aardappelvelden


Gedicht van Karel
De Pelsemaeker
DE WELRIEKENDE
AARDAPPELVELDEN
Het was in de eerste weken van september
dat Brabantse paarden de rooimachines
door de aardappelvelden trokken.
Geelbruine knollen en slierten loof
vielen achte rde machines in een rij.
Boer en boerin, met heel hun gezin, kleurden de kouter:
Ze legden eerst het kruid opzij en plaatsten dan de manden
Barrevoets scharrelden ze, met handen en voeten
naar de gouden knollen, raapten de manden boordevol.
Ze riepen luidkeels "Eu joep!"
terwijl ze hun zwarte manden
in de bruine jute zakken stortten
Gestrikt met hennepkoorden,
leken de lompe zakken wel buitenaardse dwergen,
de ene al iets slomer dan de andere.
Als verslagen boerenjongens stonden ze
langs het rooiveld in nonchalante rij
In de stilte van de vroege herfst,
als patatten al in de schuren lagen,
steeg bij valavond de welriekende rook
van brandend aardappelkruid, naar de hemel op.
Het was alsof de ziel van de zomer
vanuit het vagevuur naar de heiligen ten hemel steeg.



















