ze me niet te
pakken kreeg bleef de schrik nog urenlang kleven.
Maar ik heb nooit meer zoveel schrik gehad geloof ik als toen mijn pleegmoeder
met mij Hans en Grietje wilde spelen.