Componist wordt 30 !


| 17.04.1979, Gent | |
|
| |
Componist wordt 30 !

| 17.04.1979, Gent | |
|
| |
Paul Beelaerts 60

Dirigent - componist wordt 70 ...

Paul Beelaerts 60 !Paul Beelaerts werd in 1949 geboren te Oostende.
Hij studeerde aan de Koninklijke Conservatoria van Gent en Brussel waar hij eerste prijzen voor notenleer, muziekgeschiedenis en Engelse hoorn behaalde, naast hogere diploma's voor hobo en kamermuziek. Daarna volgde hij nog meestercursussen bij Heinz Holliger en Maurice Bourgue en een aanvullende studie van de barokhobo in samenwerking met Paul Dombrecht en Helmut Hucke. Hij werd eerste laureaat en behaalde de Europa Prijs van de Pro Civitate wedstrijd in 1971 en in 1973 werd hij laureaat van de Tenuto 73 wedstijd voor hobo.
Als componist is hij volledig autodidact. Hij was gastcomponist op het ISCM-festival 1983 te Aarhus (DK). In 1977 behaalde hij nogmaals de Tenuto Prijs maar deze maal voor compositie, met het werk Permutaties op een thema van Martinu. In 1980 werd hem de Nausika-compositieprijs uitgereikt voor zijn Oppervlakkige Charleston. Dikwijls componeert hij in opdracht van ensembles en koren. Tegenwoordig doceert hij hobo en literatuur voor houtblazers aan het Koninklijk Conservatorium van Gent en kamermuziek aan het Lemmensinstituut te Leuven. Daarnaast is hij ook medewerker aan het Aquarius-projekt (Conservatorium van Antwerpen).
Nog meer Jef Van Hoof....
JEF VAN HOOF
Een paar weken geleden zongen we met enkele duizenden in de Lotto-Arenahal het krachtige strijdlied ‘Groeninghe’ en de prachtige hymne ‘Daar is maar één land’. En we luisterden ingetogen naar Ann De Renais in twee kunstliederen van Jef Van Hoof.
Daarmee herdacht het ANZ de 50ste sterfdag van deze legendarische toondichter.
Het was een merkwaardig toeval dat tijdens hetzelfde zangfeest de 175ste geboortedag van die andere Vlaamse geniale componist Peter Benoit werd herdacht. Beide figuren zijn immers enorm volksverbonden musici geweest. Ze hadden allebei een enorme voorliefde voor het eigen volkslied. Ze dirigeerden met een bezielend enthousiasme de massa en schreven met een groot hart voor die zingende massa. Beiden engageerden zich met hun kunst in de ontvoogdingsstrijd van ons volk. Benoit streed voor de oprichting van een Vlaams Conservatorium in Antwerpen en Van Hoof was een tijdlang directeur van diezelfde muziekschool. Zowel Van Hoof als Benoit hebben strijdvaardige liederen en andere opzwepende muziekstukken geschreven. Benoit hanteerde daarvoor massakoren en grote orkesten. Van Hoof bespeelde ook de massa zangers maar dan graag begeleid door vurige kopers. Kopers waren voor van Hoof ‘de ziel’ van het orkest. Van Hoof formuleerde het soms nog plastischer….
Naast de uitbundige en opzwepende stukken schreven beide toondichters schitterende symfonische werken (Benoit: fluitconcerto, pianoconcerto, ouvertures; Van Hoof: 6 symfonieën, symfonische suites), strijkkwartetten, kamermuziekwerken, pianomuziek, missen, motetten, koorwerken en liederen.
Van Hoof heeft steeds met een grote bewondering en zelfs verering opgekeken naar Benoit, net zoals veel generatiegenoten en jongere componisten opkeken naar Van Hoof. Van Hoof baseerde zijn pedagogische principes op die van Benoit wat bijvoorbeeld de rol van het volkslied betrof. Beide componisten hadden hun werkterrein in Antwerpen aan de Schelde en allebei kregen ze een graf op het ereperk van het Schoonselhof.
Benoit én Van Hoof waren en zijn figuren die tot de verbeelding spreken: het waren artiesten met de uiterlijke kenmerken van een romantische artiest: baard, lange haren, kapmantel en hoed, boude uitspraken, vurige begeesterende uitstraling….

In deze bijlage willen we graag iets dieper ingaan op de figuur van Jef Van Hoof.
Hij werd op 8 mei 1886 geboren in de Belegstraat 5 in Antwerpen. Als zoon van een koster speelde hij al zeer vroeg orgel en verving hij zijn vader aan het kerkorgel. In 1916 volgde hij zijn vader officieel op als koster.
Een groot collegestudent was hij niet. Daarvoor was hij te zeer gebeten door de muziekmicrobe.
Zo belandde hij aan het Antwerps Conservatorium bij Jozef Callaerts en Arthur De Hovre voor orgelstudie, bij Lodewijk Mortelmans voor harmonie en contrapunt en bij Paul Gilson voor compositie. Geef toe, je kan het slechter treffen!
Jef Van Hoof begon al vroeg te componeren. Zo ontstond zijn zeer bekend, innig en ontroerend ’t Is stille (op tekst van Gezelle) al in 1903.
In 1909 schreef het Algemeen Nederlands Verbond een wedstrijd uit voor een nieuw lied. Op tekst van (alweer) Gezelle schreef Van Hoof dan zijn immens populair geworden ‘Groeninghe’. Met deze ‘Vlaamse Marseillaise’ was zijn naam meteen gemaakt. Van Hoof werd hét symbool van de Vlaamse weerbaarheid. Geen Guldensporenviering en later geen zangfeest of IJzerbedevaart waar dit lied niet met gloed en geestdrift werd en wordt gezongen. Tijdens zijn leven vaak onder leiding van de toondichter zelf.
In 1911 ontving hij de ‘Prijs van Rome’ voor zijn cantate ‘Tycho Brahé’ en een eerste prijs in een wedstrijd van de Koninklijke Maatschappij ‘De Grote Harmonie van Brussel’ voor zijn ‘Landelijke stemming’.
Conservatoriumdirecteur Jan Blockx zwaaide uitbundig met lof en prees Van Hoof als waardige leerling van de muziekschool en volgeling van Benoit. Hij voorspelde hem een schitterende toekomst als nationaal componist. Profetische woorden, zoals later zou blijken.
Als musicus vocht Van Hoof tijdens de eerste wereldoorlog mee voor de vervlaamsing van de Gentse universiteit. Hij componeerde daarvoor het strijdlied ‘Oproep’. Dit leverde hem in 1918 een celstraf van 7 maanden op.

Daarna ging hij gewoon verder met zijn muzikaal engagement. Hij richtte het koor ‘Kunst en Vermaak’ (1920) op en werd leraar harmonie aan de Mechelse beiaardschool (1925) bij Jef Denijn. In 1933 stichtte hij samen met de Vlaamse bard Willem Demeyer de Vlaams-Nationale Zangfeesten waarvan we op 15 februari j.l. de 72ste editie mochten beleven. Aanvankelijk was Jef Van Hoof de enige dirigent en componist die aan bod mocht komen. Node moest Van Hoof aanvaarden dat ook andere componisten verschenen aan het firmament van de Vlaamse volksmuziek. Andere belangrijke Vlaamse toondichters verwierven immers ook een plaats als dirigent en componist op het zangfeestpodium. En dat het niet zomaar de minsten waren blijkt uit de opsomming van enkele namen van medewerkers aan de zangfeesten: Karel Candael, Lodewijk Mortelmans, Emiel Hullebroeck, Lieven Duvosel, Arthur Meulemans, Jef Tinel, Ivo Mortelmans, Renaat Veremans, Maurits Veremans, Armand Preud’homme, Gaston Feremans, Wies Pée, Jos Mertens, Hendrik Diels, Lode Dieltiens, Léonce Gras, Michaël Scheck, Juliaan Wilmots, Ludo Claesen, ….

Het belang van deze zangfeesten en van het daartoe opgerichte VNZ (nu ANZ) in de Vlaamse beweging en in de Vlaamse koor-, lied- en muziekgeschiedenis kan nauwelijks overschat worden. Van Hoof heeft daar dus een uiterst belangrijke mijlpaal gevestigd waarop vandaag nog steeds voortgebouwd wordt.
In 1936 werd Van Hoof aangesteld tot leraar harmonie in het Antwerps Conservatorium.
Hij werd in 1942 bevorderd tot directeur van het conservatorium als opvolger van Flor Alpaerts. Uit getuigenissen blijkt dat hij een echte bezorgde vader voor zijn leerlingen was en net zoals Benoit teruggreep naar het volkslied. Hij voerde weliswaar nieuwe leergangen in (slagwerk en euritmiek) en wijzigde hier en daar elementen in de leerstof maar steeds in de geest van de stichter van de ‘muziekschool’. Hij leverde in volle oorlogsperiode vaak valse getuigschriften af om jongeren te vrijwaren tegen verplichte tewerkstelling in Duitsland. Maar toch werd hij afgezet in 1944 en vloog hij weer de cel in. Na een jaar kwam hij vrij. Het conservatorium bleef dicht voor hem. De beiaardschool in Mechelen daarentegen werd zijn nieuwe thuis.

Op 24 april 1959 overleed hij in zijn ‘Spokenhof’ met naast zich de onvoltooide zesde symfonie.
Naast zijn drukke bezigheden als leraar, directeur en dirigent componeerde hij een aanzienlijk aantal en zeer uiteenlopende werken.
Laten we beginnen met zijn werken voor de menselijke stem.
Zo zijn er eerst en vooral de kunst- en volksliederen (‘Ik wist niet’; ‘De vriezeman’; ‘Nanoen in huis’; ‘Lentestemming’; ‘Slaapliedje’; ‘Marialiedeken’; ‘Suja nu’; ‘Nachtdeun’; …..), strijdliederen en geëngageerde liederen (‘Groeninghe’; ‘Daar is maar één Vlaanderen’; ‘Goedendag’; ‘Vaandellied’; ‘Trouw aan Vlaanderen’; ‘O kruis van den IJzer of Bedevaartlied’; ….), kinderliederen (‘Mijn jeugd is als een tuil van rozen’; Van den koekoek en den ezel’; …) en godsdienstige liederen (‘Marieliedeken’; ‘Kerstlied’;…).
Bij de liederen is het opmerkenswaard dat hij zelden de harde strijdlustige toon van Groeninghe aanslaat. Meestal spreekt er uit zijn liederen een diepe verinnerlijking en elegisch karakter. Zijn kinderliederen zijn prachtig afgestemd op de kinderen qua toon en sfeer. De muziek respecteert altijd de tekst. De muziek eerbiedigt de prosodie en metrum. Muziek en woord zijn één. Ze vormen een ‘monoliet’ zou Robert Herberigs later zeggen. Lodewijk De Vocht formuleerde het bijbels als hij zei: Eerst was er het woord en dan pas de muziek. Op dat punt zat Van Hoof dus in goed gezelschap. Zijn liedkunst werd doorheen zijn carrière steeds rijper en meer geïnspireerd. Geen wonder dat hij in 1958 als eerste de Lodewijk Mortelmansprijs ontving.
Een merkwaardig genre dat Van Hoof ook beoefende is de lyrische voordracht. Dat zijn liederen voor spreekstem met begeleiding. Bijvoorbeeld ‘Spinnelied’; ‘Idylle’ en ‘Jacob van Artevelde’.
Hij gebruikte teksten van o.m. G. Gezelle, P. De Mont, B. Peleman, A. Rodenbach, W. Gijssels, J. Van Nijlen; G. Ritschl, L. De Schutter R. De Clercq en E. Denhaene.

Daarnaast componeerde Van Hoof een hele reeks koorwerken. Hij schreef missen voor mannenkoor en orgel en voor gemengd koor, koorwerken voor gemengde stemmen (bv. ‘Onder de linde’ zie Vlaams Romantisch koorboek; Drinkebroerslied; bewerkingen van 10 oude volksliederen; bewerkingen van 10 Geuzenliederen; …), motetten (‘Tota pulchra es, Maria’; ‘Klaar bloed en louter wonden’; ‘Marialiedeken’; …) werken voor gelijkstemmige koren (‘Psalm’; 6 Dietsce liederen; ‘Strijdkreet’; ‘Hangt ‘nen truisch’; …).
Bij de koorwerken van Van Hoof is het opvallend hoe subtiel de grens is tussen eenstemmige liederen en koorliederen. Hij hanteerde vooral een verticale (homofone) schrijfwijze waardoor de verstaanbaarheid van de tekst zeer goed tot zijn recht komt. De klemtoon ligt op de melodiestem. De andere stemmen begeleiden.
Van Hoof op zijn best treffen we wellicht aan in zijn ‘Missa De Deo’ uit 1937. Een indrukwekkende compositie voor gemengd koor en kopers die triomfen oogstte in Aken maar in eigen land pas in 1966 (7 jaren na de dood van de componist) voor het eerst werd uitgevoerd. In 1949 ontstond zijn Te Deum voor dezelfde bezetting. Een zeer expressief en afwisselende compositie.
En zo zijn we bij de muziek voor kopers beland, hét instrument van Van Hoof. In navolging van zijn leermeester Paul Gilson wilde hij de kopermuziek in Vlaanderen veredelen. Denken we maar aan de oproepen voor kopers en de ritmische symfonietta. Tot aan zijn dood leidde hij een eigen koperensemble bestaande uit 5 trompetten, 5 bazuinen en slagwerk. Hoorns gebruikte hij niet in zijn ensemble omdat die in zijn ogen te weinig viriel waren en meer aansloten bij de houtblazers.
Verder componeerde Van Hoof ook intieme strijkkwartetten, kamermuziek (vb. ‘Suite voor 3 fagotten’ waarin het luimige volkslied van Pierlala verwerkt wordt), toneel- en filmmuziek (‘De vertraagde film’; ‘Jonker Lichthart’;…), de opera Meivuur, orgelmuziek (‘Rist van 6 kleine stukken’ uit 1903). Over dit orgelwerk schreef Wies Pee dat het technisch zeer goed uitgewerkt is en een schoolvoorbeeld van harmonie en melodie kan zijn. Hij plaatste ze meteen op dezelfde hoogte als orgelwerkjes van Sweelinck, Frescobaldi, Pachelbel, Buxtehude en Bach.
Verder nog pianowerken (‘3 walsen’, ‘Morgenwandeling’..) en beiaardcomposities,
Een bijzondere vermelding verdienen zeker nog de 5 symfonieën en een onvoltooide zesde symfonie. Deze werken zijn zeer klassiek van opbouw met de 4 delen (allegro, adagio, scherzo en allegro). De orkestratie is telkens zeer verfijnd en technisch perfect. Ze klinken lyrisch, romantisch en toch ook zeer fris. De componist van Groeninghe is hier ver te zoeken. Zijn latere symfonieën tonen een gelouterde en tot rust gekomen (?) toondichter. Van dezelfde kwaliteit zijn de 2 symfonische suites en ouvertures (‘Perseus’; ‘Willem De Zwijger; ‘Herinneringsouverture’ met daarin allerlei nationale hymnen verwerkt; …) en een massa bewerkingen en begeleidingen bij liederen voor orkest, fanfare en koperensemble.
Musicologen prijzen Van Hoof als eminent leerling van Gilson. Hij combineerde het romantsiche volksverbonden idealisme van Benoit met de technische beheersing van Gilson. Hij kan ook als classicistisch componist gezien worden omdat hij de klassieke vormen (symfonie; strijkkwartet, ….) trouw respecteerde en in zijn orgelwerk refereerde aan de grote klassiekers. Hij was dus zeker geen vernieuwer (behalve misschien qua kopermuziek), maar hij verwerkte de traditie tot een persoonlijke klassieke stijl. Zijn werken zijn alle boeiend om te beluisteren, pittig en voornaam.
Dirigent Daniel Sternefeld die de symfonieën van Van Hoof dirigeerde voor de BRT getuigde dat de muziek en de mens Van Hoof één zijn: stoer, oprecht, eenvoudig en gezond. Hij verwees naar de invloed van Gilson qua kleur en kracht met een gezonde voorliefde voor kopers.

We eindigen deze bijdrage met de woorden van August Corbet: hij vulde oude vaten met nieuwe wijn; gaf blijk van eerbied voor de technische verworvenheden van het voorgeslacht en verrijkte ze volgens zijn eigen beleving van het tijdsgebeuren met een oorspronkelijke kleur en een soms gedurfde klank welke nochtans nooit afbreuk deed aan de gevestigde en algemeen geaccepteerde vormentaal.





Jef Van Hoof (1886 - 1959)
JEF VAN HOOF
50 jaar geleden stierf Jef Van Hoof.
Deze markante figuur uit het Vlaams muziekleven zal voor altijd herinnerd worden als de grote dirigent van de massa op de zangfeesten en IJzerbedevaarten. Hij was bovendien één van de oprichters van het Vlaams Nationaal Zangfeest in 1933 (samen met Willem Demeyer).
In Vlaamse kringen blijft hij populair als de toondichter van het schitterende strijdlied 'Groeninghe', ook wel de 'Vlaamse Marseillaise' genoemd. Dit krachtige strijdlied ontstond precies 100 jaar geleden in 1909 naar aanleiding van een compositiewedstrijd van het Algemeen Nederlands Verbond.
Ook het lied 'Daar is maar één Vlaanderen' blijft een topper in het repertoire.
Daarnaast schreef hij motetten, missen, kamermuzuek, symfonieën, opera's, koorwerken en liederen.
Hij was een laatromanticus met een grote achting voor Benoit.
Zijn kopermuziek is echter uniek in zijn soort. Merkwaardig is ook zijn Te Deum en de Missa de Deo voor koor en kopers.
En vergeten we zeker zijn belang niet als beiaardcomponist.
Behalve als musicus genoot hij van een sterke reputatie van een volleerd vloeker die geen scheldwoord uit de weg ging. Ook zijn hoed en kapmantel werden legendarisch.
Zijn vlaamsgezindheid kostte hem zijn vrijheid zowel na de eerste als na de tweede wereldoorlog. In 1944 verloor hij zelfs zijn functie als directeur van het Vlaams Conservatorium van Antwerpen.
Jef Van Hoof werd begraven op het Schoonselhof te Antwerpen. Het ontwerp van zijn graf is van de bekende zanger Renaat Verbruggen.
Jef Van Hoof werd volledig terecht herdacht en geëerd op het voorbije 72ste Vlaams Nationaal Zangfeest.
Hieronder krijgt u een ietwat uitgebreidere beschrijving van zijn leven en werk.






(Jef Van Hoof en beiaardier Staf Nees)
Frits Celis 80 in 2009 !
FRITS CELIS 80 !
2009 wordt voor de Antwerpse componist – dirigent Frits Celis een feestjaar.
Hij wordt immers dit jaar 80.
Celis studeerde aan de conservatoria van Antwerpen en Brussel en behaalde de diploma’s notenleer, harmonie, contrapunt, fuga, muziekgeschiedenis, harp en orkestdirectie.
Hij begon zijn carrière als harpist van het orkest van de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen.
De meeste muziekliefhebers kennen Frits Celis wellicht als dirigent van datzelfde operahuis. Celis vervolmaakte zich immers na zijn conservatoriumstudies aan het Mozarteum in Salzburg en aan de Staatliche Hochschule für Musik in Keulen als dirigent. In 1954 werd hij bovendien eerste laureaat van een wedstrijd voor dirigenten georganiseerd door de Brusselse Munt. Hij werd dan ook dirigent aan deze schouwburg. Van 1981 tot 1988 was hij eerste dirigent van de Vlaamse Opera in Antwerpen en Gent. Daarnaast trad hij herhaaldelijk op als gastdirigent in Nederland, Frankrijk, Tsjechië, de VS, ….
Als dirigent besteedde hij veel aandacht aan de muziek van eigen bodem. Daarvoor verleende SABAM hem in 1992 de Fuga-trofee.
Daarnaast was hij nog professor aan het Antwerpse conservatorium in notenleer en transpositie.
Wij willen in dit artikeltje echter vooral nadruk leggen op de componist Celis.
De man schreef (en schrijft) een gigantisch oeuvre bijeen. Orkestwerken, kamermuziek, liederen en koorwerken.

Zijn werk munt uit door een schilderend en beeldend karakter. Hij schrijft niet zomaar voor eigen plezier, hij wil dat zijn werk beluisterd wordt. Daarom wil hij toegankelijke muziek schrijven. Hij stelde vast dat cerebrale muziek als chaotisch en wanklank wordt ervaren door veel luisteraars. Daarom streeft Celis naar een vorm van toegankelijke muziek, zelfs al is ze vaak atonaal, met een lyrisch karakter en mooie samenklanken. Effecten en experimenten vermijdt hij omdat dit meestal maar tijdelijke verschijnselen zijn die geen boodschap hebben voor de luisteraars. Hij wil de kloof tussen toehoorder en hedendaagse componist overbruggen. Zonder echter naar commercialiteit te streven.
Het is dan wellicht ook niet toevallig dat Frits Celis voor zijn vocale werken kiest voor gevestigde waarden in de Vlaamse en buitenlandse literatuur. We zien in zijn opuslijst werken op teksten van zowel Shakespeare als Gezelle, Nahon, Van Ostayen, Timmermans, Van Wilderode, Durnez, Buckinkx, Thoen, A.M.G. Schmidt….
Voor kinderkoor schreef hij o.a. Herfst (met piano- of orkestbegeleiding); Letterphantasy; Let us be happy; Three little men; Rijmelarijtje en Slaap, slaap kindje slaap (met pianobegeleiding).
Gelijkstemmige koren vinden in Celis’ werkenlijst o.a. Ballade en Mon ami.
Voor de dameskoren onder ons schreef hij o.a. De meneer van hiernaast en Three Shakespeare Poems I. De Shakespeare Poems II zijn geschreven voor mannenkoor en voor gemengd koor zijn er de Shakespeare Poems III.
Nog voor gemengd koor componeerde Frits Celis o.a. Als een bries; De averulle en de blomme; De Meinacht mint de Nachtergaal en Drie koorstudies.
We wensen Frits Celis nog vele gezonde en vruchtbare jaren toe!
Lodewijk De Vocht
Dubbelcd Lodewijk De Vocht![]() |
|
|
|
Recent bracht het Lodewijk De Vochtfonds een dubbelcd uit met historische opnamen van De Vochts koorwerken en -liederen. |
Goed nieuws vanuit de VRT
Afgelopen zomer voerde de VRT een kwalitatief onderzoek uit bij de luisteraars met als doel het muziekaanbod op de radio's nog beter af te stemmen op hun behoeftes.
(VRT) "Alle radiozenders brengen muziek voor een breed publiek, maar het netprofiel van elke zender moet permanent afgestemd worden op de respectievelijke doelgroep", legt Isabelle Baele (foto), content directeur media, uit.
De muziekstroom van Radio 1 wordt classics, Radio 2 moet zich focussen op melodieuze muziek, Klara op jazz, Studio Brussel op alternatieve rock en MNM op hits.
Uit het onderzoek bleek niet expliciet dat de luisteraars meer Nederlandstalige muziek willen horen. "Om een duidelijk statement te maken dat de VRT absoluut het Nederlandstalig repertoire wil promoten, moet dat repertoire nog meer aandacht krijgen in de muziekprofielen van de openbare zenders", aldus Baele.
Radio 1 moet minstens 10% van zijn muziektijd besteden aan Nederlandstalige producties, bij Radio 2 moet dat stijgen tot 25%.
De openbare omroep pleit wel voor meer kwaliteitsvolle Vlaamse producties. In de week van 31 januari tot 6 februari organiseert de VRT de Vlaamse Muziekweek. Alle radio's besteden dan extra aandacht aan de Vlaamse muziek.
NVDR: Hopelijk komen ook volkse componisten zoals Hullebroeck, Preud'homme, ... en de ernstigere zoals Benoit, Tinel, Veremans, De Jong Van Hoof, ...... ook extra aan bod.
Wannes Van de Velde

Wannes (Wim) Van de Velde werd in 1937 geboren te Antwerpen. Hij was de zoon van de volkszanger Jaak van de Velde en groeide op in het Schipperskwartier en de Seefhoek in Antwerpen. Hij studeerde plastische kunsten, maar was al heel vroeg begeesterd door de muziek. Vooral Vlaamse volksliederen en flamenco boeiden hem, en op zijn eerste plaat in 1966 zong hij in het dialect.
Van de Velde werd in de jaren 70 ook deel van de Antwerpse toneelscène, maar de vaste stroom in zijn leven bleef de muziek. Hij bracht veertien albums uit, waarvan het laatste In de maat van de seizoenen in 2006 verscheen.
De zanger was al die jaren ook een aandachtig lezer en stelde zijn overpeinzingen meermaals te boek. Hij was ook vele jaren docent aan de toneelschool Studio Herman Teirlinck.
Volgens vele critici was Wannes Van de Velde een van de belangrijkste naoorlogse zangers geworden in het Vlaamse muzieklandschap. Zijn compromisloze aanpak en eclectische aanpak wezen tegelijk op het belang van erfgoed en de noodzaak aan persoonlijkheid.
ANZ (uiteraard) tegen afbraak monument Willem De Meyer!

Warm aanbevolen lectuur....
Naamsverandering Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen

Met verbijstering las ik in de media dat uw instelling het predicaat ‘Vlaams’ laat vallen.
Wat mag daar de reden voor zijn?

Uw stichter Peter Benoit heeft een zware en moedige strijd geleverd om de muziekschool van Antwerpen te verheffen tot een conservatorium en het instituut heette dan ‘Vlaams Conservatorium’.
Een logische naam voor een school in Vlaanderen die Vlaamse musici wil(de) opleiden.
En er is voorwaar een hele Vlaamse school uit dit conservatorium voortgekomen (of mogen we de term “Vlaamse school” die we in onze muziekgeschiedenislessen leerden, ook niet meer gebruiken?).
U kent deze componisten en andere musici beter dan ik: Edward Keurvels, Emile Wambach, Jan Blockx, Flor Alpaerts, Lodewijk Mortelmans, Jef Van Hoof, Lodewijk De Vocht, Marinus De Jong, Renaat Veremans, Emmanuel Durlet, Flor Peeters, Willem Kersters, Vic Nees, Luc Van Hove, Luc Brewaeys, Robert Groslot, ….. Generaties grote musici.

De huidige schoolleiding heeft m.i. de zware verantwoordelijkheid om vandaag bekwame muzikanten te vormen. Maar ze heeft ook de taak om de traditie van het huis in ere te houden.
En zo kom ik terug bij mijn eerste vraag: waarom moet het predicaat ‘Vlaams’ verdwijnen, net nu Vlaanderen meer en meer autonomie en internationale erkenning krijgt?
Zijn de eerder geciteerde musici minderwaardige vaklui geweest omdat hun school een Vlaamse school was?
Zullen de volgende generaties afgestudeerden betere musici zijn omdat het etiket Vlaams weg is?
Waar is in godsnaam uw fierheid en respect voor uw voorgangers heen? En het respect voor uzelf?
Wat denken jullie op deze manier aan constructiefs bij te dragen aan de kwaliteit en identiteit van onze Vlaamse musici?
En kom niet af met het argument van ‘misplaatst nationalisme’ want dan zou u ook beter het label ‘Koninklijk’ laten vallen.
Met beleefde groeten
Peter Leys
Willem De Meyer

25 jaar geleden stierf Willem De Meyer (1899-1983).
Hij reisde doorheen heel Vlaanderen en ver daarbuiten om de Vlaamse componisten en hun liederen bekend en bemind te maken.
Hij stichtte samen met Jef Van Hoof in 1933 het Vlaams Nationaal Zangfeest. Jarenlang was hij er een graaggezien dirigent.
Hoeveel radio-uitzendingen (U mijn liefde, u mijn hart) stelde hij niet samen met een grote liefde en een groot hart voor Vlaanderen en de Vlaamse muziek?
Een ontelbaar aantal LP's werd door hem volgezongen met Vlaamse traditionals. Nog talrijker zijn de zangbundels die hij samenstelde en de partituren die hij uitgaf met zijn Roelanduitgaven.
Met de trekzak aan de zijde en het lied in ziel en mond doorkruiste hij de Vlaamse wegen en deed hij soldaten, moeders en vaders, zonen en dochters zingen over de Noordzee en de purperen hei.
Hopelijk is zijn inzet niet tevergeefs geweest en blijven er zangers en dirigenten opstaan om het Vlaamse lied, oud en nieuw, in ere te houden.
Graag drukken we hier een mooie hulde aan Willem bij zijn overlijden af:
Op achtjarige leeftijd belandde Willem de Meyer met zijn familie in Borgerhout, waar hij tot aan zijn dood bleef wonen. Hij kreeg er een opleiding als onderwijzer en zangleraar en werd vooral bekend als promotor van het Vlaamse lied.
Willem de Meyer publiceerde onder meer onder de titel "Zingende jeugd, zingend volk", vier delen liederen: een reeks marsliederen genaamd "Jong Vlaanderen marcheert", liederen voor de lagere scholen, onder meer gebundeld in "O nachtegaaltjes zingt maar dapper voort" en, samen met Clem De Ridder, "Zingen wij ons eigen lied", met honderd liederen uit de "Vlaamse liederenschat". In 1933 organiseerde hij het éérste Vlaams Nationaal Zangfeest en werd de éérste secretaris van het Vlaams Nationaal Zangverbond (VNZ), in 1948 omgedoopt tot het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ). Dit zangverbond heeft méér dan zijn taak vervuld in de geschiedenis van de Vlaamse bewustwording.
Willem de Meyer werd echter vooral bekend door de ontelbare gecommentarieerde volkszangavonden die hij vanaf 1926 gedurende tientallen jaren in gans Vlaanderen en voor heel wat verschillende groepen organiseerde. Hij verspreidde het volkslied zowel bij de jeugd in de schoolklassen en jeugdbewegingen als bij de bejaarden en de militairen in het leger. Daarin ligt trouwens zijn grootste verdienste: dat hij ons volk weer zijn liederen leerde kennen én zingen. De rol die hij vervulde in het bewustwordingsproces van vele Vlamingen kan nauwelijks overschat worden. Om de activiteiten van Willem de Meyer en zijn betekenis te schetsen, citeren we Emiel Hullebroeck, de componist die ook bekend was door zijn vele liederavonden in Vlaanderen én in het buitenland, zelfs tot in Zuid-Afrika. Wij mogen hem zeker als de voorganger van Willem de Meyer vernoemen. Naar aanleiding van Willems zestigste verjaardag schreef Hullebroeck een bijdrage in "De Toerist" van 16 december 1959: “Wat het werk van de Meyer heeft betekend al die opeenvolgende jaren is moeilijk te overzien. Toch willen wij beproeven er de lezer een blik in te gunnen. We nemen als voorbeeld het jaar 1959. de Meyer trad zowat 250 maal op (zangmiddagen en -avonden). Daarin zijn betrokken een zestigtal in vakantiekampen van de Kr. Mutualiteiten, voor ruim 12.000 kinderen tussen de 10 en 14 jaar. Verder een groot aantal zangmiddagen in de scholen, de resterende zangavonden in allerlei kringen. de Meyer handelt daarbij a-politiek, zoals ik destijds zelf deed. Wie hem vraagt, ziet hem verschijnen. (…) Niet minder dan 250 Vlaamse liederen heeft de Meyer voorgezongen en verspreid, natuurlijk een overwegend aantal volksliederen, aangezien hij zich hoofdzakelijk tot het volk richt. (…) Het lied moet bezingen alles wat de rijkdom en het geluk, het wel en het wee van het volk uitmaakt: zijn weiden als wiegende zeeën, zijn beierende klokketorens, zijn kunststeden, zijn Noordzee, zijn arbeiders en geleerden, zijn jeugd, zijn familieleven, zijn strijd voor eigen bestaan en taal. Ons volkslied is, goddank, Vlaams gebleven.”
En Hullebroeck besluit: “Zo heeft dan de Meyer in grote mate de weer-bewustwording van ons volk bewerkt en ieder van ons, die het Vlaamse hart op de rechte plaats draagt, moet zich dankbaar over dat reuzewerk verheugen.”
Het werk dat hier werd beschreven, heeft Willem de Meyer nog vele jaren voortgezet. Hij bleef zingen, maar verlegde wel stilaan zijn werkterrein van de jeugd, de scholen en het leger naar de ouderen waartoe hij stilaan zelf ging behoren. Het gaf hem zeker voldoening dat het Vlaamse lied bij deze groep bekend en geliefd was gebleven. In een huldebrochure naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag werd dit zo samengevat: “Wie hij in zijn jonge jaren had leren zingen en begrijpen wat men zong, kende, begreep en doorvoelde nog steeds bij ondergaande levensavond welke waarden hij had bijgebracht. Dat moet voor hem een troost, een kracht geweest zijn zo sterk, dat hij niet op kon geven ook al naderde hij de tachtig die hij thans heeft bereikt.”

Willem Kersters 20 jaar overleden


Vlaamse toondichters begraven op het Gentse Campo Santo.jpg)
.jpg)
Filip Rathé
De Litouwse componistenvereniging, de festivals van Vilnius en de Litouwse afdeling van ISCM kondigen samen de ISCM World Music Days aan, die plaatsvinden van 24 oktober tot 8 november in de Litouwse hoofdstad Vilnius.
Het gaat om de eerste internationale bijeenkomst voor hedendaagse muziek in de Baltische regio, en de eerste ISCM World Music Days in dat gedeelte van Europa.
Om de internationale ambities van het festival te onderstrepen, werd de Vlaming Lieven Bertels (Holland Festival) uitgenodigd als curator. Hij zal betrokken zijn bij de realisatie van verschillende projecten in het kader van het festival.
Het festival nodigde componisten uit van heel de wereld om werk in te dienen voor deze gelegenheid. Een internationale jury, met o.a. componisten Jonathan Harvey (GB) en Peter Eötvös (HON), maakte een selectie van werken die het gekozen festivalthema 'InBetween' belichten.
ISCM-Vlaanderen mocht als 'associate member'6 partituren indienen. 'Das Utopias', een compositie voor strijkinstrumenten van Filip Rathé werd geselecteerd en zal uitgevoerd worden op 5 november door de Kremerata Baltica, het kamerorkest dat werd opgericht door de gerenommeerde violist Gidon Kremer.
Filip Rathé studeerde piano en directie aan het Koninklijk Conservatorium van Gent. Hij vervolmaakte zich verder als dirigent bij Laszlo Heltay en Pierre Cao en studeerde compositie bij Lucien Goethals. Aan de Universiteit van Gent behaalde hij een Meestergraad Musicologie bij Professor Herman Sabbe.
Sinds 1993 is Filip Rathé artistiek directeur en dirigent van het SPECTRA Ensemble waarmee hij concerteerde doorheen heel Europa en Zuid-Amerika en meer dan 60 nieuwe werken creëerde. Hij was gastdirigent van o.m. het Symfonieorkest van Vlaanderen, het Vlaams Radio Koor en verschillende ensembles (o.a. I Solisti del Vento, Hermes Ensemble, Aquarius Ensemble (N))
Filip Rathé 's werken werden gecreëerd door o.m. het Vlaams Radio Koor, ASKO (N), SPECTRA Ensemble en Collegium Instrumentale Brugense, en bekroond door ISCM-Vlaanderen.
Filip Rathé is leraar analyse en hedendaagse kamermuziek aan de Conservatoria van Gent en Antwerpen, en werkt aan onderzoeksproject rond de Duitse componist Nicolaus A. Huber.
Koorcomponist Raymond Schroyens, 75 !

Naast de film, de musical ook een cantate: DAENS
| De Aalsterse componist Octaaf Boone (1923-2002), leerling van Gaston Feremans, was vooral actief in de lichte muziek, maar in 1993 schreef hij zijn klassiek meesterwerk: de Daenscantate. Julien Librecht schreef het libretto als een Grieks drama. Niet het hele levensverhaal, maar de gemoedstoestand van Daens tijdens 5 cruciale momenten in zijn leven staat centraal. Deze dubbel-cd is een live-opname van een uitvoering op 3 juli 2007 in de Sint-Cordulakerk in Schoten. | |
![]() |
Uitvoerders: Kamerorkest Divertimento, Harmonie Amicitia, Gemengd Koor Alamire, Mannenkoor De Welgezinden, Koor Cantate, Wilfried Haesen en Hugo Janssens (spreekstem), Johan Uytterschaut (basbariton) o.l.v. William Spittael Uitgave: FVV Referentie: ANZ 099 Prijs: 16 Euro Bestel via: www.anz.be |
| Titel | Componist | |
| 1 | Ouverture (8:40) |
Octaaf Boone |
| 2 | Deel 1 Rerum Novarum - Het duel (19:43) |
Julien Librecht / Octaaf Boone |
| 3 | Intermezzo (1:46) |
Octaaf Boone |
| 4 | Deel 2 De confrontatie (21:56) |
Julien Librecht / Octaaf Boone |
| 5 | Deel 3 Rome (11:58) |
Julien Librecht / Octaaf Boone |
| 6 | Intermezzo (1:47) |
Octaaf Boone |
| 7 | Deel 4 Degradatie (16:56) |
Julien Librecht / Octaaf Boone |
| 8 | Intermezzo (1:40) |
Octaaf Boone |
| 9 | Deel 5 De laatste ronde (24:41) |
Julien Librecht / Octaaf Boone |
Proficiat en bedankt ANZ !
