HET SPROOKJE IS UIT.


Ik
keek uit naar de dag dat ik weer naar school toe mocht. Ondertussen ging ik elke dag naar de boekbinderij.
Lange tijd hoorde ik niets maar dat maakte mij niet ongerust over.
Eerder
was ik van mening dat het een goed teken was. Tenslotte liep het naar
de kerstvakantie toe en meende ik te moeten wachten tot na de kerstvakantie.
Om de veertien dagen kregen we 's vrijdags ons loon.
Wanneer we een gegronde reden hadden konden we in de loop van die week geld aanvragen om een aankoop te doen.
Dat
werd dan in beraad gehouden, want indien we ondertussen iets uithaalden
dat niet volgens de regels van het home was, werd het ons geweigerd
uiteraard.
Ik had gevraagd of ik een nieuw paar winter laarzen mocht kopen Ik moest dus wachten tot vrijdag voor het antwoord.
Maar
ik was er nogal gerust in dat ik het zou krijgen, want meisjes die
niets van thuis kregen mochten vlugger wat kopen dan de anderen.
Dus die vrijdagavond ging ik blij gezind naar het home in het vooruitzicht op een dagje heerlijk shoppen de dag nadien
Na het avondeten ging ik dus naar het kantoor van juffrouw B. om te horen of ik de toelating had.
Tot mijn verwondering kreeg ik te horen dat ik mijn koffers moest pakken want dat ik niet in het home zou blijven.
Waar ik wel naartoe ging werd mij niet gezegd.
Wel kreeg ik nogmaals te horen dat wanneer ik naar school ging, dit niet kon vanuit het home.
Het
home was enkel bedoeld om meisjes te herbergen die ofwel werkten voor
hun onderhoud, ofwel onderhouden werden door hun ouders.
Later
kwam ik te weten dat het mede daardoor was dat mijn pleegouders geen
contact namen met mij tijdens mijn verblijf in het home. Zij waren bang
dat men hen alsnog kon dwingen om voor mij te betalen.
Zaterdagmorgen stond ik met mijn koffers in de gang.
Ik zag meisjes op weekend vertrekken, anderen gingen winkelen.
Heel even dacht ik eraan dat ik nog geen nieuwe laarsjes had, maar dat zou wel komen in het volgende home.
Een beetje nerveus was ik wel, want ik hechte mij niet zo gauw aan een andere situatie, omgeving of mensen.
Het was dus bang afwachten.
De assistente van mijn voogd kwam mij oppikken.
Mijn
koffers, nou ja, koffers kon je het niet noemen, het waren eerder XXXL handtassen, maar het was al een hele verbetering tegenover de
plastiek tassen waar mijn pleegouders mijn beetje kleding had
ingepropt. En ik had ondertussen ook al enkele kledingstukken meer dan toen.
Mijn tassen dus werden zwijgend op de achterbank van haar auto gezet en ik mocht voorin plaatsnemen.
Op mijn vraag waar we naartoe gingen zei ze mij dat ik moest zwijgen onder het rijden.
We reden richting centrum. Maar op een bepaald moment was de omgeving mij totaal onbekend.
Iets later stopten voor een groot en somber gebouw.
Een lange donkere bakstenen muur met een grote bruine poort in het midden.
Het leek wel een gebouw uit de middeleeuwen.
We reden een zijstraat in en ook daar weer die donkere muur.
Wat mij meteen opviel was de prikkeldraad bovenop de muur en de scherpe
glazen pieken die als haaientanden uit de muur leken te groeien.
Ik zag hoge ramen met dikke zwarte tralies ervoor.
Ik had meisjes over dit gebouw horen praten in het home.
Meisjes die er vandaan kwamen en de gruwelijkste verhalen vertelden.
Verhalen over de manier waarop je werd behandeld. Verhalen over de onmenselijk strenge reglementen.
Over cellen en eenzame opsluiting, over macht geile nonnen.
En plots wist ik waar ik was!
Ik was in Sint Margharetha van Cortona.







